Magda de Bruin-Hüblová



Julius Fučík – boegbeeld van het socialistisch realisme in Tsjechoslowakije



De eerste naoorlogse jaren vormden waarschijnlijk de enige periode dat de socialistisch realistische boeken veel gelezen werden in Tsjechoslowakije. Werken als Reportáž, psaná na oprátce (Met de strop om de nek) van Julius Fučík strookten goed met de toenmalige maatschappelijke sfeer. Behalve boeken van ‘eigen’ makelij werden ook de sovjet-klassiekers van het socialistisch realisme (bijvoorbeeld Molodaja gvardijaDe jonge garde – van Fadejev en dergelijke) haastig vertaald en in mega-oplagen uitgegeven.



Julius Fučík

Maar het naoorlogse pathos en enthousiasme maakten al vlug plaats voor een sfeer van angst en onzekerheid in de jaren vijftig toen naar schatting meer dan honderdduizend mensen slachtoffer werden van de toen georganiseerde politieke processen. Het ging daarbij aanvankelijk om maatschappelijke groeperingen die door het communistische regime als oppositioneel werden beschouwd (kerk, andere politieke partijen, zelfstandige boeren, kleine middenstanders, mensen die na de communistische putsch naar het buitenland probeerden te vluchten enzovoort). Spoedig kwamen daar ook als gevolg van interne strijd prominente communisten bij, zoals de secretaris-generaal van de communistische partij Rudolf Slánský, die in 1952 de doodstraf kreeg.

De ‘dooi’ van de jaren zestig bracht veel nieuwe, interessante impulsen en een algemene afkeer van alles wat ideologisch getint was, zodat het socialistisch realisme, dat in de jaren vijftig al ernstig was gedegradeerd, geen kans meer maakte. De meest exemplarische werken bleven verplichte schoollectuur, dus iedere Tsjech met een middelbare opleiding was in staat de hoofdpersonen te noemen en het plot beknopt na te vertellen, maar dat betekende natuurlijk nog niet dat deze boeken echt gelezen werden (laat staan vrijwillig en met plezier). Vooral de zogenaamde ‘opbouwromans’ uit de jaren vijftig, vaak met als thema de collectivisatie van de landbouw, of nog later werk van de (schaarse) schrijvers die tot in de jaren zeventig socialistisch realistische boeken produceerden, konden nooit op een serieuze belangstelling rekenen.

Met de opkomst van de televisie kreeg de ideologische beïnvloeding van het volk een andere vorm. Vooral in de jaren zeventig en tachtig werden TV-series gemaakt waar de traditionele socialistisch realistische procédés nog vagelijk aanwezig waren. De ideologische elementen waren meestal gemaskeerd, want vooral series waarin de nadruk op puur persoonlijke beslommeringen (relaties bijvoorbeeld) lag, konden op succes rekenen. Een paradoxaal gegeven is dat de populairste serie uit die tijd, Nemocnice na kraji města ('Ziekenhuis aan de rand van de stad') al snel verkocht werd aan het toenmalige West-Duitsland en daar succes had. Zo lijkt het dat het socialistisch realistische sprookje onder bepaalde omstandigheden vervaarlijk dicht het genre van onvervalste soap benaderde.



Fučík en ik



Voor het eerst verscheen Julius Fučík in mijn leven op de kleuterschool, ergens begin jaren zestig, in de vorm van een beroemde lithografie van Max Švabinský. Tijdens mijn hele jeugd prijkte hij op de muurkrant in de klas of in de etalages op straat. Een geparafraseerde slotzin uit zijn ‘reportage’ Met de strop om de nek: ‘Lidé, bděte!’ (Mensen, wees waakzaam!) stond er meestal bij vermeld. Juist dit fraaie profiel van een mooie, jonge man, gemaakt welgeteld zeven jaar na zijn dood en zonder dat de kunstenaar hem zelf had gekend, werd de verpersoonlijking van de nationale verzetsheld in Tsjechoslowakije.

