Raymond Detrez



Socialistisch realisme in Bulgarije



Wat socialistisch realisme is, hoef ik hier niet meer uit te leggen. Ik wil bij wijze van inleiding alleen even stilstaan bij de vraag waarom het socialistisch realisme eigenlijk zo’n onverteerbare artistieke stroming heet te zijn. Socialistisch realistische kunst was onderworpen aan een hele reeks van voorschriften met een haast dogmatisch karakter, maar bij een aantal modernistische stromingen als het expressionisme en het surrealisme was dat niet anders. In hun manifesten worden vaak heel rigoureuze procédés opgelegd, er wordt hard uitgehaald naar tegenstanders en volgelingen die van de grondbeginselen afweken werden uitgespuwd. Toch vinden wij kunstwerken die volgens die recepten vervaardigd zijn best aardig en interessant. Socialistisch realistische kunst was onderworpen aan de strenge controle van vertegenwoordigers van de politieke macht, ze diende ter verheerlijking van een bepaalde ideologie en ze moest mensen overtuigen dat die ideologie de beste ter wereld was. Maar dat was het geval met veel kunst van vóór de negentiende eeuw: de Romeinse architectuur en beeldhouwkunst, de Byzantijnse kunst, de barok, je noemt het maar. Toch vinden we dat heel waardevolle en zeer genietbare kunst. Is het de combinatie van creatieve onvrijheid en ideologische dienstbaarheid die ons bij het socialistisch realisme tegen de borst stuit? Maar wat doe je dan met de iconenkunst: een heel strenge artistieke canon, de officiële kunst van een repressieve staat, en vele duizenden ook ongelovige liefhebbers van het schone die er graag naar mogen kijken. Misschien zijn het de associaties die het socialistisch realisme oproept met een onsympathiek politiek systeem die de pret bederven, maar zelfs degenen die het sovjetcommunisme een warm hart toedroegen, zag je nooit zitten lezen in De ijzeren stroom, Tijd vooruit of Cement. Het zal na vele decennia mogelijk zijn het socialistisch realisme op een relativerende afstand te beschouwen, zoals je ook bij de waardering van iconen zonder gewetenswroeging voorbijgaat aan het leed dat de Byzantijnse keizers de monofysieten hebben aangedaan.

Ondertussen kan het nuttig zijn het socialistisch realisme als artistieke stroming in zijn literair-historische context te plaatsen, dat wil zeggen het te situeren binnen een bepaalde nationale literaire traditie. Niet dat die kunstwerken dan meteen aantrekkelijker worden, maar je weet er als historicus dan wel beter raad mee.





Vasil Droemev

Neem nu het Bulgaarse socialistisch realisme. De moderne Bulgaarse literatuur vangt aan in 1762, met de voltooiing en de verspreiding van de Slavisch-Bulgaarse geschiedenis van de monnik Païsi van het Chilendarklooster op de berg Athos. Meer dan een historisch werk is deze tekst een pamflet, waarin Païsi de Bulgaren oproept hun geschiedenis te bestuderen, er trots uit te putten en hun eigen taal te spreken in plaats van het toen sociaal en cultureel erg prestigieuze Grieks. Het duurde weliswaar nog enkele decennia voor de Bulgaren gehoor gaven aan Païsi’s oproep, maar de Slavisch-Bulgaarse Geschiedenis had, als eerste literaire werk getuigend van de nieuwe geest van de Verlichting, de toon gezet voor veel van wat er later zou geschreven worden: literatuur moest in dienst staan van een of ander maatschappelijk doel. Dat doel had, tot Bulgarije in 1878 uiteindelijk de onafhankelijkheid verwierf, te maken met de nationale emancipatie. Aanvankelijk ging het vooral om de strijd tegen de Griekse dominantie en de vergrieksende invloed, uitgeoefend door het Patriarchaat van Constantinopel waartoe ook de Bulgaarse bisdommen behoorden. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden de bakens verlegd en promootten vele Bulgaarse schrijvers ook de gewapende strijd tegen het Osmaanse gezag. Die dienstbaarheid van de literatuur kon overigens zeer uiteenlopende vormen aannemen. Georgi Rakovski schreef politieke pamfletten, patriottische artikelen over Bulgaarse geschiedenis en folklore, blauwdrukken van de toekomstige Bulgaarse staat en dergelijke. Vasil Droemev schreef het vroegste Bulgaarse proza: sentimentele verhalen waarin hij de wreedheid en de onrechtvaardigheid van het Osmaanse regime in hartverscheurende taferelen breed uitsmeerde met de bedoeling het nationalistische vuur aan te wakkeren. Dobri Vojnikov probeerde hetzelfde te bereiken door middel van historische tragedies, waarin het publiek ter lering Bulgarijes grootse verleden en onbedwingbare vrijheidsdrang voorgehouden werden. Ljoeben Karavelov schreef verhalen in het Russisch om de belangstelling van de Russische lezer en de Russische Minister van Buitenlandse Zaken voor de Bulgaarse zaak op te wekken. Maar zelfs de schrijvers van gedichten, verhalen en toneelstukken die op het eerste gezicht niets met de nationale onafhankelijkheidsstrijd te maken hadden, dachten dat het bestaan van zulke Bulgaarse gedichten, verhalen en toneelstukken op een of andere manier het internationale prestige van Bulgarije kon vergroten.

