István Bella


De nachten van Osip Emiljevitsj Mandelstam





István Bella werd in 1940 geboren in Székesfehérvár (Hongarije). Zijn vader was een dorpsonderwijzer die in de oorlog verdween. Op de omslag van zijn eerste bundel, Szaggatott világ 'Verscheurde Wereld', 19 66), schreef Bella: 'Na de oorlog werd mijn moeder dagloner. Ze bond schoven op, schoffelde tussen knolrapen, werkte aan machines. Op mijn negende had ik de beste stern en de meest opgelapte broek van het dorp en zodoende werd ik voorzanger. Ik begroef en trouwde mensen en leerde mannen van 50-60 jaar te zingen. Ik voorzag min of meer in mijn eigen levensonderhoud en dit alles maakte mij al vroeg volwassen.'

In 1959 ging Bella Hongaars en bibliotheekwetenschappen studeren aan de letterenfaculteit van de Loránd Eötvös Universiteit in Budapest. Na de universiteit werkte hij eerst als bibliothecaris en vervolgens als journalist. Op het ogenblik is hij seniorredacteur yan het literair-politieke weekblad Elet és Irodalom 'Leven en Literatuur'). Hij vertaalt geregeld uit het Pools en het Russisch (onder meer Mandelstam). In 1970 en 1986 is hij onderscheiden met de Atilla József-prijs.

Het gedicht 'De nachten van Osip Mandelst am' verscheen oorspronkelijk in de bundel A hetedik kavics ('De zevende kiezel', 1975). Het werd vertaald ter gelegenheid van de Avond van de Hongaarse Poëzie op Poetry International 1987.




1
Wit wit wit wit wit wit
wit wit wit wit wit wit
wit wit wit wit wit wit

2

Wie heeft in mijn keel een lijster geplant?
Wie heeft in mijn met vogelorgels gevoerde
keel een scheermessen-nest gebracht,
een tot de dood durend bacchanaal
met messen alle kanten op gericht?

3

Niet de luit maar de keten laat ik klinken:
als ketens rinkelen mijn stembanden,
of als sterren hoog in de hemel,
in boeien geslagen zwaartekracht-werelden,
gekluisterde aarden,

gelijk mijn hart.

4

0, eindeloosheid - Siberië van de wereld
mijn blind schandblok ...

5

Sneeuw

is de maan

van de winter.



6

Ik, de eniggeboren zoon van de leerkoopman, de jood
uit Petersburg,

ik die ooit als boom ben geboren,

waarom ben ik steen geworden, monoliet-gehouwen nacht.


12

In een afgedragen jas, als was het een purperen gewaad,
met mijn rode haar, als droeg ik een kroon,
- 'Generaal, generaal!'- roepen de kinderen
me op straat na, ik blijf staan.
Zij zijn mijn eretekens, hun glimlach
mijn epauletten, hun handen mijn degen,
hun geboorten mijn toekomstige
onderscheidingen.

13

Kaarsen, Italiaanse kaarsenpopulieren flakkeren,
mijn in de keel gepropte gedichten flakkeren,
mijn witpapieren ochtenden verroeten,
de verkrampende asschilfers der stilte liggen te verroeten.
- Zwart verbrandt het geschrevene, als bloed.

14

Wit suist het, als een gezicht vanuit de stilte.
Wit wit wit wit wit wit

15

'Toen ik dit schreef, was de hemel helder.'



Vertaling Wim Swaan




<

TSL 4

>