Het op kleuterniveau samengevatte verhaal – Onze Julek was als kind al zo voorbeeldig en goudeerlijk, hij jokte niet, hij hielp zijn moeder graag, maar de snode Duitsers hebben hem doodgemaakt – kreeg met de jaren misschien een wat volwassener karakter, maar qua inhoud kwam het steeds op hetzelfde neer: Fučík bleef een in alle opzichten een (ongelooflijk) volmaakt en smetteloos mens. Later op school, ergens eind jaren zestig, kreeg deze bijna onwerkelijke verschijning een stem. We lazen tijdens de les een paar reportages van hem uit de Sovjetunie, opgenomen in onze bloemlezing Tsjechische literatuur. Zijn enthousiasme en grenzeloze bewondering voor de Sovjetunie en het daar ingestelde politieke systeem vonden we, als prille pubers die kort daarvoor de Praagse lente van 1968 en de daaropvolgende inval van de Warschaupacttroepen hadden meegemaakt ronduit belachelijk. Maar ik kan me nog steeds originele beelden en bondige zinnen uit die teksten herinneren, dus kennelijk onderscheidde zijn literaire taalgebruik zich van andere fragmenten uit ons schoolboek.

Fučík kreeg toen ook een echt gezicht. Er stond een foto bij die het uiteraard niet haalde bij het portret van Švabinský: een vrolijke, jongensachtige glimlach, die teleurstellend grote tanden ontblootte met te veel glimmend tandvlees. Zijn mond leek op een gapende wond en dat beeld viel voor mij later samen met zijn beschrijving van Gestapo-verhoren: ‘Ik ga met mijn tong langs mijn mond en probeer de uitgeslagen tanden te tellen.’ Ik moet een jaar of twaalf, dertien zijn geweest toen zijn beroemdste ‘reportage’ Met de strop om de nek aan de beurt kwam als een verplicht nummer op onze boekenlijst. Ondanks alle reserves die je toen, begin jaren zeventig, als elke zichzelf respecterende Tsjechische puber tegenover de officiële communistische helden had, heb ik dat boek echt gelezen en heeft het wel degelijk indruk op me gemaakt.

In die tijd belandden verschillende mensen uit mijn omgeving in de gevangenis wegens hun kritische houding tegenover het door de Russen ondersteunde Husák-bewind. Dat maakte de belevenissen van Fučík in de Praagse Pankrác-gevangenis plotseling des te meer invoelbaar. Zijn tragische einde versterkte alleen maar die indruk. Bij mij thuis werd mijn illusie enigszins verstoord. Mijn ouders kenden verschillende oude communisten die Fučík in de vooroorlogse jaren hadden meegemaakt en die vaak ook zelf actief in het verzet waren geweest. In tegenstelling tot Fučík hadden zij de verhoren, marte-lingen en concentratiekampen wel overleefd. Deze mensen hadden zo hun bedenkingen over de Fučík-mythe als modelverzetsman en uitten die ook (althans privé). Zo hoorde ik via mijn ouders over zijn theatrale, speelse trekjes en zijn bohémien-achtige levensstijl, waardoor hij geen geschikte persoon zou zijn voor het communistische ondergrondse werk. Zijn oude kameraden zetten hierbij een heleboel vraagtekens. Waarom heeft hij zich destijds niet tijdens zijn arrestatie verzet en in plaats daarvan zijn twee revolvers snel in het bed van zijn gastheer en -vrouw gestopt? Heeft hij echt alle martelingen zo heldhaftig doorstaan zonder door te slaan? Was zijn maat Mirek echt de grote verrader? En wat te denken van de positie van Fučík binnen de gevangenis, zijn uitstapjes de stad in of naar een biertuintje in de wijk Braník in gezelschap van ‘zijn’ Gestapo-commissaris Böhm? Was hij soms een soort lokaas, die zijn kameraden op straat moest aanwijzen? En hoe kon hij zijn Reportage (Met de strop om de nek) in de Pankrác-gevangenis schrijven? Dankzij zijn bevoorrechte positie? Of werd het standaardwerkje van het Tsjechische communistische verzet toch pas vlak na de oorlog als propagandastunt gefabriceerd? Fučíks Reportage verviel voor mij door die twijfels al gauw tot de categorie ‘officiële versie, dus niet waar’ en ik verloor er ook elke belangstelling voor, omdat het duidelijk was dat de waarheid op dat moment toch niet te achterhalen was.

