Boris Jevsejev



Het stadje Pljos1



Boris Timofejevitsj Jevsejev (geboren in 1951 in Cherson, Oekraïne) was aanvankelijk musicus. Hij schreef in 1974 zijn eerste verhaal, maar kon pas na de perestrojka officieel publiceren. In de samizdat verscheen in 1978 een tweedelige uitgave van zijn vroege werk. Sinds 1992 publiceert hij in de literaire tijdschriften; in 1993 kwam een bundel gedichten van hem uit. Jevsejev ziet duidelijke parallellen tussen de jaren zeventig en het heden. Er is dezelfde ellende, die volgens hem echter niet door middel van strijd en dissidentie op te lossen is, maar door middel van muziek, liefde en het woord. Het stadje Pljos is afkomstig uit de verhalenbundel Vlast sobatsja ('De macht van honden') uit 2003.



Niet ver van Ipati, waar de rivier de Kostroma samenvloeit met de Wolga, waar geheimzinnige en stille waterkolken stromen en in de diepte verdwijnen, ligt een voor toeristen gebouwd en thans half in verval geraakt dorpje. De slaperige huisjes van dit rijk van tsaar Berendej2 bezien de wereld verschrikt en zonder begrip: waarom? Waarom zijn ze gebouwd, waarom verlaten? Waarom steken er gebroken houten dakpannen uit de daken, waarom hangen de met houtsnijwerk versierde deuren uit hun hengsels, waarom kraken de steunbalken en waarom babbelen de gebroken versieringen en frutsels ’s nachts?

Een van deze huisjes had deze winter ook Mitka onderdak geboden.

Het was niet verwarmd, niet geveegd en hij had honger – maar het was er niet zo eng en je hart sloeg niet over van geklop of gefluit uit de verte.

Maar nu was de winter voorbij, tegen de lente werd het warmer en er was meer te eten. Meer te eten, maar bitterder. Met dit bittere verdriet kon je nergens naartoe, ook al smeerde je het op je wangen of at je het met je brood op.

Daarom kost het Mitka zo’n moeite om te leven. Hij leeft niet, hij slijt zijn dagen.

Een half jaar geleden, zodra de herfst was begonnen, had Mitka een kraampje leeggeplunderd. En nu is het voor hem afgelopen. Nu, aangezien ’s winters alle kraampjeshouders tot over hun oren in de zorgen zitten – de ene keer zitten ze zonder verwarming, dan hebben ze weer spullen die niet bij het seizoen passen – de lente is een makkelijker, vrolijker tijd, maar voor Mitka is het hopelozer. Dat weet hij heel goed, soms is het zo vreselijk, dat hij bijna moet kotsen en op andere momenten is er niks aan de hand.

‘Het ku…ku…ku…kuteinde is ongemerkt naderbij geslopen,’ Mitka spuugt voor zich op de grond en lacht schamper. ‘Het is goed en rechtvaardig dat alles is afgelopen,’ denkt hij verder. ‘Je eigen mensen oplichten, je eigen groep belazeren, van je eigen mensen jatten – dat is nergens goed voor.’

Mitka kamt zijn ooit kaalgeschoren, maar nu gelijkmatig en dik behaarde hoofd, hij raakt zijn neus aan, die uitermate vlezig is, druipt en op het platte bordje van zijn gezicht zit geplakt, schokt zijn hele magere kippenlijfje, het lijfje van een achtjarig en niet van een veertienjarig jochie, het lijfje dat hij haat en gedoogt alleen omdat het opmerkelijk sterk en taai is, – hij raakt zijn neus aan, vermant zich en probeert zich steeds te herinneren: waarom is hij in godsnaam naar het kraampje toegegaan, waar zijn neef Stas handel dreef? Laten we nou maar aannemen, dat hij daarheen is gegaan, omdat hij de laatste tijd ’s nachts aldoor ronddoolt en nooit slaapt, hij slaapt alleen overdag. Maar waarom in godsnaam Stas beroven? Wie kan het Mitka uitleggen? Wie? Is het soms deze grote hitte, het geschreeuw of misschien de lente of het getoeter?

