Joeri Boejda



China  




Joeri Boejda (Znamensk [district Kaliningrad], 1954) werkte aanvankelijk als journalist; proza publiceert hij sinds 1991. Verschillende van zijn romans (Don Aminado, 1993; Proesskaja nevesta [‘De Pruisische verloofde’], 1998) werden genomineerd voor de Russische Bookerprijs.







Op een late lenteavond hoorde Katja de Eenzame geluid bij de voordeur. Ze deed een omslagdoek om, wapende zich met een pook en keek naar buiten. Op het bordes lag een man, zijn gezicht naar de muur. Katja hurkte een eindje van hem vandaan en porde met de pook in zijn schouder. Hij kreunde dof en draaide zich op zijn rug. Zijn gezicht was zwart van het bloed. Katja sleurde de onbekende de hal in en ging na of hij niet naar wodka rook. Ze wekte de overbuurman Joeozapas, die zonder mopperen zijn paard inspande en de man naar het ziekenhuis reed. Bij haar thuiskomst ontdekte Katja op het bordes een koffertje, omwikkeld met met paktouw. Ze gooide het koffertje onder het bed en ging naast haar dochtertje liggen.

Twee dagen later kwam de man aangestrompeld bij het hotel; zijn hoofd was reusachtig van de zwachtels, hij wankelde en hield zich vast aan de hekken. Odinotsjka slaakte een kreetje van medelijden, greep hem bij de arm en trok hem naar haar kamer.

‘De koffer,’ zei hij schor. ‘Waar is mijn koffertje?’ ‘Dat ligt hier nog,’ zei Katja sussend. ‘Ga toch liggen.’ ‘Mag ik wat brood?’ vroeg de man. ‘Donker brood.’

Ze haalde een stuk vers brood. De man klemde zijn tanden op elkaar, trok de zwachtels af en beplakte zijn geschoren schedel met nog warm broodkruim. Katja installeerde hem in de grote kamer en ging zelf bij haar dochtertje in de voorraadkamer liggen.

Een week lang at de onbekende geen hap en reageerde hij op geen van de mannennamen die Katja kende. Van ’s ochtends tot ’s avonds was ze in de weer in het hotel, ’s avonds kibbelde ze goedmoedig met aangeschoten ‘zakkenlieden’ (zo werden in het stadje de weinige zakenlieden genoemd die de papierfabriek bezochten) die onophoudelijk aan haar probeerden te zitten en laat op de avond gaf ze een kus aan de zesjarige Sonetjska en viel op een strozak in een diepe, vreugdeloze slaap. Ze droomde van haar eerste man, die naar het Noorden was getrokken om veel geld te verdienen en daar verdween; van haar tweede man, die om zijn kater te verdrijven in één teug een fles ‘metadrol’ leegdronk en ter plekke overleed; van haar derde man, de vader van Sonetjska,

die verdronk toen hij met z’n vrachtwagen de rivier wou oversteken terwijl de dooi al was ingetreden. ‘Pech,’ zei ze met haar schuldige glimlachje tegen de vrouwen. ‘Blijkbaar staat het in de sterren geschreven.’ Ze was klein, tenger en had een dun halsje, waarop je haastig kloppende adertjes kon zien.

Toen de onbekende eindelijk tot zichzelf gekomen was en voor het eerst had gegeten, ging Katja met hem naar dokter Sjeberstov.

‘Met brood ingewreven, zeg je?’ De dokter bevoelde het hoofd van de patiënt. ‘Nog goed dat het niet met stront was. Duizelig? Hoofdpijn? Geen trillende handen? Laat eens zien.’

In plaats van zijn handen voor zich uit te strekken nam de man een mes uit zijn zak, knipte het open en drukte het puntje van het lemmet tegen een dik pak schrijfpapier.

‘Hoeveel?’

‘Wat?’ vroeg de dokter niet-begrijpend.

‘Hoeveel moet ik er doorprikken?’

‘Euh… negen,’ zei Sjeberstov.