Daarin kwam enige verandering in 1977, toen Riva Krieglová, die ik kende als de vrouw van de communistische functionaris František Kriegl (na de bezetting in augustus 1968 was hij de enige van de ontvoerde Tsjechoslowaakse politieke leiders die had geweigerd het vernederende Moskou-protocol te ondertekenen) vertelde dat zij destijds in de groep mensen had gezeten die samen met Fučík gearresteerd was. Ze was de enige die de oorlog had overleefd. Ze was toen nog getrouwd met Pavel Fried en figureert dus in de Reportage met haar toenmalige man als het echtpaar Fried. Ze vertelde dat Fučík veel charme had, gemakkelijk met mensen contacten legde, ongeacht hun sociale achtergrond, en iedereen snel op zijn gemak wist te stellen. Maar ze had veel aanmerkingen op zijn beschrijving van de arrestatie in de Reportage, waarin hij de anderen van onvoorzichtigheid beticht en zelf excuses zoekt voor zijn passieve houding. In haar herinnering verweten juist de anderen Fučík dat hij door zijn overdreven vermomming (hij was op dat moment 39 jaar, maar speelde voor een oude, moeizaam lopende professor Horák) onnodig gevaar liep.

Het was voor mij een hele ervaring haar verhaal te horen en te beseffen dat zelfs de papieren verzetshelden van mijn boekenlijst echte mensen van vlees en bloed waren. Maar in 1977 stond ons leven alweer in het teken van het mensenrechtenmanifest Charta 77. Alle ondertekenaars, dus ook het echtpaar Kriegl, werden op verschillende manieren lastiggevallen en vervolgd, zodat de verzetsverhalen van weleer voor mij weldra door de harde actuele werkelijkheid werden overschaduwd. Fučík was een fossiel uit een ver verleden, bewaakt door zijn in menig opzicht al even fossiele vrouw Gusta, de ‘nationale weduwe’ die ook na de Russische inval hoge functies bleef bekleden in het openbare leven en die een wakend oog hield op alle uitgaven van het werk van haar man. Met mijn onverschilligheid en desinteresse voor Fučík als communistisch ikoon was ik zeker geen uitzondering. Het was en is de houding van de meeste Tsjechen.



Julius Fučík, zijn levensverhaal



Fučík werd geboren in 1903 en tot 1913 heeft hij met zijn ouders in de Praagse arbeiderswijk Smíchov gewoond. Toen is het gezin naar Plzeń (Pilsen) verhuisd. Zijn vader, van beroep metaalarbeider, ging later het toneel op als zanger en diens broer was componist. Fučík zelf trad van kinds af aan op in verschillende toneelstukken. Hij begon al heel jong toneel- en boekbesprekingen te publiceren in verschillende linkse bladen, was al vroeg actief in de marxistische vleugel van de sociaal-democratische partij en toen in 1921 de communistische partij werd opgericht, werd hij daar prompt lid van.

Met zijn eindexamen ‘reálka’ (mulo) op zak begon hij datzelfde jaar als toehoorder literatuurwetenschap aan de Praagse universiteit te volgen, maar hij had daarbij verschillende baantjes en bleef ook in talloze linkse bladen publiceren. Hij werkte onder andere als redacteur van het maandblad Kmen ('Stam', 1926-1929) en toen in 1928 de communistische pers tijdelijk verboden was, nam hij de redactie van het blad Tvorba ('Scheppend werk') over, in 1925 opgericht door de befaamde literaire criticus F.X. Šalda. Fučík maakte van Tvorba een prominent communistisch blad. Toen hij in 1929 afgestudeerd was, wijdde hij zich volledig aan de journalistiek, veelal voor communistische bladen (als bijvoorbeeld Rudé právo – Het rode recht en Rudý večerník – Het rode avondblad). Sinds 1926 was hij lid van Devětsil (letterlijk ‘negenkracht’, eigenlijk een plant), een belangrijke groep kunstenaars, schrijvers/dichters, critici, theatermakers, architecten enzovoort, verwant aan de Russische en Franse avant-garde en met vele buitenlandse contacten (onder andere Bauhaus), die vooral in de jaren twintig toonaangevend was in het Tsjechische culturele leven. Adolf Hoffmeister, een generatiegenoot van Fučík, beschrijft in zijn boek Podoby a předobrazy ('Beelden en voorbeelden')1 hun avontuurlijke jonge jaren in het vooroorlogse Praag als volgt:



