Midden in Praag, aan de westoever
van de Moldau, ligt als een oase de
rijk beboste berg Petřín. Het park
met de vele bankjes en het standbeeld
van de grote Tsjechische 'liefdesdichter'
Karel Hynek Mácha is al van
oudsher het domein van de Praagse
verliefden. En het is hier, op de
banken van de Petřín, dat een andere
grote dichter, Jaroslav Seifert,
zijn eerste verzen prevelde.
Jaroslav Seifert? Was dat niet die
in het Westen tamelijk onbekende dichter die in 1984 even middels de
Nobelprijs voor literatuur voor het
voetlicht van de wereld werd gehaald,
alvorens geleidelijk weer uit
het gezichtsveld van de westerse lezer
te verdwijnen? Jawel. Anders
dan bij vele andere Nobelprijswinnaars
bleef de beschikbaarheid van
vertalingen van Seiferts werk miniem.
In Nederland resulteerde de prijs
enkel in een bloemlezing onder de
titel En vaarwel!, samengesteld door
Jana Beranová,1 en een vertaling
van de bundel Mozart v Praze (Mozart
in Praag) door Toon Rammelt jr.
en Hana Svobodová.2
Met Seifert stierf in 1986 de laatste
- en ongetwijfeld meest populaire telg
van een grootse generatie lyrische
dichters, die rond de eeuwwisseling
in Tsjechoslowakije werd geboren,
onder wie Vítězlav Nezval,
František Halas en Josef Hora. Seifert
kwam op 23 september 1901 ter
wereld in een van de woonkazernes
van de Praagse arbeiderswijk Žižkov.
Al tijdens zijn jongensjaren kwam hij
in contact met anarchisten en communisten;
hij voelde zich tot hen aangetrokken
zonder zich overigens al te
zeer om de ideologie te bekommeren.
Ook de poëzie lokte Jaroslav en zijn
kameraden. Ze waren bezield van een
verlangen 'zo snel mogelijk en op de
gemakkelijkste manier dichter te worden'
en lieten er de studie graag voor
zitten. Seifert maakte zijn school niet
af en debuteerde op achttienjarige
leeftijd met enkele verzen in de sociaal-
democratische krant Právo lidu,
waarvan de tien jaar oudere Josef Hora redacteur was. Vervolgens
schreef hij - net als Hora- onder
meer voor het orgaan van de Tsjechoslowaakse
communistische partij
(CPTsj), de Rudé Právo.
In 1921 verscheen zijn eerste dichtbundel,
Město v slách ('Stad in tranen'),
twee jaar later gevolgd door
Samá láska ('Alleen liefde'). Het is
proletarische poëzie met ongecompliceerde,
vrije verzen, waarin gerept
wordt van een op handen zijnde revolutie.
Met name Město v slzách
oogstte een geweldig succes door de
beschrijving van de ellendige levensomstandigheden
en onderdrukking van de arbeiders.
Inmiddels was in 1920 door Jaroslav
Seifert, de schrijver Vladislav Vančura,
de beeldend kunstenaar en
theoreticus Karel Teige en anderen
de avant-gardistische kunstenaarsvereniging
Devětsil opgericht. Onder
degenen die zich aansloten bevonden
zich grote namen als Nezval en Halas
en de linguïst Roman Jakobson. Met
andere Devětsil-leden maakte Seifert
de overgang naar een anderssoortige
poëzie, die van het Tsjechische poëtisme.
Tegenover zijn proletarische
debuutverzen stelde hij nu gedichten
over de schoonheid van het leven en
de voortschrijdende techniek, met
name in Na vlnach TSF ('Op TSF-golven',
1925, TSF = Télégrafie Sans
Fil, draadloze telegrafie). De vrije,
associatieve verzen maken een onbekommerde
indruk, of herbergen lichte
spot als in het éénstrofige gedicht
'Schoonheid':
Zeg eens glimlacht deze pop niet ironisch
vanachter de kristallen etalageruit van de kapperszaak?
