Vladimir Solovjov



Gedichten



***


Al zijn we eeuwig aan niet–aardse stranden
Met ketenen onzichtbaar vastgelegd,
Toch moeten wij volbrengen, zelf in banden,
De taak ons door de goden aangezegd.
Al wat gewend is hoger macht te eren
Maakt zich met eigen krachten los daarvan,
En schuilend in de zielloze materie
Brandt overal de goddelijke vlam.

(1875)

gezang van de ofieten


Samengaan doen wij de witte
Lelie met rozen, met vuurrode rozen.
Zienersdroom mystisch bezittend,
Hebben wij eeuwige waarheid gekozen.
Spreek nu het woord van de ziener!
Haast u en werp uw juweel in de beker!
Kluister ons duifje met nieuwe
Ringen, de slang van de oudheid ten teken.
Pijn kan een vrij hart niet raken...
Zou haar dan ’t vuur van Prometheus verschrikken?
Vrij is ’t rein duifje in ’t blakend
Vuur van de machtige slang, haar omstrikkend.
Zing van de bliksemlichtflitsen.
Bliksemend onweer dient ons tot verpozen...
Samengaan doen wij de witte
Lelie met rozen, met vuurrode rozen.

(1876)

fragment


Wat wil jij liefde nog en streling
Wanneer je brandt met eigen gloed
En gans de toversprookjeswereld
Zo helder spreekt tot jouw gemoed;
Wanneer, in blauwe nevel glorend,
Het pad van ’t leven vóór je ligt,
En ’t doel bereikt is van tevoren,
En zonder strijd de vijand zwicht;
Wanneer het hart met zilver weefsel
Aan ’t rijk van dromen is gehecht...
O goden! Neem mijn bitter leven
En wil mij weer de sterkte geven
Van eerste stormen in het echt..!

(1878)

* * *


In liefdesplagen, in vroeger dagen,

Lag dat wat ons verbond.

De hartstocht echter heeft eigen rechten,

En ’t vuur in mij verzwond.


Hoewel wij heden weerom getweeën

In ’s werelds leegte staan,

Doen wij ons beiden geen nieuwe pijnen

Van liefdeskommer aan.


Heen ging de lente, alleen ’t memento

Bleef ons van ’t lenteschoon –

In ’t woelig leven een droombeeld even,

Zoals geluk in droom.


(1878)

l’onde dal mar’ divisa


De golf, van zee gescheiden,
Weet niet tot rust te komen,
Hoe ook uit bronnen spuitend
Of in rivieren stromend, –
Steeds morrend en verlangend,
In ketens of in ’t vrije,
Naar ’t bodemloze, blauwe
Van zeeën zonder einde.

(1884)

*


Lieve! Vroeger, zoals heden,
Klonk een graflied voor Adonis,
Vulde ach en wee de leegte,
Huilden vrouwen om de dode.

Lieve! Vroeger, zoals heden,
Stond Adonis uit het graf op,
In zijn heiligdom niet vrezend
’s Vijands blinde haat en hartstocht.

Lieve! Thans, zoals bij tijden,
Is ’t gedaan met onze liefde,
Maar aan gindse rode einder
Gloort zij weer, haar glans vernieuwend.

(1887)

*


Ach, vriendin, van het lopen zo moe,
Somber kijk je, je krans is verlept.
Rust een beetje en kom naar me toe.
Lieve, zie hoe de avond zich rept.

Waar je was en vanwaar je nu komt,
Arme, vraag ik in liefde je niet;
Neem alleen maar mijn naam in de mond –
Weet hoe ’k zwijgend mijn hart jou dan bied.

Dood en Tijd zijn op aarde de baas, –
Maar noem jíj hen niet ‘heersers’ voortaan;
Alles draait en gaat onder in waas,
Slechts de zon van de liefde blijft staan.

(1887)

bij gelegenheid van het met zijn tweeën uit een slee vallen


De zon heeft ons lachend bekeken,
En jij ook, mijn zonneschijn lachte.
Nu staat ons, die deelden in ’t vallen,
Nog ’t delen van liefde te wachten.