‘Ik heb Julek halverwege de jaren twintig leren kennen. We zetten onze eerste stappen bij dezelfde bladen. We ontmoetten elkaar bij Šalda. Bij Devětsil. In eenkoffiehuis. Een keer. Vijf keer. Dagelijks. Een paar keer heeft hij bij me thuis geslapen, toen hij zich voor de politie schuilhield. Hij heeft me gevraagd met hem aan het blad Kmen mee te werken. Ik heb hem gevraagd om voor het blad Pestrý týden ('De bonte week') te schrijven. We zagen elkaar in het Osvobozené divadlo ('Bevrijd theater'). In het theater D 34 van E. F. Burian. In café Národní. In café Slavia. In café Metro. In café U Šupo. In café Dunaj. Eén keer. Zes keer. Dagelijks. Ik heb Julek halverwege de jaren twintig leren kennen en zag hem voor het laatst in het voorjaar van 1939. Ik heb al zijn liefjes gekend. Nee, dat klopt niet, vast niet allemaal. Ik kende zijn goede en slechte eigenschappen. Aan geen van beide had hij gebrek.

Maar ik heb vast een andere Julius Fučík gekend dan jullie vandaag de dag kennen. Jullie kennen een dode held. Ik kende een nog levende vriend.

Als iemand me zou vragen hoe Julek Fučík was, zou het eerste bijvoeglijke naamwoord dat bij me opkomt zijn: vrolijk. En dan misschien: romantisch met alle bijbehorende eigenschappen zoals fantasie, moed en een avontuurlijke geest. (…)

Ik herinner me nog goed onze laatste ontmoeting. Ik stond op het punt naar het buitenland te vertrekken. Julek bleef. Hij was bezig onopvallend te worden. Ik weet niet meer welke laatste anekdote we elkaar hebben verteld, maar we moesten lachen. Niet van gêne om het afscheid. Helemaal niet. Eerder uit baldadigheid. Ik liep weg. Ik draaide me nog eens om. Julek stond wijdbeens midden op straat en lag dubbel van het lachen.’


Fučík combineerde zijn activiteiten binnen de avant-garde met politieke activiteiten en trad daarbij op als een gedisciplineerd partijlid. Toen in 1929 binnen de communistische partij de Moskou-gezinde stroming onder leiding van Klement Gottwald zegevierde en zeven vooraanstaande linkse literatoren protest aantekenden, heeft Fučík samen met Karel Teige, de leidende figuur en theoreticus van Devětsil, een kritische reactie op deze renegaten gelanceerd. Alle voorstanders van een gematigder en autonomer beleid werden uit de partij gezet.

Eind jaren twintig en begin jaren dertig versloeg Fučík grote mijnwerkersstakingen in Noord-Bohemen en maakte hij ter plekke pamfletten, waarvoor hij verschillende keren werd opgepakt. In 1930 bracht hij vier maanden in de Sovjetunie door. Zijn volgende werkbezoek aan dit beloofde land in 1934, als verslaggever van het communistische orgaan Rudé právo, duurde zelfs negen maanden. Hij werkte toen ook voor de radio en de Komintern, de internationale centrale van de communistische beweging in Moskou. Ook toen bleef hij enthousiast en positief berichten over de ontwikkelingen in de Sovjetunie, terwijl uit de getuigenissen van anderen uit die tijd blijkt dat de absurde verering van Stalin, de drukkende sfeer en de doodsangst van mensen om zomaar opgepakt te worden ook voor een buitenlander duidelijk waarneembaar waren. Fučík sprak Russisch (vertaalde zelfs) en had daar veel persoonlijke contacten, inclusief intieme relaties. Maar ook in dit geloof tegen beter weten in stond hij niet alleen.

