Raymond Detrez



Het leven en lijden van de zondaar Sofroni





Sofroni van Vratsa

In 1803 zocht de 64-jarige Bulgaarse bisschop Sofroni van Vratsa, na een leven van ontberingen en tegenslagen, zijn toevlucht in een klooster in de buurt van Boekarest, in wat toen nog Walachije heette. Vermoedelijk om de metropoliet en de vorst van Walachije die zich over hem ontfermd hadden over zijn verleden te informeren, schreef Sofroni in 1804 een beknopte autobiografie met als titel Leven en lijden van de zondaar Sofroni (Zjitie i stradanija gresjnago Sofronija). In 1861 publiceerde Georgi Rakovski de tekst in zijn krant Dunavski lebed (Donauzwaan), en sindsdien geniet het relaas van Sofroni in Bulgarije een onverwoestbare populariteit. Ondertussen verscheen de autobiografie van Sofroni ook in Duitse, Franse en Russische vertaling.

Bisschop Sofroni van Vratsa werd geboren in 1739 in Kotel, een rijk dorp in West-Bulgarije, als Stojko Vladislavov. Na de vroegtijdige dood van zijn vader en zijn pleegvader (zijn oom), beiden veehandelaars, kreeg Stojko financiële problemen. Hij moest schulden terugbetalen, had een conflict met de andere erfgenamen, maar sprong ook zelf niet altijd even verstandig met zijn vermogen om. Toen hij in 1762 tot pope gewijd werd, leek er een einde aan zijn zorgen te komen, maar omdat hij zich had laten 'belezen' - tijdens een periode van ziekte had hij bezweringsformules laten uitspreken - verboden zijn superieuren hem gedurende zes jaar zijn functie uit te oefenen, waardoor hij ook de inkomsten uit het priesterschap moest derven.

Sofroni' s relatie met de andere priesters was slecht. In de tijd dat hij getroffen was door het 'beroepsverbod' beschouwden zij hem als een parasiet, terwijl Sofroni, die toen al actief was als kopiist en illuminator, zijn collega's - die veelal boeren waren - beschouwde als 'onontwikkeld'. Gedurende enkele jaren werd Sofroni ook door zijn bisschop gedwongen de gelovigen wegens allerlei echte en denkbeeldige inbreuken op het kerkelijke recht te beboeten - één van de redenen waarom hij zichzelf naderhand als een 'zondaar' beschouwde. Het meest had hij, samen met de rest van de bevolking, te lijden onder de Russisch-Turkse oorlogen van 1768-74 en 1787-91, als gevolg waarvan voortdurend ongedisciplineerde Osmaanse troepen door Kotel trokken. Als pope en man van aanzien werd Sofroni dikwijls betrokken bij onderhandelingen met de overheid, waarbij hij herhaaldelijk de kop van Jut werd.

In 1792 werd Sofroni pope in Karnobat, en begin 1794 trok hij naar Arbanasi, waar zijn kinderen toen woonden. In september 1794 werd hij door de metropoliet van Tarnovo tot bisschop van Vratsa gewijd. Bij die gelegenheid nam hij de naam Sofroni aan.

De Bulgaarse bisdommen maakten al sinds de vijftiende eeuw deel uit van het Patriarchaat van Constantinopel. De hogere geestelijkheid bestond overwegend uit Grieken. In de loop der eeuwen had het Grieks op vele plaatsen het Kerkslavisch als taal van de eredienst, de kerkelijke administratie en het onderwijs (een primitieve priesteropleiding) verdrongen. In 1762 had de monnik Païsi van Chilendar in zijn Geschiedenis van de Slavische Bulgaren (lstorija slavjanobolgarskaja) voor het eerst de Bulgaren opgeroepen hun eigen taal in ere te houden. Sofroni had Païsi in 1765 in Kotel ontmoet en moet ongetwijfeld onder de invloed van zijn ideeën gekomen zijn: hij vervaardigde twee kopieën van Païsi's Geschiedenis-in 1765 en in 1781. Sofroni beschrijft in zijn autobiografie hoe hij zelf een opleiding kreeg in het Grieks en later voor het eerst preekte in het Bulgaars. In de negentiende eeuw zou de 'taalstrijd' tussen Bulgaren en Grieken uitmonden in de stichting van een Bulgaarse nationale kerk, onafhankelijk van het Patriarchaat, maar in de tijd van Sofroni waren de tegenstellingen nog niet zo scherp. Het was de Griekse hogere geestelijkheid die hem de bisschopszetel van Vratsa aanbood en Sofroni onderhield - zo weten we uit andere bronnen-voortreffelijke relaties met de Griekse geestelijkheid. Toch kan men zich afvragen of het bisdom van Vratsa geen vergiftigd geschenk was. De kerkelijke belasting, die de bisschop van de gelovigen moest innen en doorbetalen aan het Patriarchaat, was erg omvangrijk, de parochies lagen ver van elkaar verwijderd en de bevolking was arm. Sofroni was - zo blijkt althans uit zijn autobiografie - dan ook de hele tijd met het innen van die kerkelijke belasting in de weer.