Behoed heb ik jou voor het straatvuil
Toen ’k lag tussen jou en de berm in:
Zo bied ik jou tegen al ’t kwade,
Geloof me, mijn engel, bescherming.

Jij hebt bij de deur mij verstoten,
Maar toch, in mijn hart bleef jij achter.
En net zo beviel mij het leven,
De zon bleef ook net zo steeds lachen.

(1892)

*


Nu brengt wind, van ’t westen uit,
Tranen met zich mede...
Huilt de hemel, kreunt het woud,
Buigen sparren neder.

Hoor nu uit het dodenrijk
Luid gejammer komen...
’t Hart beluistert het en trilt,
Tranen stromen, stromen...

Liggen ging de westenwind,
Teder lacht de hemel,
Echter, uit het dodenrijk
Keerde ’t hart niet weder.

(1892)



immanuël


Lang heen reeds ging die nacht waarin de aarde,
Moe van de onrust en de haat alom,
In hemelse omhelzing in mocht slapen,
En vredig werd geboren God – Met – Ons.

En menig feit is nu reeds onvoorstelbaar:
Niet meer zien koningen ten hemel op,
Niet luisteren nog herders in de velden
Naar engelen die spreken over God.

Maar ’t eeuwige dat in die nacht zich toonde,

Komt, hoe de tijd ook voortschrijdt, niet ten val,
En weer kwam in jouw ziel het Woord te wonen,
Geboren lang geleden in de stal.

Ja! God met ons – niet ginds aan blauwe kimmen,
Niet in ’t heelal in zijn oneindigheid,
In ’t boze vuur niet, niet in storm en winden,
Noch in ’t verslapt geheugen van de tijd.

Neen, hier en nu, – in het gewone leven
Van daagse zorgen waar geen eind aan komt.
Jou is een vreugdevol geheim gegeven:
Het kwaad faalt; wij zijn eeuwig, God met ons!

(1892)



*


Jouw smaragdgroene ogen zie ’k glinsteren,
Voor mij rijst de gestalte vol pracht.
Tot dit dagdromen, niet te verhinderen,
Heeft een vloedgolf opnieuw mij gebracht.

Jij verscheen, door de aardse beslommering
Gans omstrengeld, mijn arme vriendin,
Maar vrees niet: ik verlaat jou in kommer niet, –
Reeds sloot zich de betoverde kring.

Tot dit dagdromen, niet te verhinderen,
Worden wij door één vloedgolf gebracht.
Jouw smaragdgroene ogen zie ’k glinsteren,
Vóór mij staat de gestalte vol pracht.

(1892)



*


In de stille avondschemer
Denk aan hen die zijn gestorven.
Niet verging voorgoed datgene
Wat in liefde was verworven.

Laat de nacht in blauwe nevel
Nu maar aanvangen op aarde –
Duisternis jaagt ons geen vrees aan,
’t Hart aanschouwt de dag die nadert.

Tot Gods nieuwe roem zal morgen
Stralend licht ten hemel rijzen,
En klinkt, tot in ’t voorgeborchte,
Klokgelui de zondag prijzend.

(1892)

*


Waartoe een woord? De samenklank der stromen
Van ethergolven door azuren lucht
Doet vlammen van verlangen tot jou komen,
En van mijn stille liefde zacht een zucht.

En trillend bij de lieve drempel leven
De oude dromen die naar jou toe gaan.
De weg die door de lucht leidt duurt maar even,
Een ogenblik – en ik zal voor je staan.

En bij ’t onzichtbaar weerzien straalt vol klaarheid
Een hemels licht dat wederom jou vindt,
De zware droom van ’s levens boze waarheid
Schud jij dan af, en hunkert en bemint.