Fučík ging na zijn terugkeer uit de Sovjetunie door met zijn journalistieke werk en toen in oktober 1938 de communistische partij verboden werd, publiceerde hij in democratisch georiënteerde bladen. In datzelfde jaar trouwde hij met Gusta, die hij al sinds 1923 kende. Dat kan als een stap terug gezien worden van de consequente antibourgeois houding van de vooroorlogse communisten, die naar een nieuwe wereld, een nieuwe mens en vrije liefde streefden.

Op 15 maart 1939 bezetten de Duitse troepen het land en werd het zogenaamd Protektorat Böhmen und Mähren uitgeroepen, terwijl Slowakije een zelfstandige staat en bondgenoot van Hitler werd. Fučík vertrok naar zijn ouders, die op het platteland woonden in de streek Chodsko (West-Bohemen).

Pas halverwege 1940 keerde hij weer terug naar Praag. Dat had kennelijk te maken met instructies van de Komintern, dat als instrument van de buitenlandse politiek van de Sovjetunie opereerde. Sinds de Sovjetunie in 1939 een pact met nazi-Duitsland had gesloten, werden Frankrijk en Groot-Brittannië als de politieke aartsvijanden aangeduid. De illegale communistische cellen moesten zich vooral voorbe-reiden op de socialistische revolutie die na de oorlog plaats zou vinden en waarin de communistische partij een leidende rol zou spelen. Stalin wenste geen herstel van een zelfstandig Tsjechoslowakije na de oorlog, en had voor ogen dat het een onderdeel zou worden van een groter socialistisch geheel van het sovjet-type. Als ander alternatief ging de Komintern er zelfs vanuit dat de nationaal-socialistische revolutie in Duitsland tot een socialistische revolutie zou uitgroeien.

De positie van de Tsjechische communisten in eigen land werd daardoor precair. De instructies vanuit Moskou waren niet alleen in strijd met de Tsjechische nationale belangen, maar ook met de dagelijkse praktijk: de communisten werden namelijk door de bezetter intensief vervolgd. Zo werd in februari 1941 bijna het hele eerste illegale Centraal Comité door de Gestapo opgepakt. Wie echter de Komintern-richtlijnen niet wilde opvolgen, werd uit de partij gezet. Er zijn aanwijzingen dat ook Fučík geschokt was door de richtlijnen van de Komintern en daarom in 1939 Praag had verlaten om zich bij zijn ouders te voegen en zich aan het schrijven van literaire studies te wijden. Hij heeft zich echter nooit in het openbaar van het Komintern-beleid gedistantieerd en ook wanneer hij dit probleem in de Reportage aansnijdt, vermijdt hij elk kritisch commentaar.

Pas na de aanval van Hitler op de Sovjetunie in 1941 mochten de communisten zich actief bij het verzet aansluiten. Zij maakten graag gebruik van het al bestaande niet-communistische net werk en legden opnieuw contacten met de eerder uit de partij gezette ‘ongehoorzame’ kameraden die ook zonder toestemming van Moskou in het verzet waren gegaan. Fučík was sinds juni 1941 in contact met het tweede Centraal Comité, redigeerde verschillende ondergrondse communistische bladen en probeerde het verzet in de Tsjechische culturele kringen te organiseren. Formeel gezien was hij geen lid van het Centraal Comité, omdat zijn benoeming door Moskou tijdelijk niet bekrachtigd kon worden. Het contact met de Moskouse leiding was toen namelijk voor lange tijd verbroken en het lukte niet dit te herstellen. Maar in de praktijk was hij zeker een van de drie leidende figuren. Op 24 april 1942 werd hij gearresteerd en zat hij ruim een jaar in de Praagse Pankrác-gevangenis. Daar heeft hij tussen april en juni 1943 zijn Reportage geschreven en die met behulp van twee van zijn bewakers naar buiten gesmokkeld. In juni 1943 werd hij overgebracht naar Dresden, toen naar Bautzen en vervolgens naar Berlin-Plötzensee. Daar werd hij ter dood veroordeeld en op 8 september terechtgesteld.