Deze nationaal geëngageerde literatuur kreeg in de tweede helft van de negentiende eeuw ook een sociale dimensie. Dat kwam doordat veel Bulgaarse jongelui een hogere opleiding volgden in Rusland, vooral in Odessa, Kiev en Moskou. Zij kregen studiebeurzen van Russische slavofiele organisaties, maar keerden vaak naar hun vaderland terug met een grote afkeer van het Russische politieke systeem. Tijdens hun verblijf in Rusland hadden ze kennis gemaakt met het werk van de Russische radicale socialisten en in een aantal gevallen met deze radicale socialisten zelf. Terug in Bulgarije propageerden ze de idee dat de nationale onafhankelijkheidsstrijd tegelijk een strijd moest zijn voor sociale hervormingen. Aan de dominante positie van de Osmaanse grootgrondbezitters en van de christelijke notabelen, die met de Osmanen samenwerkten, wilden ze een einde maken. Bulgarije moest een parlementaire democratie worden, waarin het voor alle Bulgaren goed leven was. Een cruciale aangelegenheid was de herverdeling van de gronden van de verdreven Turkse boeren en grootgrondbezitters. Die gronden kwamen volgens de revolutionaire socialisten toe aan de boeren; ze mochten vooral niet in handen vallen van de conservatieve Bulgaarse grootgrondbezitters. Veel radicale ijveraars voor Bulgaarse onafhankelijkheid waren zodoende ook gewonnen voor het socialisme, en sommigen van hen – Ljoeben Karavelov, Christo Botev, Zachari Stojanov en anderen – gaven ook in literaire werken uiting aan hun socialistische ideeën. Kortom, reeds in de negentiende eeuw was de idee dat literatuur zich voor een of ander doel moest inzetten in Bulgarije gemeengoed. Aanvankelijk ging het om een louter nationalistisch engagement, later werd ook sociaal en socialistisch engagement heel gebruikelijk. Vanzelf deden die geëngageerde auteurs ook een beroep op het realisme, dat immers door zijn claim de werkelijkheid weer te geven de grootste overtuigingskracht bezat.

Na de onafhankelijkheid in 1878 bleven nog veel van Bulgarijes territoriale ambities ongerealiseerd. De aandacht van de schrijvers ging nog tot na de Eerste Wereldoorlog uit naar het lot van gebieden met een (in hun ogen) Bulgaarse bevolking die binnen het Osmaanse Rijk gebleven waren. Maar tegelijk kwam er meer dan voordien ruimte vrij voor andere thema’s dan de vrijheid en de omvang van het vaderland. De interessantste auteurs vonden al gauw aansluiting bij westerse moderne stromingen als het symbolisme en het impressionisme, maar vele anderen zetten de negentiende-eeuwse traditie van het sociaal-kritisch realisme voort. Met name het lot van de boeren, dat na 1878 niet benijdenswaardiger geworden was, werd herhaaldelijk en uitvoerig behandeld. Niet altijd gebeurde dat vanuit sociale bewogenheid, vaak ook uit heimwee naar de oude, patriarchale waarden of naar de verloren wereld van de jeugd van de schrijver. Wanneer schrijvers hun helden situeerden in een stedelijk milieu, dan was dat meestal om de hebzucht, de corruptie en de decadentie van de bourgeoisie te hekelen.