‘Tel maar na,’ zei de man en stopte het mes in zijn zak. ‘Het zijn er negen.’

Sjeberstov telde de negen vellen papier die door het mes doorgesneden waren en staarde naar het tiende blad, waarop zelfs geen spoor te zien was.

‘Ze trillen niet,’ zei de man. ‘Bedankt.’

‘Wel heb je ooit,’ zei Sjeberstov. ‘Is dat niet zo’n mesje dat ook wel een priem wordt genoemd? Houd het maar liever bij je.’

Onderweg kocht de man wodka, worst, chocolade en een gouden uurwerkje voor Katja.

‘Voor mij?’ vroeg De Eenzame verbluft. ‘Maar zeg me dan ten minste hoe je heet!’

‘Noem me maar Pjotr,’ zei hij schouderophalend. ‘Wat maakt het uit.’

Voor het slapengaan paste ze het gouden uurwerkje om Sonetjska’s pols. Het gleed af naar haar elleboog. Katja gaf het meisje, dat gelukkig glimlachte in haar halfslaap en naar chocolade geurde, een kus, daarna besprenkelde ze haar oksel met Rood Moskou, het parfum dat ze op vrouwendag van de vakbond had gekregen en schikte de bandjes van haar nachthemd over haar magere schouders. Plots bedacht ze dat ze haar teennagels moest knippen, die door slecht schoeisel dik en scheefgegroeid waren.

‘Wat doe je daar allemaal?’ riep Pjotr. ‘Of ben je soms in slaap gevallen?’

Met niet helemaal geknipte nagels, ruikend naar zweet en parfum, een beetje houterig van verlegenheid, kwam Katja zijdelings langs de muur de kamer in; ze ging op het bed liggen, waarbij ze haar best deed haar boezem zo groot mogelijk te doen lijken, en begon voor de zoveelste keer een nieuw leven.
Pjotr vond op zolder een schommelstoel, herstelde die min of meer met behulp van ijzerdraad en spijkers en zat daarin hele dagen naar de muur te staren, waaraan hij een kleine kaart van China had opgehangen. De Eenzame vroeg hem niets. Soms gebeurde het dat hij de hele dag geen woord zei; hij at zijn ontbijt, middagmaal en avondmaal, allemaal zwijgend. Hij zat maar in die stoel en stak af en toe een sigaret op.

Door de drukte in het hotel merkte Katja het niet eens toen het koffertje verdwenen was. ‘Ik heb het opgeruimd,’ was het enige wat Pjotr zei. Aan het einde van de maand vond Katja op het toilettafeltje een stapeltje geld. Ze telde het en haar adem stokte.
‘Als ik met zoveel geld in de winkel kom, lachen ze me uit,’ fluisterde ze ’s nachts tegen Pjotrs schouder. ‘Of ze zetten me achter slot en grendel. Komt

59
dat uit het koffertje?’ ‘Geef het beetje bij beetje uit,’ zei Pjotr. ‘Het leven is voorbij.’

Katja lachte stilletjes, ze was tevreden. Ze werd wat voller, liep niet meer met haar lippen op elkaar geklemd en sloeg haar ogen niet neer wanneer ze vreemde mannen voorbijliep.

’s Avonds kroop Sonetjska bij Pjotr op schoot en zachtjes schommelend in zijn stoel vertelde hij haar over China. Het was een land van gele aarde en trage rivieren met zoete gouden visjes. De Jangtsekiang, de Huanghe…

‘Wat is dat?’ vroeg Sonja.

‘Gewoon, een rivier. Zoals deze.’ Hij knikte naar het raam, waarachter onhoorbaar de Pregolja stroomde. ‘De Huanghe.’

‘Deze Huanghe heet Pregolja,’ zei Sonetjska. ‘Dus ons China heet Rusland?’

‘Welja. En hun Rusland heet China.’