De Reportage – historische feiten



Hoe is dit werk ontstaan? Is het echt of berust alles op mythe? Is door de censuur in het verhaal ingegrepen? De Fluwelen Revolutie van 1989 heeft ook in deze zaak openheid gebracht. In 1995 werd voor het eerst de integrale tekst met een uitvoerig commentaar gepubliceerd.2 Er wordt hierin aandacht besteed aan de historische aspecten van het verhaal en aan de literaire waarde van het boek, in een poging op basis van recent beschikbaar gekomen materiaal de waarheid te achterhalen. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat de tekst authentiek is, maar decennia lang met weglatingen werd uitgegeven, zodat de oorspronkelijke bedoeling van de auteur vertekend is.

Het feit dat Fučík in de Pankrác-gevangenis zo’n relatief uitgebreid werk heeft kunnen schrijven is te danken aan een unieke samenloop van omstandigheden. Hij werd benaderd door de Gestapo-bewaker Adolf Kolínský (een Sudeten-Duitser uit een gemengd, Duits-Tsjechisch gezin) die voor een heleboel politieke gevangenen koeriersdiensten binnen en buiten de gevangenis verrichtte. Hij bood Fučík zijn hulp aan. In samenwerking met de Tsjechische politieman Jaroslav Hora leverden deze twee Fučík schrijfgerei. Op strookjes papier (afval van een papierfabriek), dat eigenlijk als toiletpapier was bedoeld, kon hij zo zijn Reportage schrijven.

Het grootste deel van Fučíks briefjes werd in een weckpot begraven in een tuin in Humpolec, ongeveer 100 kilometer ten zuidoosten van Praag. In juni 1945 heeft Gusta Fučíková een boodschap ontvangen van een ex-medegevangene van Fučík over het bestaan van die briefjes. Ze kreeg het advies zo spoedig mogelijk contact op te nemen met Kolínský. Meteen in de zomer van 1945 werden op initiatief van het Centraal Comité een aantal veranderingen in de tekst aangebracht, waaronder de belangrijke weglating, zodat de Reportage vanaf de eerste uitgave (1945) al in verminkte vorm verscheen. De weggelaten passage betrof ‘het hoge spel’ dat Fučík na de aanslag op de waarnemend-Reichsprotektor Heydrich met de Gestapo besloot te spelen. De aanslag op Heydrich uitgevoerd door twee Tsjechische, in Engeland opgeleide parachutisten, vond plaats op 27 mei 1942 en als gevolg daarvan werd het standrecht uitgeroepen. Ruim 2000 burgers, waaronder veel vooraanstaande verzetsmensen en sleutelfiguren van het Tsjechische culturele leven werden zonder proces terechtgesteld. Uit Fučíks dossier blijkt dat hij de Gestapo wijsmaakte ze in contact te kunnen brengen met Jan Šverma, een prominente communistische functionaris van de naar Moskou uitgeweken centrale leiding van de partij. Šverma zou zich op dat moment in het protectoraat ophouden. Hier volgt de weggelaten passage. De inleidende en afsluitende zinnen komen uit de Nederlandse vertaling Met de strop om de nek, de weggelaten passage staat cursief:



‘We hebben altijd met de dood rekening gehouden. Wij wisten: als wij in handen van de Gestapo vallen, dan betekent dat het einde. Wij wisten dat en wij hebben in overeenstemming daarmee gehandeld. Nu is hier wellicht een verklaring op zijn plaats, waarom ik zelf na een tijd enigszins anders te werk besloot te gaan.

Zeven weken praatte ik niet. Ik was me ervan bewust dat geen woord mij kon redden, maar het kon wel mijn kameraden buiten in gevaar brengen. In mijn zwijgen school mijn activiteit.