Tegen het einde van de negentiende eeuw was er langzamerhand hier en daar iets ontstaan als een Bulgaars proletariaat en diverse socialistische denkers wierpen zich op als de geestelijke en politieke leiders van de arbeidersklasse. De Bulgaarse Communistische Partij zou kort na de Eerste Wereldoorlog de tweede grootste politieke partij in het land worden. Vanaf het begin hadden de leiders ervan ook belangstelling voor socialistische kunst. Ze dachten in de lijn van Russische radicale literaire critici als Tsjernysjevski, Pisarev en uiteraard Lenin en verdedigden een stilistisch erg conventioneel kritisch realisme. Grondlegger van het socialisme in Bulgarije en van de Bulgaarse marxistische literatuurkritiek was Dimitoer Blagojev. Hij bestreed aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog het l’art pour l’art principe, dat verdedigd werd door de critici en schrijvers rond het tijdschrift Misul (Gedachte), met de bewering dat een kunstwerk nog waardevoller werd wanneer de auteur ervan gedreven werd door sociaal humanisme. Hij en zijn geestesverwanten noemden hun tegenstanders meteen decadent en vervreemd van het volk. Het werk van Blagojev werd tijdens het interbellum voortgezet door Georgi Bakalov. Ook Bakalov was politicus, ideoloog en literair criticus. Ook hij koesterde een grote liefde voor het realisme, voor een literatuur, waarin de lezer zichzelf en hem bekende toestanden kon herkennen, en die een duidelijke boodschap had. Zulke literatuur sloot blijkbaar ook aan bij de literaire traditie en de smaak van het grote publiek in Bulgarije. Ivan Vazov, de patriarch van de Bulgaarse letteren, die het Bulgaarse literaire landschap tussen 1878 en de Eerste Wereldoorlog domineerde, het voorbeeld van vele generaties van Bulgaarse prozaschrijvers en zelf een onverbeterlijke realist, had stromingen als het symbolisme als on-Bulgaars gebrandmerkt. De symbolisten hadden Vazov op hun beurt een ezel genoemd, maar dat belette niet dat Vazovs uit het leven gegrepen en naar waarheid vertelde verhalen (helaas) veel meer lezers hadden dan hún geraffineerde gedichten.



Geo Milev

Toch voelden niet alle Bulgaarse socialistische schrijvers zich tot het realisme aangetrokken. Christo Smirnenski, de vroegste proletarische, dat wil zeggen socialistisch-revolutionaire schrijver, maakte gretig gebruik van symbolistische technieken. Geo Milev behoorde tot de toen in Europa veel toonaangevender linkse expressionisten. In zijn episch gedicht Septemvri (September) uit 1924 gaf hij een indrukwekkende evocatie van de onderdrukking van de opstand van september 1923. Dat was een opstand die de communisten (slecht) georganiseerd hadden tegen de rechtse partijen die in juni 1923 een staatsgreep uitgevoerd hadden. Milev gebruikte geen realistische, maar expressionistische stijlmiddelen, die de lezer uit de Lage Landen af en toe aan Van Ostaijen doen denken. Wat later zouden Bulgaarse imagisten als Nikola Foernadzjiëv de opstand op hun manier beschrijven – in verzen met een opzwepend ritme en wervelende beelden. Sociaal engagement impliceerde in de jaren twintig nog niet per se het gebruik van realistische, laat staan socialistisch realistische technieken. Net als in Rusland zullen pas in de jaren dertig de Bulgaarse communisten ook in artistieke aangelegenheden orthodoxie eisen.