(1892)

op het dek van de fridtjof


Ik zei zacht nog de naam van een enkele mens

Bij de vallende ster aan de hemel;

Tot een wens kwam ik niet, ’t is te laat voor een wens,

Alles, vreugde en pijn, is verdwenen.


Lang verzonk reeds de kust en alom ziet het oog

Diepe zeeën in eenzaamheid wachten.

In de eenzame ziel is ’t zo open en hoog

Als rondom mij, en vóór mij, en achter.


(1893)



panmongolisme


Panmogolisme! Naam vol dreiging,
Maar mij een weldaad voor het oor,
Alsof ik daar de eerste tijding
Van Gods groot lotsbestel in hoor…

Toen in Byzantiums ontsporen
Het altaarvuur verwerd tot as,
En de Messias afgezworen
Door volk, prins, kerk en keizer was,

Toen stond, vanuit het oosten jagend,
Een onbekende volksstam op,
Toen beet, in noodlots harde slagen,
Het tweede Rome in het stof.

Van ’t lot der oude Byzantijnen
Maar iets te leren, weig’ren wij,
En steeds zegt men tot Rusland vleiend:
Het derde Rome, dat ben jij.

Nou en! Niet is voor Gods vergelding
De wapenvoorraad opgeraakt…
Gereed voor nieuwe oorlogsvelden
Zijn vele volkeren ontwaakt.

Van de Altai tot uit Malakka
Heeft oost’lijk eilandenbestuur
De legerbenden saamgetrokken
Bij ’t opstaand China, bij de muur.

Als niet te tellen sprinkhaanzwermen,
En juist zo onverzadigbaar,
Met wonderdadige bescherming
Trekt noordwaarts deze volk’renschaar.

Vergeet, o Rusland, oude glorie!
De dubbeladelaar verzwond,
En gele kind’ren lopen vrolijk
Met flarden van je vaandels rond.

Wie aan de liefdewet kan tornen
Maakt zich in angst en beven klein…
Zo ligt in ’t stof het derde Rome,
Maar niet zal er een vierde zijn.

(1894)

*

In het bos klinkt het geklater
Van een verre waterval,
Vrede en vertroosting ademt
In de schemer het heelal.

Wit is gans de hemelkoepel,
Wit de aarde, diep in slaap...
’t Hart, gehoorzaam, staakt het roepen,
Alle onrust is verjaagd.

Onbeweeglijke genade,
Eén, als droom, werd alles al...
In de stilte klinkt geklater
Van een verre waterval.

(1895)

het teken


‘Het kroost van de vrouw zal de kop van de slang verpletteren.’

(Genesis III).

‘De Machtige heeft grote dingen aan Mij gedaan, en heilig is Zijn naam.’

(Evangelie van Lucas, I).

‘En er verscheen aan de hemel een groot teken: een vrouw, bekleed met de zon; onder haar voeten de maan; op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.’

(Apocalyps, XII).


Maar één, voor eeuwig één! Breekt donderen de stilte
Van ’t slapend altaar, vlamt in duisternis hels vuur, –
Stort alles in, – dan één, het teken, zal niet trillen,
En ’t schild beweegt zich niet van de verwoeste muur.

Ontzet, in droom, zijn wij naar ’t heiligdom gelopen,
Heel onze kerk was met een dichte walm gevuld,
Gebroken zilver lag in ordeloze hopen,
In zwarte rook was het verscheurd tapijt gehuld.

Slechts één, het teken van ’t verbond dat eeuwig hemel
En aarde bindt, stond als tevoren overeind,
En vóór Het, van omhoog, heeft eender licht beschenen
De Maagd van Nazareth, en van de slang ’t venijn.

(1898)



in de griekse archipel ’s nachts


Vlij u niet met de gedachte, –
Dat Gods werk te gronde gaat
Door ’t bestel van dode krachten
En dat blind ons ’t lot belaagt.

In de zeemist zag ik ’t hele
Spel van geesten in hun nijd;
Boos ten val bracht mij de nevel,
Niet in schijn maar als een feit.