Allerlei gedachten flitsen door zijn hoofd. Na de slapeloze nacht zit Mitka te knikkebollen, maar hij slaapt niet.

‘Ik ben toch maar gekomen en ik heb twee tassen gevuld met oude rommel en flessen drank. Ik heb ook het een en ander weggegeven! Ik heb alles zelf meegebracht. Het is wel zo, dat ik daarna nog stommere dingen heb uitgehaald… Oooooo, vreselijk!…En waarom nou dit weer! Of ik jammer of niet, er is maar één uitweg…’ Hij kan nu natuurlijk de bus of de trein nemen en desnoods naar Moskou gaan.

Mitka heeft geld. Hij heeft zoveel geld dat hij zich veel kan permitteren! Geld – Mitka wentelt het woordje dat zo lekker zoet op de tong ligt in zijn mond, als een kat in zijn mandje, hij heeft een hele bom duiten! Maar om de trein of de bus te nemen moet je naar het station toe, moet je oversteken van dit dorpje van Berendej naar de andere oever, naar Kostroma en daar staan ze hem natuurlijk allang op te wachten! Omdat ze hem allang veroordeeld hebben, ze willen ‘rieten’ Mitka te pakken krijgen en in de rivier de Kostroma gooien. Die rotzakken weten wel wat ze moeten doen. Afgelopen zomer hebben ze hem ‘in bad gedaan’. Maar dat was vóór de diefstal en alleen voor de lol. Daarna hebben ze hem, meer dood dan levend, verstijfd van de kou en helemaal bedekt met bruine vlekken, met veel geweld bitterzoet, misselijkmakend Wolgabier dat op pis leek laten drinken. Daarna hebben ze hem hier in dit toeristische dorpje laten wonen, omdat ze dachten: Mitka gaat toch dood, hij houdt het niet uit, hij kan niet weg roeien. Het water is immers zo angstaanjagend, zo vlak onder zijn kont!

Ach, ach, wat een ellende! Hij zou nu naar de dokter moeten gaan, naar dokter Semjon Michejevitsj.

De dokter had meer dan eens tegen Mitka gezegd: ‘Ik kan je in twee weken beter maken. In twee weken! Dat is voor mij een peulenschil. Maar waar haal ik de tijd vandaan? Ik kan voor jou geen tijd vrijmaken. Anders had ik je met alle plezier…’

De dokter had zijn hand op zijn hart gedrukt en ‘neem het me niet kwalijk, neem het me alsjeblieft niet kwalijk, Mitka’, gezegd. Daarna was hij heel snel achter het gordijntje verdwenen, terwijl hij onder het lopen met zijn handen wapperde. Dat deed hij zeker omdat zijn handen onder de wondjes zaten: kleine, vuurrode, boven de huid uitkomende wondjes, die op piepkleine vulkaantjes leken (vulkaantjes had Mitka al eens in de bioscoop gezien) met nauwelijks zichtbare kratertjes. Heel gek!

Hij is dokter, maar zijn eigen handen geneest hij niet. Daar had hij kennelijk ook geen tijd voor. Maar ja, dat kon hem nu niets meer schelen. De dokter is er niet. Die is naar Tel Aviv gegaan. Hij maakt de mensen daar zeker beter. Misschien heeft hij daar al iemand beter gemaakt. Misschien is het daar nu ook lente. Ach ja!

Mitka rilt verkleumd en sluit eventjes zijn ogen, die ontstoken waren van het onafgebroken staren naar van alles en nog wat.