Onveranderlijk schoon glimlacht ze om de rimpels
van de ouder wordende dames die haar tweemaal per week bezoeken.3
De invloed van het poëtisme doet zich
na Na vlnách TSF in mindere mate nog
gelden in Slavík zpívá špatnè ('De
nachtegaal zicht slecht', 1926) en Poštovní holub 'Postduif', 1929). Uiteindelijk
gaat de Einzelgänger Seifert
zijn eigen weg, maar niettemin zal hij
jaren later. voor de Oostenrijkse radio
de Devètsil-periode als de belangrijk
ste uit zijn dichterschap aanduiden.
In 1925 bezoekt Seifert met een
culturele delegatie van de CPTsj de
Sovjetunie en keert teleurgesteld terug.
Zijn verhouding tot de communisten
is voorgoed verstoord wanneer
de partij in 1929 met Klement
Gottwald een onverbiddelijke stalinistische
koers gaat varen. Seifert
en zes anderen- onder wie Josef
Hora - leveren kritiek en worden geroyeerd.
Vijf van hen herroepen later
hun kritiek en keren terug binnen
de partijgelederen, maar Seifert
en Hora blijven zichzelf trouw.
In de jaren dertig ontwikkelt Jaroslav
Seifert zich tot een nostalgisch
en lyrisch dichter en ontvangt
hij de staatsprijs voor Ruce Venušiny
('Venus' handen', 1936). Het vrije,
associatieve vers van de jaren twintig
maakt plaats voor traditionele,
berijmde versvormen. Seifert zoekt
naar constante waarden in zijn herinneringen
- aan zijn moeder, zijn
jeugd, vroegere liefdes- en in de
literatuur, de schoonheid van Praag,
van zijn vaderland. Deze motieven
komen sterk naar voren in de moeilijke
jaren tussen 'het verraad van
München' in 1938 en de bevrijding
door de Russen in 1945. Om aan de
gruwelen van de oorlog 350 dui
zend slachtoffers alleen al in Bohemen,
met nog eens 77 duizend omgekomen
Tsjechische joden- het hoofd
te kunnen bieden zoekt hij een tegenwicht:
de schoonheid van Praag,
het land, de liefde. Aldus- en door
een intens medeleven - tracht hij
zijn landgenoten een hart onder de
riem te steken. De oorlog laat een
diepe indruk bij Seifert achter en
zal tot het eind van zijn leven steeds
terugkeren in zijn verzen.
Seiferts werk vindt ook na de oorlog
geen genade bij de communisten, die
in 1948 met Gottwald aan het roer de
macht overnemen. Zijn Píseň o Viktorce ( 'Lied over Viktorka '), 1950)
is voor de machthebbers aanleiding
hem middels een publikatieverbod het
zwijgen op te leggen. Wel wordt in
1951 de bundel Mozart v Praze uitgegeven,
die Seifert al in 1946 voltooide.
Het verschijnen van Maminka ('Mama',
1954) een verzameling gedichten over
zijn moeder - een arbeidersvrouw, en
dus in orde-, verleent Seifert weer
enig krediet in de ogen van de autoriteiten.
Zelfs ontvangt hij in dat
zelfde jaar voor de tweede maal de
staatsprijs.
Amper twee jaar later heeft Seifert
het echter opnieuw goed verbruid bij
het communistische bewind. Op het
tweede congres van de Tsjechoslo
waakse schrijvers bekritiseert hij met
Ladislav Mňačko en František Hrubín
openlijk de censuur en de terreur onder
Antonín Novotný- de opvolger
van Gottwald na diens overlijden in
1953-, want: 'Wanneer iemand een
ander de waarheid verzwijgt, kan het
een tactische manoeuvre zijn. Wanneer
een schrijver de waarheid verzwijgt,
liegt hij.' Opnieuw luistert
Jaroslav Seifert naar de stem van zijn
geweten en opnieuw volgen er represailles
in de vorm van een publikatie
verbod. Desondanks verschijnt gedurende
1956-1959 zijn verzameld
werk in vijf delen.