Helse menigten van geesten
Vormden zich en stonden op,
En doordringend klonken kreten
Daar doorheen van haat en wrok.

Toorn druipt uit de duistere nevel,
Heel de wereld is maar schijn...
In de zeemist zag ik geesten,
Kwade krachten vol venijn.

(1898)

das ewig – weibliche


(woord van vermaan tot de zeeduivels)


Zeeduivels schijnen mij aardig te vinden,
Snuffelend volgen zij telkens mijn spoor:
Laatst vingen zij me aan ’t strand bij de Finnen,
Ik naar de Griekse zee, – zíj zijn me voor!

Ja, op mijn dood staan de duivels te wachten,
Wat voor de duivels welvoeglijk ook is.
Toe dan maar duivels! Maar houd in gedachte,
Opdienen laat ik me niet aan uw dis.

Beter is dat u naar woorden zelf luistert, –
Ik heb voor u een goed woord bij de hand:
Het is aan u om opnieuw, beste duivels,
Diertjes te worden met hemelse band.

Hier, waar Amathus en Paphus ooit lagen,
Aan deze zee, hoe u hier voor het eerst
’t Onverwacht juk van verdriet kreeg te dragen,
Staat u dat niet wederom voor de geest?

Heugen u ’t helwitte schuim en de rozen,
’t Blauw van de zee en de purperen glans?
Heugt u van ’t beeldschone lichaam de pose,
En uw ontzetting, uw vrees en uw angst?

Niet al te lang was u bang op uw hoede,
Duivels, voor díé prille schoonheid en kracht;
Zij bedwong even uw razende woede,
Maar die te temmen lag niet in haar macht.

Listige duivels, in díé ware schoonheid
Vond gij een heimelijke pad echter snel,
Dood en verderf wist ge op te doen komen
In ’t heerlijke beeld door uw zaad uit de hel.

Weet: in onsterfelijk lichaam trekt heden
Eeuwige vrouwelijkheid bij ons in.
Nu reeds vermengden zich diepzee en hemel
In ’t eeuwig licht van de nieuwe godin.

Al waarmee straalde de aardse Astarte,
Vreugde van huizen, van bossen, de zee,
Komt met meer reinheid, meer volheid, meer krachten,
Thans in de niet–aardse schoonheid bijeen.

Tracht niet vergeefs haar te nader te komen!
Wat, wijze duivels, is ’t nut van verzet?
Dat waarnaar snakt de natuur in haar dromen,
U bent het niet die’t vertraagt of belet.

Duivels vol trots, u bent mannen wel degelijk, –
Strijd met een vrouw is geen eer voor een man.
Dus, beste duivels, alleen reeds deswege
Geef u maar over zo snel als het kan.

(1898)

drie ontmoetingen



(Moskou – Londen – Egypte 1862–75–76)
Een verhalend gedicht



Bij voorbaat in triomf de dood beschamend,
Deed ik door liefde reeds de tijd teniet,
O eeuwige vriendin, ik noem jou niet bij name,
Maar wel begrijp je het eerbiedig lied...

Vol wantrouwen voor deze boze wereld,
In ’t grove kleed van stoffelijk bestaan,
Mocht ik het onvergank’lijk purper strelen,
En vóór mij ’t licht der godheid op zien gaan...

Was ’t niet tot driemaal toe dat jij je toonde –
Niet als een hersenschim, o neen! – Jouw beeld,
Als voorteken, als hulp, of als beloning,
Was ’t antwoord waar de ziel om had gesmeekt.

I

De eerste keer, – wat is de tijd gevlogen! –
Was zesendertig jaar geleden toen voor ’t eerst
De kinderziel, door vage droom bewogen,
Door liefdeskwellingen werd overheerst.

Ikzelf was negen jaar, zij 1 – zij ook negen,
‘Een dag in mei in Moskou’, zo zei ’t Fet.
Mijn hand bood ik haar aan. Zij zweeg. O hemel!
Er is een ander. Ha! Ik daag hem uit.