Daar langs de oevers van de rivieren leefden mensen met vleugels in plaats van schouderbladen. Als ze de dood voelden naderen, namen ze afscheid van hun verwanten en vlogen naar het Tsiling-Tso meer, waar ze de rest van hun eeuwigheid leefden; maar voor de levenden was het daar verboden terrein. De Chinezen reisden nooit en voerden nooit oorlog, want ze hadden al begrepen dat ruimte en tijd één en hetzelfde waren. Ze hielden van niemand, maar ze haatten ook niemand. Als ze bij elkaar op bezoek gingen, deden ze dat vliegend op uitbundig mooie fazanten. Ze voedden zich met appels en met thee, die als gras in de tuinen groeide. Speciaal voor kinderen hadden ze een ras van minuscule dieren gekweekt: wolven, olifanten en tijgers die niet groter werden dan een kattenjong.

‘Ik wil zo’n olifantje,’ mompelde het slaperige meisje. ‘Beijing,’ fluisterde Pjotr. ‘Tsinan… Nanking… Shanghai… Ningbo…Kanton…’

Het meisje viel in slaap, hij droeg haar naar het bed in de voorraadkamer, waar het gouden uurwerkje met een spijker aan de muur hing; Katja durfde het niet te dragen.

‘Wat voor wonderen vertel je allemaal,’ zei ze. ‘Bestaat dat echt?’

‘Wat maakt het uit?’ antwoordde hij na een korte pauze. ‘Hoe kunnen we zelfs weten of zo’n land wel bestaat? Het bestaat helemaal niet.’

‘Wat zeg je nou,’ zei De Eenzame verward. ‘Iedereen kent China toch… en kijk maar op de kaart.’

‘Iedereen kent ook de hel,’ grinnikte Pjotr. ‘Al is niemand daar ooit al geweest. En er worden schilderijen van gemaakt en boeken over geschreven. Ik heb er zo eentje gelezen… over mannen die door de hel reizen.’

Hij liet zich achteroverzakken in zijn stoel en voegde eraan toe: ‘Al zo’n twintig jaar sleur ik die kaart met me mee. Zodra ik hem ergens aan de muur prik, ben ik thuis. In China. Tsjoenking, Tsjengdoe, Tsjefoo. Ongelooflijk!’

Na zulke gesprekken droomde De Eenzame van haar dode mannen en werd ze wakker, stikkend in hun omhelzingen.

Voor de winter kreeg Pjotr werk in het hotel als stoker en loodgieter. Hij sjouwde kolen uit de kelder, hield de ketel in de gaten en verving de sluitringen in de eeuwig lekkende waterkranen. De weinige hotelgasten die toenadering tot hem zochten om samen de verveling van de winteravonden te verdrijven, stootten op een ondoordringbare muur van stilzwijgen. Wanneer hij zo iemand had aangehoord, keerde Pjotr hem de rug toe toe en verdiepte zich in de kaart van China.

In de lente zakte Sonetjska door het ijs. De mannen dronken wodka en gingen de rivier in en dregden langdurig onder het ijs, maar vonden het meisje niet. Toen ze thuiskwam, ging Katja naar de voorraadkamer, keek naar het gouden uurwerkje dat aan de spijker hing en viel flauw.

Pjotr troostte Katja niet. Urenlang lagen ze zwijgend in bed. Het was zo stil dat ze het wel kon uitschreeuwen. De Eenzame drukte zich tegen zijn grote lichaam, maar ze kreeg het maar niet warm.

Op een dag vroeg ze kreunend: ‘Liefje, hoe komt het toch dat je nergens naar ruikt? Geen oksels, geen zweetvoeten. Al deed je maar wat eau de cologne op.’

‘Dat helpt niet,’ zei hij, maar ’s avonds verfriste hij zich met goedkope aftershave.

’s Ochtends begaf hij zich naar de dorpsraad en had daar een lang gesprek met Kalsonytsj. Daarna ging hij naar de timmermannen in de houthakkerij en daarna naar Tsjekoesjka, de leider van een zooitje muzikanten dat speelde op huwelijken en begrafenissen.