De eerste auteur die tijdens het interbellum strikt volgens de in Moskou bedachte regels probeerde te schrijven was Dimitoer Poljanov. (In de jaren zeventig en tachtig werd hij in Bulgarije door de jonge schrijversgeneratie nog lacherig en bespottend geciteerd.) Over de arbeidersklasse viel toen nog niet zoveel te mel den, omdat die nauwelijks bestond, maar socialistisch geëngageerde auteurs ontwikkelden af en toe een kritische visie op de oude patriarchale moraal van de boeren, die ieder redelijk mens een heel eind kon volgen. Georgi Karaslavov, die na de Tweede Wereldoorlog om zijn werk en zijn ideologische rol in het literaire leven de Bulgaarse Gorki genoemd werd, schreef in 1941 de roman Snacha (De schoondochter, ook in het Nederlands vertaald), waarin precies die moraal op de korrel genomen werd. Karaslavov toonde de bekrompenheid van de rijke boeren aan de hand van de lotgevallen van een jonge vrouw die kinderloos blijft en daarom door haar aan lager wal geraakte man en haar schoonouders mishandeld wordt. Karaslavov hekelt ook de nieuwe kapitalistische verhoudingen in het Bulgaarse dorp: de schoonvader heeft ooit iemand vermoord die een maïskolf stal. Een communistisch alternatief wordt in deze roman niet expliciet geboden, maar de suggestie dat er weinig redenen zijn om een dergelijke onrechtvaardige wereld te laten voortbestaan is wel aanwezig. Karaslavov is in de jaren twintig en dertig voor enkele van zijn romans door het rechtse bewind achter de tralies gezet, maar met Snacha kreeg hij nooit last. Een dergelijk engagement was in de Bulgaarse literatuur voor ieder acceptabel.





Nikola Vaptsarov. Bron

Bulgarije had ook een socialistisch realistische dichter, die respect vermag in te boezemen: Nikola Vapcarov. Hij was van beroep scheepsmachinist op de grote vaart, en schreef over het leven van arbeiders, machines, de klassenstrijd, een betere toekomst en exotische hemels, in een toegankelijke, wat ruwe-bolster-zachte-pit-achtige parlandostijl, met een pathetiek die soms aan Majakovski doet denken. In 1942 werd hij als partizaan wegens sabotage terechtgesteld. Zijn gedichten waren geen loze praatjes.

Na de communistische machtsovername in september 1944 werd het socialistisch realisme, vroeger slechts een van de vele en lang niet de belangrijkste literaire stroming, gepromoveerd tot enig toegelaten en bovendien zeer dogmatisch begrepen artistiek procédé. Schrijvers werden gedwongen om de canon van het socialistisch realisme op de voet te volgen – of er het zwijgen toe te doen. Dimitur Dimov moest zijn lijvige roman Tabak op last van de censuur enkele malen herschrijven. Werken die niet braaf aan de canon beantwoorden werden gewoon niet gepubliceerd; gebeurde het per ongeluk toch, dan konden auteur, redacteur en uitgever te maken krijgen met onaangenaamheden, gaande van een berisping tot enkele jaren dwangarbeid. Oudere, vooroorlogse werken die te zeer afweken van de canon, werden niet heruitgegeven en soms zelfs uit bibliotheken verwijderd. De Bulgaarse Schrijversbond, die de materiële belangen van de auteurs behartigde, waakte ook over de ideologische zuiverheid van hun werken. Was daar iets mis mee, dan volgden sancties die meestal neerkwamen op broodroof.

Er kan geen misverstand over bestaan dat deze brutale ingreep de ontwikkeling van de Bulgaarse literatuur veel schade heeft toegebracht en de kwaliteit ervan naar beneden haalde. Dat belet niet dat de invoering van het socialistisch realisme op zich, in Bulgarije wellicht veel minder een breuk met bestaande tradities betekende dan in andere landen: realisme en sociaal engagement waren, zoals we zagen, al meer dan honderd jaar vaste componenten van de Bulgaarse literatuur. Schrijvers die geloofden dat de socialistische opbouw van Bulgarije, de versnelde industrialisering en de modernisering van het land zaken waren die tot voordeel van het hele Bulgaarse volk strekten en die het internationale prestige van Bulgarije, althans in het socialistische kamp, vergrootten, waren in grote mate bereid aan de verheerlijking ervan hun beste krachten te wijden. De zogenaamde brigadiersliteratuur, over jongelui die vrijwillig gingen werken als bouwvakker bij de uitvoering van allerlei prestigieuze projecten (met als toppunt de bouw van een nieuwe stad, het naargeestige Dimitrovgrad), bevat heel wat socialistisch realistische kitsch, maar is tegelijk een uiting van oprecht enthousiasme en grote toekomstverwachtingen.