Duel! Op Hemelvaart ter kerke ’s morgens.
In marteling van hartstocht gloeit de ziel.
Vergeten wij – thans alle – aardse zorgen
De klank hield aan, verzwakte en viel stil.

De altaardeur is open... Maar de priester,
Diaken en de mensen, waar zijn zij?
Opeens, elk spoor van hartstochten verlies ik,
Lazuur rondom, en ook lazuur in mij.

Met het goudkleurige lazuur doorweven,
En in jouw hand een bloem exotisch bont,
Stond jij blij stralend, knikte naar mij even,
Waarna jij in een nevel weer verzwond.

En kalverliefde was mij vreemd geworden,
Mijn ziel werd voor de daagse dingen blind...
Maar steeds zei ’t Duitse kindermeisje knorrig:
‘Volódinka – ach! Veel te domme kind!’

II

Na jaren tijd, reeds als docent, magister,
Haast ik me voor het eerst naar ’t buitenland.
Berlijn, daarna Hannover, Keulen flitsen
Aan ’t oog voorbij, onzichtbaar naderhand.

Niet naar mondain Parijs, en niet naar Spanje,
Niet naar de bonte Oriënt vol pracht,
Naar ’t Brits Museum slechts ging mijn verlangen,
En dit heeft nooit mijn droom gelogenstraft.

Zou ’k u vergeten, zalige zes maanden?
Niet hartstochten, de mensen, de natuur,
Niet droombeelden van schoonheid spoedig tanend,
Neen, jíj, slechts jíj was mét mij ieder uur.

Laat ginds maar myriaden mensen sjouwen,
Dwars door ’t kabaal van stoommachines heen,
En laat maar staan die zielloze gebouwen, –
O heilige stilte, ik ben hier alleen.

Maar wel cum grano salis, vanzelfsprekend:
’k Was op mijn eentje, maar niet mensenschuw;
In eenzaamheid kwam ik ook mensen tegen,
Maar wie van dat gezelschap noem ik nu?

’t Is jammer dat ik niet goed thuis kan brengen
Hun namen en de faam daarmee gepaard...
’k Zou zeggen: twee, drie Moskouse docenten,
En dan nog twee, drie Britse tovenaars.

Maar meestal zat ik eenzaam in de leeszaal;
En of u het gelooft of niet – weet God,
Door stille krachten werd mij aangewezen,
Al wat daar over háár te lezen stond.

Als ik door boze grillen tussenbeide
Bij boeken ‘uit een ander laatje’ kwam,
Veroorzaakte dat telkens zoveel deining
Dat ik van schrik maar snel de benen nam.

En eens – ’t was in de herfst – wou ik haar vragen:
O bloeseming der godheid! Jij bent híér,
Ik voel het – waarom, sinds mijn kinderdagen,
Heb jij je niet aan mij weer laten zien.

En nauwelijks had ik het woord gesproken –
Of alles was opeens lazuur en licht,
En zie, weer straalt zij helder voor mijn ogen,
Alleen haar hoofd, alleen maar haar gezicht.

Uit dat moment is lang geluk geboren,
Blind voor het aardse werd mijn ziel weerom,
En als ’k een ‘serieus’ betoog aanhoorde,
Dan was het onbegrijpelijk en dom.

III

Ik sprak tot haar: jouw aangezicht aanschouwde ik,
Maar ik verlang geheel jouw beeld te zien.
Je kunt dat wat je ’t kind niet hebt onthouden,
De jongeling niet weigeren nadien.

‘Wees in Egypte!’ – klonk een stem van binnen.
Op naar Parijs! – en zuidwaarts met de trein.
En ’t hart hoeft tegen ’t brein geen strijd te winnen:
Stug zweeg, zoals een idioot, het brein.

Lyon, Turijn, Piacenza en Ancona,
Dan Fermo, Bari, Brindisi – van hier
Neemt, over ’t rimpelige diep snel stomend,
Een Engels schip mij mee als passagier.