Na tien jaren van stilte en een zware
ziekte is Jaroslav Seifert in de
tweede helft van de jaren zestig terug
met drie bundels moderne, experimentele
poëzie: Koncert na ostrově ( 'Concert
op het eiland', 1965), Halleyova
kometa ( 'De komeet van Halley', 1966)
en Odléváni zvonů ( 'Het gieten van
klokken', 1967). Seifert - inmiddels
de zestig gepasseerd - toont zich nu
enigszins verbitterd:
Wees gerust, al het kwaad
keert weer tot kwaad.
Ook de wolf is slecht, en zeker de mens.4
Niettemin wordt het nieuwe werk in
orde bevonden, want in 1966 wordt
Seifert met de titel Nationaal Kunstenaar
de hemel in geprezen. Een betere
illustratie van de haat-liefde-verhouding
die de autoriteiten met de
dichter onderhouden is nauwelijks
denkbaar. En het wordt eentonig,
want twee jaar later is de relatie wederom
op een dieptepunt beland,
kort nadat op die 21e augustus 1968
de vijfhonderdduizend koppen tellende
interventiemacht van het Warschaupact
de Praagse droom vermorzelt
en het zoveelste trauma kan
worden bijgeschreven in de Tsjechoslowaakse
geschiedenis. Seifert
dient Gustav Husák van repliek
wanneer deze - in zijn hoedanigheid
van 'redelijk alternatief' voor de
Sovjets - vergeefs probeert de Schrijversbond, waarvan Seifert voorzitter
is, voor zich te winnen: 'Jullie willen
dat wij jullie politiek ondersteunen,
omdat jullie weten dat wij bij
het volk morele autoriteit bezitten.
Maar wanneer wij jullie politiek ondersteunen,
verliezen wij deze autoriteit
en zullen wij jullie van geen
enkel nut zijn.'
Op 14 september 1968 meldt de Rudé
Právo de herinvoering van de censuur. Enkele maanden later, in november,
schrijft Seifert in Literárni
Listy: 'We kunnen en willen niet liegen.
We zullen de waarheid schrijven,
en als ons dat opnieuw onmogelijk
wordt gemaakt zullen we zwijgen.'
Het jaar daarop treedt hij af als voorzitter
van de Schrijversbond. Tijdens
de periode van 'normalisatie' krijgen
Seifert en anderen het zoveelste publikatieverbond
opgelegd, maar via
de Edice Petlice - de ondergrondse
pers - bereikt zijn werk alsnog het
publiek, dat razend enthousiast reageert.
Met bundels als Morový sloup
('De Pestzuil', 1971-1977) en Deštník
z Piccadilly ('Paraplu uit Piccadilly',
1978) bereikt Seiferts populariteit
een nieuw hoogtepunt. Onvergankelijke
Seifert-thema's als bijvoorbeeld
de liefde voor zijn land nemen in dit
nieuwe werk een prominente plaats
in:
Met open ogen
trok ik door dit land.
Een prachtvrouw- dat is buiten
kijf.
Misschien wel grootser dan
al mijn liefdes samen
en haar omhelzing duurde mijn
leven lang.
Toen ik honger had,
at ik bijna dagelijks
de woorden van haar liederen.5
Wat moet het regime aan met zo'n
man? Negeren? Onmogelijk. Iemand
met zo'n lange literaire staat van
dienst, die bovendien door het volk
op handen wordt gedragen, is eenvoudig
niet uit het culturele erfgoed
van het land te wissen. Zijn nieuwe
bundels verschijnen dan ook uiteindelijk-
in de voetsporen van Westerse
uitgeverijen - 'officieel' in
Tsjechoslowakije. Gecensureerd, inderdaad.
Maar nog zitten de autoriteiten met
Jaroslav Seifert in hun maag. Want
wanneer op 1 januari 1977 het eerste
manifest van de mensenrechtenbeweging
Charta '77 het licht ziet, is
Seifert één van de eerste ondertekenaars.
In 1981 verschijnen in Keulen en
Toronto Seiferts 'herinneringen',
zoals hij het zelf noemt. Géén memoires,
nee. 'Memoires schrijf ik niet!
Ik heb ook geen enkel blad met aantekeningen
en data voorhanden. Ik
heb het geduld niet voor zo'n onderneming.