De Communistische Partij van Bulgarije beschikte over een filosoof van eigen bodem, die uitgaande van de marxistisch-leninistische literatuurbeschouwing veel over literatuur had nagedacht en geschreven – wat zijn persoonlijk engagement en zijn waakzaamheid jegens deviaties vergrootte. Todor Pavlov was in de jaren dertig in Moskou gepromoveerd en werd aldaar hoogleraar filosofie. Hij lanceerde een theorie over de weerspiegeling van de werkelijkheid in het kunstwerk – een cruciaal punt in de marxistische esthetica – ponerend dat het artistieke, intuïtieve kennen van de werkelijkheid in hoge mate objectief was. Na de Tweede Wereldoorlog werd Pavlov hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Sofia, voorzitter van de Academie voor Wetenschappen en bekleedde bovendien diverse functies in de hoogste partijorganen. Hij combineerde de nodige theoretische scholing én politieke macht om het socialistisch realisme er in Bulgarije met woord en daad door te douwen.

Geliefkoosde onderwerpen van de socialistisch realistische schrijvers waren vanzelfsprekend de industrialisatie en de landbouwcollectivisatie. Vooral dat laatste onderwerp was, als voortzetting van de lange traditie van romans en verhalen over boeren, een populair onderwerp. Ook aan de partizanenstrijd werd menige roman en novelle gewijd, al had Bulgarije niet zo’n opzienbarende verzetsbeweging gekend: het was niet eens bezet geweest door Duitsers of Italianen. De deelname van het Bulgaarse leger aan de Vaderlandse Oorlog, de Tweede Wereldoorlog dus, moest eveneens buiten elke proportie veel aandacht krijgen. Bulgarije was gedurende de hele Tweede Wereldoorlog een bondgenoot van Duitsland om pas op het laatste moment naar de geallieerden over te lopen. De Bulgaren hadden samen met het Rode Leger de Duitsers uit Joegoslavië en Hongarije verdreven, wat overigens niet zo’n kunst was, aangezien die toch al bezig waren zich terug te trekken. Door die deelname aan de oorlog – die overigens veel mensenlevens kostte – probeerde Bulgarije te ontkomen aan represailles van de geallieerden. Ze was dus in het licht van de internationale situatie van Bulgarije een belangrijke aangelegenheid, vandaar dat schrijvers werden aangemoedigd daar uitvoerig over te schrijven. Jordan Voeltsjev publiceerde in 1946 de verhalenbundel Bojeve (Gevechten) waarin aangegeven werd dat het voor sommige Bulgaarse militairen toch niet zo eenvoudig was om van de ene dag op de andere de vijand te worden van hun voormalige bondgenoten. Deze fijngevoeligheid is hem duur te staan gekomen. Na enkele jaren internering kreeg hij van de Schrijversbond – uit medelijden – voor de rest van zijn leven een baan als inpakker op de dienst verzendingen van een jongerentijdschrift. Voeltsjev verdiepte zich dan maar in veiliger onderwerpen als de Bulgaarse middeleeuwen en de Oudbulgaarse kalender.