Krediet en bed bood in Caïro vredig
Hotel l’Abbé – helaas het is niet meer! –
Gezellig, kalm, en ’t beste van de wereld...
Daar waren Russen, zelfs uit Moskou weer.

Een generaal – van kamer tien – had veel ervaren.
De Kaukasus van vroeger kende hij...
Hem noemen mag ik – dood is hij al jaren,
En niets ongunstigs staat me van hem bij.

Die Rotislav Faddejev was notorisch
Als oude strijder en hij schreef ook goed.
Neem lichte vrouwen, of een consistorie –
Gespreksstof school in hem in overvloed.

Men deelde tweemaal ’s daags de table d’hôte;
Daar gaf hij veel en vrolijk goede raad,
Zocht niet naar ongepaste anekdoten,
En bij ’t filosoferen hield hij maat.

Ik wachtte op het weerzien ondertussen,
En eens in stilte van de nacht, alleen,
Zoals het koele waaien van een briesje:
‘In de woestijn ben Ik – volg mij daarheen.’

Te voet (van Londen tot in de Sahara
Vervoert men jonge lieden niet voor niets,
En in mijn zak – geen cent om te betalen,
En dagenlang leef ik al op krediet)

Naar ’t onbekende, zonder geld of gasthof,
Ga ’k op een wonderschone dag op stap,
Zoals oom Vlas, beschreven door Nekrasov
(Jawel, ik vond het rijm, al is het slap).2

Jij lachte zeker toen ik, me begevend
Naar de woestijn in hoge hoed en jas,
Een sterke bedoeïen van angst liet beven,
Die mij voor ’n duivel aanzag, en dus ras

Half doodsloeg – toen de sjeiks van twee families
Zich afvroegen, luid in ’t Arabisch, hoe
Met mij te doen – toen zij, na hun decisie,
Mij knevelden en zonder veel gedoe

Ver met zich meenamen, en uiterst nobel
Mijn boeien slaakten – en vertrokken zijn.
’k Lach met jou mee: zo lachen mens en goden
Om tegenspoed zodra als die verdwijnt.

De duisternis viel in en had inmiddels,
Recht toe recht aan, de aarde in haar macht.
Rondom verneem ik niets dan louter stilte
En ik zie sterren in de zwarte nacht.

’k Ging liggen, luisterde, rondom mij kijkend...
Een jakhals huilde plotseling vrij eng;
Mij op te eten, ja, zou hem wel lijken,
Maar ik hief zelfs geen stok op tegen hem.

Nou ja, die jakhals! Bitter koud was ’t verder...
Wel nul – en overdag een hitteplaag...
De sterren straalden onbarmhartig helder;
En licht en kou – zijn vijanden van slaap.

Lang lag ik half in droom, onrustig starend,
En toen klonk zacht: ‘Slaap, arme vriend, en rust!’
En ’k sliep: en toen ik vief ontwaakte, waren
En land én lucht van rozengeur vervuld.

Met hemels purper schitterend van gratie,
En ogen vol van een lazuren vuur,3
Keek jij, gelijk de eerste emanatie
Van het universele scheppingsuur.

Wat is, wat was, wat zijn zal aller eeuwen –
In één blik zag ik alles hier ontvouwd...
Blauw liggen onder mij rivieren, zeeën,
Besneeuwde bergtoppen, het verre woud.

’k Zag alles, maar heb in me opgenomen
Dat éne slechts, het beeld der schone vrouw...
In dat kwam de oneindigheid te wonen,
En ik zag vóór me, ín me – enkel jou.

O stralend licht! Jij hebt me niet bedrogen:
’t Geheel van jou zag ik in de woestijn...
Neen, niet verwelken in mijn ziel die rozen,
Hoe wild de storm van ’t leven ook mag zijn.

Slechts één moment! En weg was de verschijning,
En aan de horizon verrees de zon.
Doodstil was de woestijn. De ziel bad blijde,
En ín haar luidden klokken van triomf.

