Petr Hruška



Gedichten






Petr Hruška. Bron

Petr Hruška werd in 1964 geboren in Tsjechoslowakije. Hij publiceerde drie dichtbundels: Obývecí nepokoje ('Onrustkamers', l 995), Mešíce ('Maanden', 1998), en Vždycky se ty dveře zavíraly ('De deuren gingen altijd dicht', 2002). Hij kan worden gekarakteriseerd als een dichter van onrust en verborgen gevaren in het dagelijks leven en vooral in relaties. Zijn werk is vertaald in het Frans, Duits, Engels, Pools en Nederlands.

Hruška studeerde af aan de Faculteit der Letteren van de Universiteit van Ostrava. Hij werkt aan het Instituut voor Tsjechische Literaruur in Brno en daarnaast rapporteerde hij regelmatig zijn bevindingen over het doorbrengen van een nacht op de bankjes van een luchthaven ergens in de wereld aan het 'Budget Traveller's Guide to Sleeping in ... '.

Hruška nam in september 2004 deel aan de internationale manifestatie Literair Paspoort van de Stichting Dichter aan Huis in Den Haag.



DEUR


Altijd ging de deur dicht, gewoon uit zichzelf,
jaren lang, met trage haast.
Nu verroert hij zich niet.
Voor de deur raapt de vrouw schuldbewust een groot
hemd op, dat 's nachts van de waslijn is gevallen. De man
kijkt naar de vrouw met dat hemd. Zeker de wind. Ergens
in de nacht.
Beiden zouden willen weten wanneer, wanneer precies het gebeurd is, beiden
zouden op datzelfde moment willen zijn.



VOORRAADKAMER


Eens zullen we tegen elkaar botsen in de schemerige
voorraadkamer, verrast - met ganzenbloed en petroleum,
hemden huiselijk opgestroopt, vage contouren van
aardappelgezwellen. We komen halen.
Je hoort betrapte ademhaling, de dunne draad van
licht uit het slecht sluitend raampje ligt pijnlijk tussen
ons in.
nee het miezert
noch schemert
ik sta op
omhels van achteren
de groene trui



HIJ HAD PLEZIER


Hij had plezier Adam
in zijn pyjama
en hij schreeuwde 'tuit
na die rare dag
ik vroeg net honderduit naar alles
naar alles weer opnieuw
Adam is uiteraard niet van onszelf
met schoolgaan heeft hij 't moeilijk
met de taal
die Adam
en zo'n heftig ongeremd plezier
's avonds in de badkamer
ik was er bij
ik was er verschrikkelijk bij



NACHT


Echt donker is het in de kinderkamer. Diepzwart.
Elders is het maar dun en waterig grijs, waarin je
uiteindelijk alles schandelijk kunt onderscheiden.



JE ZIET ZE LANG VOOR JE


vingers
haken voor luiken
een trede
kale steeltjes van aalbessen
fijn als het uiteinde van bloedvaten
een rare deksel
je eigen vrouw
in een zomerjurk
met grote schotwonden
van knalrode knopen



DE GROENE TRUI


de groene trui
na alle jaren samen
de groene trui
nee het miezert
noch schemert
ik sta op
omhels van achteren
de groene trui



JULI

voor Jan Balabán1


Bij het slaapkamerraam
als bij het raam van een trein
alleen staat buiten nog steeds
het donker van de boom
achter de rug kijken dieren
op een kinderpyjama



DE PLEK


Misschien populieren of iepen. De wind of hij wil
preken. Jouw jurk met schepen bolt op, ik weet waar
hij hangt in de kast. Dat geel dat oplicht in de mist
bij de weg.

We lopen terug naar de auto. Het was een stop met een
onbeduidende, achterhaalde reden. Dit hier zullen we nooit
meer terugvinden, ook niet die wuivende bomen, vast iepen.



PRiLLE LENTE


Ze zaten al haast op bed. Toen herinnerde de man zich
dat de achterdeur nog openstond. Hij schuifelde door de gang, langs duistere
gaten van ruimtes en werkplaatsen. Langs
duistere gaten van mouwen op de gemeenschappelijke kapstok.
Het huis gaapte, doorgestoken.

Zijn hand op de klink, zag hij bij het latwerk onder het dak
de laatste flard sneeuw. Hij lag er wit en groot, als een dier
met opgeheven hoofd, als een naakte schouder. Als alleen
een paar dingen in het leven. Hij lag er wit en buitensporig,
bij de deur achter.

Hij schuifelde terug, traag en stil - mocht zijn vrouw al
Slapen

 

NIETS


Ze schudde aan hem als aan een herfstige tak: er is iemand.
Maar toen hij opstond en het licht aandeed, bleek enkel hoe
betrouwbaar dingen zijn: alleen de radio en het klaargelegde
vlees in de kamer wachtten op de ochtend. Alleen
de koningskaarsen stonden naast de muren als mannen
voor de kroeg op een heldere nacht.


 

***


In Kuks2 voor het hospitaal, oorspronkelijk bestemd voor veteranen
van Turkse oorlogen en bejaarde vazallen, staat (of beter: kronkelt)
een rij allegorische vrouwenbeelden van deugden en ondeugden door
Mathias Braun von Braun. Ze zijn beeldschoon, en het heeft geen zin
te ontkennen: de ondeugden vond ik meestal mooier, wellicht door de
expressieve barok die zich in die levende zondaressen ten volle kon
ontplooien. Tussen hoogmoed, gierigheid, overspel enzovoorts staat
het beeld van een vrouw die een dolk in haar borst steekt - de allegorie
van wanhoop. Wanhoop als ondeugd! Ik besefte dat wat in de baroktijd
nog als ondeugd werd gezien, vandaag de dag nauwelijks meer wordt
gevoeld als iets onzedelijks, als het falen van de eigen soort. Wanhoop is
algemeen en vanzelfsprekend geworden, een 'rechtsgeldige' levenshouding,
af en toe (vooral in slechte literatuur, vooral in slechte poëzie) zelfs
modeverschijnsel, iets bijna eerbiedwaardigs. Alsof degene die niet
voldoende wanhoopt, meteen wordt verdacht van naïveteit, oppervlakkig
bestaan, filosofische onvolwassenheid. Alsof wanhoop zien is, geen
blindheid.



Vertaling Jana Beranová




1 Jan Balabán is literair recensent en letterkundige.
2 Kuks is een historisch plaatsje met een kasteel in Oost-Tsjechië.



<   

TSL 40

   >