Op donderderdag werd jong en oud op straat gelokt door de fanfare. In de begrafeniswagen, die was beschilderd met zwarte lak, stond een met papieren bloemen en levensboombladeren versierde kinderdoodskist, met daarnaast De Eenzame, half slapend. Achter de begrafeniswagen stapte Pjotr in een zwart pak, een hoed over zijn wenkbrauwen getrokken. Daarachter, op eerbiedige afstand, de muzikanten. De verdrietige mensen trokken er in een stoet achteraan en op het kerkhof verzamelde zich een menigte zoals er geen meer was geweest sinds de uitvaart van het Stalinstandbeeld (om te voorkomen dat het versmolten zou worden hadden de mannen het in de zevende heuvel begraven met alles erop en eraan).

‘De kist is leeg,’ fluisterde Boejanicha met haar knoflookadem Kalsonytsj in het oor. ‘Is dat geen zonde? Er zit geen mens in.’

‘Mensen worden ook niet begraven,’ antwoordde de voorzitter van de dorpsraad onbewogen. ‘Alleen doden worden begraven.’

Op een zondag in mei hield Pjotr zijn schommelstoel plots stil en zei zacht, zonder zijn blik af te wenden van de kaart: ‘Dat was het dan, Katja.’

Die avond vond Katja hem op het bordes. Hij had een kogel in zijn gezicht gehad. Naast het lijk slingerde het koffertje, in twee helften gescheurd. Katja nam het paard van Joeozapas en reed hem naar het ziekenhuis.

Na een uur kwam politieagent Ljosja Leontjev aanstormen in het ziekenhuis.

‘Heb je hem geopereerd?’ vroeg hij aan dokter Sjeberstov. De dokter trok zijn wenkbrauwen hoog op. ‘Zoiets heet exhumatie.’ Hij wenkte de politieagent. ‘Kom eens mee. Ik heb nog nooit zoiets gezien.’

Ze daalden af naar de kelder en gingen via een lage, vochtige gang met bakstenen muren langs de keuken de smalle ruimte binnen, waar in de hoek platen grauw ijs lagen. Sjeberstov deed het peertje aan het plafond aan en trok het laken weg. Leontjev bracht langzaam zijn hand naar zijn mond.

‘Hoe lang is hij... en wanneer?’

‘Hij is ongeveer één jaar dood,’ zei Sjeberstov, terwijl hij het ondraaglijk naar ontbinding ruikende lichaam, dat als gelei uitliep op de granieten plaat, met een laken toedekte. ‘Het schot heeft er niets aan toegevoegd, neem dat maar van me aan.’

Toen ze weer in de spreekkamer van de arts waren, dronk Ljosja gulzig een glas zuur vruchtensap leeg en zei, nadat hij weer op adem was gekomen: ‘En hoe moet ik dat allemaal aan de leiding uitleggen? Het is me wat!’

‘Maar het gaat wel over levende mensen,’ zei Sjeberstov.

Katja liet zich in de schommelstoel vallen en vestigde haar blik op de kaart van China, die een onregelmatige gelige vlek op de grijze muur leek. Ze merkte niet eens dat ze in slaap viel. Toen ze wakker werd zocht ze om de een of andere reden Beijing op de kaart. Ze slikte de brok in haar keel door en fluisterde ‘Beijing.’ Daarna verplaatste ze haar blik. ‘De Huanghe.’ De Huanghe op de kaart, de Pregolja achter het raam. Een rivier en een rivier. Hier de Pregolja, daar de Huanghe. Hier en hier. Daar en daar. ‘Huanghe!’ kreunde ze en begon te huilen. Plots had ze begrepen dat ze voortaan gedoemd was tot het aanschouwen van deze kaart, gedoemd tot het leven in dit China, in deze hel…


Vertaling Eline Dumon, onder redactie van Helen Saelman
Universiteit Gent




<   

TSL 68

   >