En zo resteren mij enkel de
herinneringen. En een glimlach!'6
Het zijn anekdoten over oude vrienden,
en hij schrijft ze op 'voordat
ook ik me zal voegen bij hun zwijgende
processie, hun onzichtbare
tocht in het rijk der duisternis.'7
Dat klinkt luguber, maar Seiferts
poëtische proza laat de lezer verrukt
achter en draagt niet voor
niets de titel Všecky krásy světa
( 'Al de schoonheid van de wereld')
- die overigens terug te voeren is
op de Devětsil-periode. In Praag is
men minder verrukt: tientallen pagina's
worden door de censor geschrapt.
Het kan niet verhinderen
dat Seifert in 1984, op 83-jarige
leeftijd, met de Nobelprijs voor literatuur
de hoogst mogelijke onderscheiding
ten deel valt, 'voor zijn
poëzie, die, beladen met frisheid,
gevoeligheid en rijke inventiviteit,
een bevrijdend beeld geeft van de
ontembare geest en veelzijdigheid
van de mens' - aldus de toelichting
van het Nobelcomité. De autoriteiten
reageren als de spreekwoordelijke
boer met kiespijn.
Seifert zelf ligt na een hartaanval
in het ziekenhuis wanneer hem de prijs
wordt toegekend. Het einde nadert.
Maar zelfs met de dood nabij blijft zijn
geestkracht ongebroken. Nog in september
1985 ondertekent hij een Charta-
document, waarin het Tsjechoslowaakse
bewind wordt beschuldigd van
'culturele genocide', de vernietiging
van 'alle belangrijke waarden van een
autonome nationale cultuur'.
Kort daarna, op 10 januari 1986, bezwijkt
de dichter aan de zoveelste
hartaanval, om de rij te sluiten van
die 'zwijgende processie'. Hij krijgt
een staatsbegrafenis jawel - en
wordt bijgezet in het familiegraf te
Kralupy.
Het regime, intussen, kan gerust zijn: de dichter, die onder alle omstandigheden
dé stem van zijn geweten
volgde en zich uitsprak, zwijgt
voorgoed. Gelijk Johannes Hus: 'Ik
herroep niet!' ten overstaan van de
paus, is het Seiferts standvastigheid
geweest die menig discipel van Moskou
in deze eeuw in verlegenheid heeft
gebracht, of het nu Gottwald is, Novotný,
of Husák. 'Als een schrijver de
waarheid verzwijgt, liegt hij.' 'We
kunnen en willen niet liegen.' 'Ik herroep
niet!'
Maar uit het oog betekent in het geval
van Seifert beslist niet: uit het
hart. Zijn populariteit blijft, net als
die 'onvergankelijkheden' die de dichter
aanspoorden tot zijn mooiste verzen:
de liefde, het land en, natuurlijk,
zijn eigen Praag, met de oude
joodse begraafplaats, Žižkov, het
Petřín-park. En nog kunnen wij troost
putten uit zijn woorden, zoals hijzelf
te rade ging bij al die andere groten
uit het rijke literaire verleden van een
kleine natie. Seiferts laatste bundel,
Býti básníkem ('Dichter zijn', 1983),
bevat het volgende gedicht, 'Lied uit
het intermezzo':
Als iemand me zou vragen
wat is een gedicht,
zou ik even in verlegenheid raken.
En toch weet ik het zo goed!
Ik las opnieuw in onze dode dichters
en van tijd tot tijd
verlichtten hun verzen mijn weg
als een vlam in de duisternis.
Maar het leven loopt niet op zijn tenen,
soms schudt het aan ons
of het stampvoet.
Vaak tastte ik naar liefde
als iemand die niet zien kan
en op takken van de appelboom
de volle vruchten zoekt waar
zijn hand naar hunkert.
En ik ken verzen
krachtig als toverspreuken uit de hel
die de poorten van Eden uit hun voegen rukken.
Ik fluisterde ze in verbaasde ogen.
Zouden ze niet de zwakke armen oplichten
die angstig
de liefdesschoot omklemmen?
Als iemand niettemin mijn vrouw zou vragen
wat is liefde,
zou ze vast in tranen uitbarsten.8