Georgi Karaslavov. Bron

De grote ambitie van de Bulgaarse schrijvers uit die tijd was het vervaardigen van een roman, die een panoramisch beeld gaf van de Bulgaarse samenleving in heel haar revolutionaire dynamiek. Dimov had dat niet zonder succes gedaan in Tabak. Karaslavov zette zich aan dezelfde onderneming met de romancyclus Obiknoveni chora (Gewone mensen, 1952-75, zes dikke delen), over de periode van de Eerste Wereldoorlog tot de overwinning van het socialisme. Ik heb nooit iemand ontmoet die al was het maar één deel van deze cyclus aangeschaft had, laat staan erin gelezen heeft. De verantwoordelijken voor het Bulgaarse cultuurbeleid hechtten ook groot belang aan de publicatie van boeken met een aktoealna tematika. Er waren maar weinig liefhebbers die zulke boeken wilden of durfden te schrijven: er was immers een feilloze kennis van de partijlijn voor vereist en iedere, zelfs ongewilde foute beschrijving van de actualiteit kon tot onaangenaamheden leiden. Daarom werden door de Schrijversbond een soort van aanmoedigingsbeurzen toegekend aan schrijvers. Die gingen dan een tijdje de actualiteit bestuderen in een fabriek of een kolchoz ergens in de provincie en schreven er vervolgens een boek over. Uitgekookte schrijvers kozen een fabriek of een kolchoz op een toeristische plek en combineerden de aktoealna tematika met een leuke vakantie. De historische roman hield hoe dan ook minder risicos in. Hier volstond patriottische pathetiek. Je moest al vreselijk pech hebben om bij het schrijven van een roman over de glorieuze oorlogen tegen de valse Byzantijnen in de tiende eeuw per ongeluk van een partijstandpunt af te wijken.

In 1956 luidde een rede van partijleider Todor Zjivkov op het Aprilplenum van de Communistische Partij van Bulgarije de destalinisatie in. Alles wat er daarna tot in 1989 in Bulgarije zou gebeuren, werd bestempeld als een emanatie van de Aprillijn. Voor de literatuur betekende dit, na enkele jaren van onzekerheid, niet dat het socialistisch realisme werd afgeschreven, wel dat het niet langer dogmatisch werd toegepast. Die korte periode van onzekerheid leek er een van grote vrijheid, waarin auteurs geen blad voor de mond hoefden te nemen bij het uitoefenen van kritiek op allerlei aspecten van de periode van de persoonlijkheidscultus. De roman Het gulden vlies van Andrej Goeljasjki (zie hiervan een fragment) klaagde de fouten aan, gemaakt bij de landbouwcollectivisatie, en bracht enig begrip op voor het leed en de rancune van de gedupeerden, maar bevatte geen kritiek op het principe zelf van de collectivisatie. Dat kon niet. Achteraf beschouwd hebben die kritische schrijvers zich toen toch ook weer voor de kar van de partij laten spannen. Hun kritiek moest de anti-Stalinisten helpen de oude Stalinistische garde definitief uit het zadel te lichten. Zodra de machtsstrijd tussen beiden beslecht was, haalden de anti-Stalinisten de teugels opnieuw aan – om anarchie te vermijden.

De winst aan creatieve vrijheid die de literatuur en de cultuur in het algemeen uiteindelijk uit het avontuur sleepten zou je kunnen omschrijven als een terugkeer naar of een rehabilitatie van het individualisme – binnen bepaalde perken. Er kwam ruimte voor allerlei onderwerpen die vroeger als verwerpelijke uitingen van een bourgeoismentaliteit beschouwd werden, èn voor een meer individuele expressie, een meer geïndividualiseerde stijl. Het sociale en politieke engagement verdween niet, maar ook daarvan verwachtten de critici (die altijd als coachen of scherprechters optraden) dat het op een meer individuele wijze beleefd werd. Het is niet zeker dat dit betere resultaten opleverde: schrijvers die persoonlijk betrokken trachtten te lijken bij zaken, waarmee de betrokkenheid zowat van overheidswege werd opgelegd (de oorlog in Vietnam, de putsch tegen Allende, de bewapening in het NATO-kamp, de eeuwige vriendschap met de USSR) maakten een doortrapte óf een potsierlijke indruk. Maar er mochten voortaan liefdesgedichten geschreven worden of gedichten waarin andere intieme gevoelens aan bod kwamen. Merkwaardig is dat buiten de (ook in het Nederlands vertaalde) Nikolaj Koentsjev zelfs dichters nauwelijks geneigd leken tot gedurfder stilistische experimenten (wat niet betekent dat er geen stilistische diversiteit bestond). Werd dit door redacteurs van tijdschriften of uitgevers niet aanvaard – omdat socialistisch realistische literatuur nu eenmaal ook toegankelijk voor het volk moet zijn – of voelden die dichters daartoe zelf eigenlijk geen behoefte? Nu sinds 1989 alles mag, lees je nog geen Bulgaarse surrealistische of fonetische of hermetische of postmoderne of wat dan ook voor stilistisch grensverleggende poëzie. In Bulgarije zijn al deze soorten poëzie nog ver van déja vu.