Ja, het moet wel lente zijn! En ja hoor, daar zit de potige Semjon Michejevitsj plechtig op een stoel, alsof hij op een troon zit, hij drinkt een glaasje, ruikt aan de wobla3 en als het warm is drinkt hij natuurlijk bier. Maar wobla eet hij, dat is zeker! De dokter kan niet zonder wobla. Als de dokter zit, dan drinkt hij absoluut, Mitka herinnert het zich ineens. Om hem heen trippelen verpleegstertjes op hun hoge hakjes rond: klik-klak, klik-klak, aan de wanden eersteklas apparatuur, waarop groene en rode lampjes opflikkeren, waardoor je van alles te weten komt over de patiënten. Tegenover Semjon Michejevitsj is over de hele breedte van de wand een raam, door het raam kun je de Heilige Berg zien, waar de dokter over had verteld. Een mooie berg! Aan de voet ervan kleine bossen, beweging in de moestuinen, allerlei dieren – eenden, kippen, muilezeltjes – ze lopen heen en weer en krijsen. Semjon Michejevitsj kijkt vertederd naar dit levendige tafereeltje, hij breekt met een krakend geluid de kop van de wobla af en zet zijn tanden in de ruggengraat. Met een van de vis lekkere zoute tong zingt hij daarna schor, maar toch vrolijk:

De wielen ratelen, daar gaat de baar,
Het paard kijkt naar beneden,
De boef wordt door het meisje zowaar
In galop naar zijn graf gereden.

Dan spert Mitka zijn ogen open en gromt tegen zichzelf. Hij slaat zich tegen het hoofd, hij verjaagt de stomme beelden en gromt weer…

Maar ja, eerlijk gezegd was er tijdens de winter toen Mitka op zijn dood zat te wachten nog niet zo’n trage chaos in zijn hoofd: verschillende stemmen maakten kabaal, onbekende liedjes werden uitgeschreeuwd, onbekende wilde mensdieren wierpen een blik recht in zijn hoofd. Mitka knijpt zijn oogleden op elkaar – alles is duister, hij kan niks zien, hij doet zijn ogen open – en de dokter tuimelt met zijn varkenspoten uit een zak, dan ziet hij Stas zonder oren, en dan weer helemaal zonder hoofd. Hij had wel heel hard in het oor van Stas gebeten, wat hem nog iedere dag spijt. Maar die anderen, die allemaal tevoorschijn springen, wat hebben die ermee te maken? Het is zo, dat ook als zijn maatjes uit de kraampjes hem niet hadden ondergeduwd in de Kostroma, hij geen andere uitweg had gehad dan het gekkenhuis.

‘Misschien is het daar niet zo eng? En als ik daar bijkom? Als de dokters me misschien leren niet meer bang te zijn voor het water en als ze me helpen in slaap te komen?..’

Vroeger sliep Mitka ’s nachts heel vast. Nog maar twee jaar geleden sliep hij als een marmotje in zijn holletje. Hij had ook altijd prettige dromen. Het fijnste vond hij nog wel de droom over oom Grigori, die ver weg woonde in het stadje Pljos. Ooit was Mitka met zijn moeder in Pljos, toen hij nog een jochie was. Toen stierf zijn moeder in Soligalitsj. Daar was ze heen gegaan en daar was ze ergens aan gestorven. Naar Pljos is Mitka nooit meer gegaan. Maar hij bleef over Pljos dromen. Hij droomde dat hij op een draagvleugelboot naar Pljos voer en dat er rondom onverdraaglijk goudkleurig gespetter was.Wat gebeurt er allemaal om hem heen!

De hele rechteroever van de Wolga, de hele berg, op de steile helling waarvan Pljos ligt, staat in lichterlaaie en knettert. In de omtrek kan je iedere mug, iedere hond en kat zien en je kan zelfs horen hoe gewone slangen en ringslangen in het gouden beekje plonsen, hoe een vis in de diepte met zijn vinnen tingelt. Maar de rivier zelf kan je vanaf de berg waarop Pljos ligt niet zien!