Sofroni heeft overigens nauwelijks de gelegenheid gehad zich met het bestuur van zijn bisdom in te laten. Dat was het gevolg van het optreden van Osman Pazvantogloe, een feodale potentaat die vanaf 1794 vanuit de stad Vidin als een onafhankelijke vorst over NoordwestBulgarije heerste en voortdurend de aangrenzende gebieden in Noord-Bulgarije en Walachije liet plunderen. Het leger van Pazvantogloe bestond uit muitende Osmaanse soldaten (kurdzjali 's), ontevreden christen-opstandelingen (haidoeken) en deserteurs uit het Osmaanse leger (door Sofroni delibasji's, 'dolkoppen' genoemd), die de lokale bevolking terroriseerden. De herhaalde pogingen van het centrale gezag om Pazvantogloe uit te schakelen vergrootten alleen maar de chaos. Sofroni moest voortdurend voordediverse legers opdevlucht. In 1802 mondde een derde veldtocht tegen Pazvantogloe opnieuw uit in een nederlaag voor de troepen van de sultan. Pazvantogloe kreeg amnestie en werd verder ongemoeid gelaten. Pas na zijn dood in 1807 kwam het gebied weer onder de controle van de centrale regering.

Sofroni verbleef van 1800 tot 1803 tegen zijn zin in Vidin; als 'gevangene' van metropoliet Kalinik van wie hij protectie verwacht had. Van daar trok hij naar Boekarest, waar hij zich terugtrok in een klooster en zich verder wijdde aan literair werk. In de jaren 1807-12 speelde hij ook een rol als vertegenwoordiger van de Bulgaren bij het Russische opperbevel, dat toen in het kader van de Russisch-Turkse oorlog van 1806-12 in Boekarest verbleef. Hij stierf vermoedelijk in september 1813.

Leven en lijden van de zondaar Sofroni is de belangrijkste bron over het leven van Sofroni waarover we beschikken, maar de tekst vertoont veel hiaten. Zo vernemen we bijna niets over de literaire activiteiten van Sofroni. In Kotel kopieerde Sofroni de Geschiedenis van de Bulgaarse Slaven en vertaalde (uit het Grieks) drie Kerkslavische liturgische boeken en een bundel stichtende teksten. In Vidin maakte Sofroni kennis met de Servische literatuur van zijn tijd en raakte onder de invloed van de ideeën van de Verlichting. De bundel Lering en preken voor de feestdagen des Heren (Pooetsjenie i slovoskazanija na praznikov gospodnih), die hij in Vidin samenstelde, is nog religieus van strekking, maar een tweede bundel bevat ook 'wereldse' teksten als korte verhalen, fabels van Aesopus, een fragment uit het Theatrum politicum van Ambrosia Marliani en dergelijke. De laatste jaren van zijn leven, die Sofroni doorbracht in Boekarest, waren het vruchtbaarst. In de jaren 1805-6 ontstonden de Kiriakodromion, siretsj Nedelnik (Boek voor de zondagen) - het eerste gedrukte boek in de geschiedenis van de Bulgaarse literatuur - en een bundel met verklaringen van teksten uit het Nieuwe Testament. Een derde bundel bevatte een uiteenzetting over het orthodoxe, joodse en islamitische geloof, de volledige vertaling van het Theatrum politicum en de tekst van Leven en lijden van de zondaar Sofroni.