’k Ben flink, maar had twee dagen niet gegeten
En mijn extase ging allengs voorbij.
Helaas, hoe fijn van ziel je ook mag wezen,
Met honger spot je niet, vertelt men mij.

Terug, weer naar de Nijl toe, ging ik ’s middags,
En in Caïro was ik ’s avonds al.
Mijn ziel droeg sporen van de rozenglimlach,
Mijn laarzen – toonden gaten zonder tal.

Van buitenaf was ’t allemaal onzinnig
(Ik sprak van feiten maar niet van ’t gezicht).
De generaal at eerst zijn soep in stilte
En zei toen, met zijn blik op mij gericht:

‘Natuurlijk geeft het brein een recht op domheid,
Doch maak daar liever maar geen misbruik van:
Slecht onderscheiden mensen in hun botheid
De vormen die de waanzin hebben kan.

En dus, als het u tegenstaat te gelden
Als iemand die een gek of domoor is,
Is ’t goed als u aan niemand iets vertelde
Van die beschamende geschiedenis.’

Veel schertste hij, maar reeds was blauwe nevel
Verrezen vóór mij in een gloed van licht,
En aan ’t geheime schoon zich overgevend,
Ging heel het aardse heen, ver uit het zicht.

Ik zag, onvrij nog in de drukke wereld,
In ’t grove kleed van stoffelijk bestaan,
Het onvergank’lijk purper scherp getekend,
En voelde ín mij ’t licht der godheid aan.

Door teder voorgevoel de dood beschamend,
Deed ik door dromen reeds de tijd teniet,
O eeuwige vriendin, ik noem jou niet bij name,
Maar jíj, vergeef me mijn onzeker lied!

( 26–29 september 1898)

Aantekening. De herfstavond en het eenzame woud inspireerden mij om in humoristische verzen datgene weer te geven wat mij tot nu toe als het allerbelangrijkste in mijn leven was overkomen. Twee dagen lang kwamen herinneringen en gevoelens onweerstaanbaar in mijn bewustzijn op, en op de derde dag was deze kleine autobiografie gereed, die sommige dichters en sommige dames goed is bevallen.



*


Mij zingt het hart een lied, oud en bekend,
Vóór mij herrijzen de aloude dromen,
Bloemen, ver weg, zijn tot bloeien gekomen,
Ergens, vol tover, klinkt roepend een stem.

’t Heerlijke sprookje leeft vóór me opnieuw,
Weer, instinctmatig, geloof ik dat sprookje...
’t Hart voelt zo zalig, zo droef en gebroken...
Niet–aardse lente waart over de ziel.

de draak


Aan Siegfried

Uit ’s hemels onbekende nevels
Heeft reeds de draak zijn kop getoond, –
En ’t waas van onafwendbaar euvel
Legt sluiers op de dag die komt.

Zal straks soms niet het feesten stoppen,
De lof dat vrede steeds bestaat,
De zorgeloze lach en ’t roepen:
‘Goed ís het leven, ’t kent geen kwaad!’

Jij, erfgenaam der ridderscharen!
Trouw blijf je aan de kruisbanier,
De vlam van Christus staalt jouw wapen,
Jouw dreigend woord is heilig vuur.

Gods hart is vol van liefdes rijkdom,
Het roept ons allen om Hem heen…
Doch in de drakenmuil nu kijkend,
Begrijp je: kruis en zwaard – zijn één.

(1900)

Vertaling Frans–Joseph van Agt






1 De ‘zij’ van deze strofe was een eenvoudig klein meisje, en heeft niets te maken met de ‘jij’ tot wie de inleiding is gericht.
2 Kunstgreep om een rijm te vinden, geheiligd door het voorbeeld van Poesjkin, en bovendien in het huidige geval te verontschuldigen omdat de auteur, meer onervaren dan jong, voor het eerst verzen schrijft van verhalende aard.
3 Vers van Lermontov.



<   

TSL 48

   >