Mitka had al heel lang naar oom Grigori toe willen gaan. Zijn oom had hem een brief geschreven, hem uitgenodigd (hem wel, maar zijn andere neef, Stas, niet!) en was twee keer gekomen om hem op te halen: hij was zelf klein van stuk, maar blijkbaar een gezonde kerel. Toch lukte het Mitka niet te vertrekken. Bovendien werd het moeilijk om over het water te gaan, hij moest zich aldoor moed indrinken, misschien moest hij zich laten vollopen met Wolgabier of met ander bocht…

De vroege lente verstikt Mitka, put hem uit en maakt hem treurig. Maar een keer per dag rent hij naar het voorstadje, naar de winkel achter het Ipatjev klooster. Dat is alles en dan weer terug naar zijn hut! Verder mag hij niet! Als hij rent probeert hij niet naar de rivier te kijken, maar een of twee keer kan hij het natuurlijk niet laten: zijn z’n vriendjes er niet? Hij kijkt snel en dan kan hij zijn ogen er niet meer vanaf houden: het is of hij met zijn ogen blijft vastplakken aan het riet en aan de grijze sneeuw. In de Wolga groeit bij de stad riet. Hier aan de oever van de Kostroma zit ook wat: er zijn kleine eilandjes van riet, net voorbij Ipati. Mitka is bij het riet niet zo bang voor het water en afgelopen zomer verschool hij zich aldoor in het riet als de anderen aan het zwemmen waren. Daarom hadden ze hem een nieuwe bijnaam gegeven – ‘rieten’ Mitka. Vroeger werd hij Sijsie genoemd. Nu in de lente was hij al drie keer naar het riet gegaan, hij raakte eraan gewend. Hij had ontzettende zin om ’m te smeren. Hij had al besloten om, zodra hij maar enigszins aan het water gewend was, te proberen heel vroeg in de ochtend de watertram binnen te glippen, vanaf de watertram naar de stad en dan naar de rivierhaven te gaan!

’s Morgens sliepen Stas en al die andere schoften nog. Maar misschien gaat Stas ’s morgens naar de dokter voor zijn oor. Toch is ’s morgens het beste moment! Nou ja, in het uiterste geval en om er definitief een punt achter te zetten had hij nog de pilletjes. Je neemt er één, nog één en klaar is Kees! Die pilletjes had Mitka van Semjon Michejevitsj gekregen. Mitka had ze aldoor voor noodgevallen bewaard. Nu was het moment daar. Nu was het genoeg. Nu…

De dag verliep zoals gewoonlijk.

Daar kwam het eerste watertrammetje van de aanlegsteiger in Ipati naar Kostroma voorbijgetuft…

Mitka grist plotseling van onder een oude lap vilt een plastic doosje met pilletjes weg. Hij is het wachten helemaal, maar dan ook helemaal zat! Hij trekt snel de zilveren wikkel van het doosje en slikt met dichtgeknepen ogen twee pilletjes door. Dan begint hij, half zittend en na eventjes te hebben gewacht, de rest in te slikken: één voor één, het hele doosje. Het is prettig om ze door te slikken: de pilletjes zijn klein, ze zijn mooi plat, helder rood en koud.

Nu nog even wachten en op naar de steiger! Mitka springt op en gaat dan weer zitten wachten, hij wacht tien, misschien wel veertig minuten en als hij het wachten beu is, tuimelt hij het hutje uit, de straat op. Hij heeft een kort regenjack aan en op zijn hoofd draagt hij een petje met het opschrift ‘Riviervloot’, behalve de in zijn vuist geklemde verpakking van zijn pilletjes, heeft hij niets in zijn handen. Mitka kijkt op en aan de overkant, waar de rivier kolkt en breed is omdat hij daar samenvloeit met de Wolga, springt onmiddellijk de stad Kostroma in het oog, de fonkelende stad, de felrode stad, de stad met huizen, vol uitputtende hitte en ziekmakende kolendamp. De huizen in de stad staan in lichterlaaie, maar branden niet af! Er valt zwarte as en een scherpe molm van de torenhoge muren (die zo hoog zijn dat je ze niet in een oogopslag kunt zien). Je kunt de zon door de huizen heen zien, maar je ziet geen mens! Er is geen mens te bekennen op Gods aardbodem! Er lopen in plaats van mensen reusachtige flessen sterke drank met etiketten: donkergroene flessen, flessen die zacht zijn als rubber, maar die wel glimmen. De Kostroma zelf verandert in een oogwenk in een smal kringelend lintje en de bodem bij de stad wordt zichtbaar en op de bodem kronkelen kluwens slangen en nog iets heel weerzinwekkends….