Nikolaj Chajtov

In het proza leverde de liberalisering in het kader van de Aprillijn interessantere resultaten op dan in het lyrische genre. Binnen de ruimere grenzen van het socialistisch realisme ontstonden een regionale literatuur (Woeste verhalen van Nikolaj Chajtov, ook in het Nederlands vertaald), een soort folkloristisch absurdisme (het werk van Jordan Raditsjkov), melancholisch lyrisch proza (de romans van Ivan Davidkov), introspectieve en vaak erg maatschappijkritische, nouveau roman-achtige romans (het proza van Blaga Dimitrova), iets als magische realisme (De barrière van Pavel Vezjinov), spionageromans en detectives, net geen stationsliteratuur, met communistische James Bonden (Bogomil Rajnov, Andrej Goeljasjki), mythologiserend proza (de verhalen en romans van Georgi Markovski), feministische literatuur (Blaga Dimitrova, Ilinda Markova). Ik geef hier geen opsomming van alle mogelijkheden en van de beste schrijvers; ik wil alleen maar aangeven dat er na 1956 véél onder de noemer socialistisch realisme gevat kon worden. Maar er bleef ook veel taboe: kritiek op de echte Bulgaarse werkelijkheid, op de onvrijheid en de economische malaise, twijfel aan de juistheid van de ideologie, beschrijvingen van de onderkant van de samenleving (drugs, prostitutie, corruptie), waardering voor het kapitalistische buitenland, religieuze thema’s, erotiek, een kritische benadering van de officiële nationale geschiedschrijving, kritiek op het minderhedenbeleid, het standpunt dat kunstenaars lak mochten hebben aan de socialistische samenleving. Aan de inhoudelijke beperkingen werd strenger de hand gehouden dan aan de stilistische, al zou dit gezichtsbedrog kunnen zijn: nogmaals, de drang naar radicale stilistische vernieuwing was vermoedelijk niet zo groot. Over het algemeen bestond bij critici in toenemende mate de gezonde neiging om hun appreciatie minder te laten afhangen van ideologische criteria dan van de intrinsieke artistieke kwaliteit van het besproken werk. Ze erkenden dat slechts een kleine minderheid van de Bulgaarse literaire werken misschien enige blijvende waarde had; de meeste werken rekenden ze tot de overweldigende meerderheid van kwalitatief minderwaardige werken, de zogenaamde grijze stroom, hoe politiek correct ze ook waren.



Ljoedmila Zjivkova

Je kunt je afvragen wat de term socialistisch realisme uiteindelijk nog te betekenen had. Interessante Bulgaarse schrijvers lagen er niet wakker van. Maar sommige critici namen de term tot laat in de jaren tachtig nog regelmatig in de pen. Wanneer een auteur om een of andere reden tot de orde moest worden geroepen, werd er af en toe nog flink mee uitgehaald. Voor het overige krijg je de indruk dat het Bulgaarse socialistische realisme vooral in de jaren late jaren zeventig (toen de liberale en excentrieke Ljoedmila Zjivkova, dochter van Todor Zjivkov, Minister van Cultuur was) langzaam evolueerde in de richting van wat de Servische criticus Sveta Lukić socialistisch estheticisme genoemd heeft: een literatuur met esthetische kwaliteiten, die socialistisch is in de zin van: niet anti-socialistisch. Dat de Bulgaren van het socialistisch estheticisme minder gemaakt hebben dan de Joegoslaven heeft te maken met het feit dat het Bulgaarse regime toch veel repressiever was, maar ook – die indruk krijg je – met een onmiskenbaar stilistisch conservatisme bij de Bulgaarse schrijvers en lezers. Jammer, maar over geuren en smaken… Precies.




<   

TSL 29

   >