Vermeldt Sofroni in zijn autobiografie over zijn intellectuele prestaties bijna niets, we leren des te meer over gebeurtenissen die in het kader van het leven van een schrijver of bisschop alleen van anekdotisch belang zijn. We vernemen hoe hij als jongeman bijna misbruikt werd door 'sodemieters'; hoe hij keer op keer 'door de schuld van anderen' in de gevangenis belandde en meer dan eens pas op het laatste nippertje ontsnapte aan terechtstelling; hoe hij zich verborgen hield in een Turkse harem. We worden uitvoerig ingelicht over allerlei lichamelijke ongemakken (hemorroïden, haaruitval, zere voeten, depressie). De natuur brengt Sofroni alleen ter sprake wanneer ze hem hindert: steile bergen, ondoorwaadbare rivieren, hoog struikgewas, hitte en kou. Verder is Sofroni de hele tijd bezig zijn hachje te redden en hij legt daarbij - al is het misschien voor de hedendaagse lezer wat al te makkelijk hem daarom te veroordelen - weinig moed en nog minder vertrouwen in de goddelijke voorzienigheid aan de dag. De eindeloze reeks van ongelukken en ongemakken die Sofroni' s deel waren en de soms wat onnozele oprechtheid - of is het zelfspot? - waarmee hij over zijn zorgen en zijn angst vertelt, hebben een onmiskenbaar tragikomisch effect. De laatste pagina's, waarin de operaties van de troepen van Pazvantogloe en de regering beschreven worden, roepen met uiterst sobere middelen een bek!ijvend beeld op van een land dat door oorlog 'te gronde gaat'. Zo is Leven en lijden van de zondaar Sofroni ook een uniek getuigenis over een van de zwartste periodes in de geschiedenis van het Osmaanse rijk, toen dat volledig in anarchie verzonken was. Blijft echter de vraag, waarom een man met de eruditie en het morele gezag van Sofroni een autobiografie schreef waarin hij zichzelf opvoert als een lachwekkende zielenpoot.



Illustratie bij Leven en lijden van de zondaar
Sofroni
door Ivan Kozjoecharov

Het is weinig aannemelijk dat Sofroni in zijn autobiografie opzettelijk zweeg over zijn Bulgaarse literair werk om de metropoliet en de vorst, wellicht voorstanders van de 'Groot-Griekse gedachte', niet voor het hoofd te stoten. Na de voltooiing van Het leven en lijden van de zondaar Sofroni schreefhij in Boekarest nog drie omvangrijke boeken in het Bulgaars, zonder dat hem een strobreed in de weg werd gelegd. Eén ervan werd zelfs gedrukt. Alleen de hoogst merkwaardige omissie van zijn ontmoeting met Païsi zou eventueel op die manier verklaard kunnen worden. Het is waarschijnlijker dat Sofroni zijn 'lijden' zo dik mogelijk in de verf wilde zetten om zo het medelijden van zijn beschermers op te wekken. Ook de aandacht, besteed aan de gruweldaden van de Turken, zou wel eens ingegeven kunnen zijn door het verlangen tegemoet te komen aan de sterke anti-Turkse stemming die op dat ogenblik in Walachije bestond. Dan zou ook de autobiografie zelf één van de vele 'trucs' zijn waartoe Sofroni in de loop van zijn leven zijn toevlucht nam om zich uit benarde situaties te redden. Hoe dan ook, het resultaat is een fascinerende prozatekst, waarin de autobiograaf zichzelf met onbedoelde humor beschrijft als een kleine, kwetsbare en bange man in een tijd waarin 'de wereld teloor ging'.

De Russische literatuurhistoricus Georgi Gatsjev gaf in zijn (omstreden) boek De versnelde ontwikkeling van de literatuur een interessante interpretatie van Sofroni' s autobiografie. Hij gaat ervan uit dat de Bulgaarse literatuur in de loop der eeuwen een aanzienlijke achterstand had opgelopen ten aanzien van de West-Europese. Vanaf het einde van de achttiende eeuw deed zich toen een gigantische inhaalbeweging voor. De Bulgaarse literatuur doorliep achtereenvolgens alle fasen van de West-Europese literatuur die ze 'gemist' had en soms zijn een aantal van deze fasen in één literair werk aanwezig. In Leven en lijden van de zondaar Sofroni is volgens Gatsjev de vorm van het heiligenleven vroegmiddeleeuws; de gelijkenis met de schelmenroman introduceert een laatmiddeleeuws element; het genre van de autobiografie zelf is renaissancistisch en ten slotte is het hoofdpersonage - en misschien meer nog de auteur zelf - een man van de Verlichting. Vanuit deze invalshoek vormt de autobiografie van Sofroni een van de meest cruciale prozawerken in de ontwikkeling van de moderne Bulgaarse literatuur.


*
De hier volgende vertaling van Leven en lijden van de zondaar Sofroni wil vooral recht doen aan de artistieke kwaliteiten van Sofroni' s tekst en het belang ervan als document humain. Ze beoogt de tekst zo vlot mogelijk toegankelijk te maken voor de hedendaagse Nederlandstalige lezer. Filologen zullen de vinger leggen op ongeoorloofde vrijheden; historici zullen vallen over de manier waarop sommige realia in het Nederlands weergegeven worden. Hier en daar is er ook wat 'verklarend' vertaald ten einde het aantal voetnoten tot het minimum te beperken - in de veronderstelling dat het relaas van Sofroni ook vermag te boeien wanneer de lezer niet over alle door de auteur genoemde locaties en personages uitvoerig geïnformeerd wordt.




<   

TSL 37

   >