Mitka ziet hoe het water in een lichte rooksliert verdampt. Hij ziet het: hij kan er misschien snel overheen rennen en met een sprong in de stad terechtkomen. Maar voor zichzelf begrijpt hij: het riviertje kan nergens naar toe. ‘Drugs,’ beseft Mitka plotseling. ‘Drugs!’ knalt hij er met een bulderlach uit. Hij buldert zo hard dat er achter en naast hem bomen omvallen, die in hun val de goed gefundeerde huisjes van Berendej meesleuren.

‘De dokter heeft me drugs gegeven! Reusachtig, fijne kerel! Fantastisch, Michejevitsj heeft me een handje geholpen! …..’ Achter de rug van Mitjka blijven bomen omvallen, blijven huisjes uiteenwaaieren in planken en de oude domoor Berendej komt uit het moeras omhoog en dreigt Mitka tevergeefs met een reusachtige vinger met onder de nagel bewegende aarde. Dreigend schreeuwt Berendej met de stem van oom Grigori: ‘Pljos! Pljos! Pljos!’

Op dat moment, na de kreet van Berendej, slaat zijn ooms mandoline Mitka om de oren en met een hoog, ondragelijk metalen geluid snijdt hij hem in tweeën, gooit hem in de lucht, rukt hem uit elkaar en hakt hem in stukken. Hierna rijst achter Mitka’s rug Stas op, groter dan Ipati, hij blaast hem in de rug en schreeuwt in platte zigeurnertaal:

‘Heb je geen poen?! ….Klats – boem. – Heb je geen poen!? Heb je geen centen? Geen cent?’

Mitka maakt zich van Ipati los zonder te begrijpen dat degene die hij op de rug ziet Stas is, hij scheurt zich los en rent naar de Kostroma, die in een beekje is veranderd. Maar nog kan hij de beek niet oversteken, ook al is deze nu heel smal geworden! Het zal Mitka nooit lukken de steiger van de stad te bereiken, die op de andere oever ligt.

Geleidelijk begint het water om hem heen steeds sterker te stromen. Mitka is daar nu helemaal niet bang voor. Hij loopt het water in, hij loopt erdoor, niet helemaal stroomafwaarts en een beetje strompelend. Hij voelt niet hoe het water in zijn schoenen stroomt, hoe het zijn kleren binnendringt, hoe hij water in zijn mond krijgt. Mitka blijft in het water lopen en onder water lopen. Hij loopt vooruit en naar beneden, hij laat zich leiden door de schallende stem van zijn oom. Om hem heen zwemmen en plonzen op hun staarten staande slangen, kikkervisjes en vissen. Ze sissen en spartelen allemaal: ‘Pljos-pljos-pljos, pljos-pljos-pljos’. Een wilde, niet meer goudkleurige, maar violette onderwaterzon schijnt van beneden af op Mitka, en het koude lentewater doet hem niet meer tintelen van kou, doet geen pijn, maar likt zachtjes zijn rug en liezen en opent strelend zijn mond. Weer roept oom Grigori of iemand anders, maar nu steeds zachter en een beetje slaperig: ‘Dit is het stadje Pljos, Mitka! Dit is Pljos! Pljos!’

Alleen dat woord dringt met een goudroden straal door de dikke laag van het water en bereikt met een dof geluid Mitka.

Dat woord is net als die lente en dat leven heel dichtbij, maar je kunt het niet bereiken.


Vertaling Eva van Santen met dank aan Julia Gerasimova en Natasja Dobróva-Krol.





Een stadje aan de Wolga, zestig kilometer ten zuidoosten van de stad Kostroma.
Een sprookjesfiguur.
Wobla is een karperachtige vis.


<   

TSL 44

   >