Klecan sprak echter wel. Er waren hier al enkele mensen van de intelligentsia. En toen kwam het standrecht. Massale arrestaties en terechtstellingen zonder lange vehoren. De Gestapo com-bineerde: Vančura wel, waarom anderen dan niet? Waarom niet S.K. Neumann? Waarom niet Halas? Waarom niet Olbracht? Die drie werden mij rechtstreeks aangeduid als auteurs van artike-len in de Rudé právo. Hun arrestatie was op handen. En arrestatie, dat betekende een wisse dood. Er stonden nog anderen op het programma: Nezval, Seifert, beide Vydra’s, Dostal en om mij al helemaal onduidelijke redenen zelfs Frejka en die alleskunner Bor. Als ik voor de Gestapo gelijk mijn hart zou uitstorten, zou ik in de meeste gevallen geen kwaad aanrichten. Maar daar ging het nu niet om. Het ging om iets anders: kon ik hen met mijn zwijgen redden? Was mijn zwijgen nog actief? Was het niet passief?

Ik moest antwoord geven op deze vraag. En dat heb ik ook gegeven. Ik let goed op wat er om me heen gebeurt en met wie ik te maken heb. Zeven weken bij de Gestapo hebben mij veel geleerd. Ik heb die almachtige mensen hier leren kennen, hun methoden, hun niveau. Ik heb begrepen dat ik zelfs hier een kans heb om strijd te voeren; met heel andere middelen dan buiten, maar met dezelfde bedoeling en dezelfde strekking. Blijven zwijgen betekende deze kans te laten lopen. Nu was meer nodig, wilde ik later kunnen zeggen dat ik op een willekeurige plaats en in alle situaties mijn plicht vervuld heb. Nu moest ik met een groot spel aanvangen. De inzet was niet ik – dan had je gelijk verloren – maar de anderen. Ze verwachtten iets sensationeels van me. Dus dat kregen ze ook. Ze hadden hoge verwachtingen van mijn praten. Dus ‘praatte’ ik. Hoe, dat vindt u in mijn proces verbaal.

Het effect was zelfs beter dan verwacht. Ik heb hun aandacht een heel andere richting op gestuurd. Ze vergaten de Neumanns, de Halassen, de Olbrachten. Ze hebben de Tsjechische intelligentsia met rust gelaten. Ik heb achteraf de vrijlating van de gearresteerde Božena Polpánová en Jindřich Elbl bewerkstelligd, op hun getuigenis beroep ik mij. En meer. Ik heb vertrouwen gewonnen en ging door. Enkele maanden lang joegen ze op een waanbeeld dat – zoals elk waanbeeld – groter en aanlokkelijker was dan de werkelijkheid. En de werkelijkheid buiten kon ondertussen verder werken en groeien tot een grootte die alle waanbeelden voorbijstreeft. Ik kwam toen in de gelegenheid om rechtstreeks in zaken in te grijpen die hier kwamen, en deze ingrepen ‘zijn niet zonder gevolgen gebleven’. Het was het enige werk dat ik als ‘Hausarbeiter’ in het Petschek-paleis met overgave uitvoerde.

Dat ik daardoor mijn dood heb uitgesteld, dat ik daarmee tijd won die misschien in mijn voordeel zou kunnen werken, was een onverwachte meevaller.

Een jaar lang heb ik met hen een toneelstuk geschreven waarin ik voor mezelf de hoofdrol heb gereserveerd. Soms was het vermakelijk, soms uitputtend, maar altijd dramatisch. Elk spel heeft echter een einde. Hoogtepunt, crisis, ontknoping. Het doek valt. Applaus. Toeschouwers, ga maar slapen!


Ook mijn spel loopt ten einde. Dat heb ik al niet meer opgeschreven. Dat weet ik al niet meer. Dat is geen spel meer. Dat is het leven.

En bij het leven zijn er geen toeschouwers.

Het doek gaat op.

Mensen, ik heb jullie liefgehad. Wees waakzaam!’3


Uit de nieuw beschikbare bronnen (onder andere het proces-verbaal van de rechtszaak) kan men afleiden dat Fučík – ondanks zijn ‘spel’ – geen schade heeft toegebracht aan het verzetsnetwerk en dat zijn maat Mirek (in de nieuwe uitgave onder zijn echte naam Jaroslav Klecan) inderdaad vrijwel meteen na de arrestatie doorsloeg en door zijn toedoen een hele reeks nieuwe arrestaties, meestal met de dood tot gevolg, heeft ontketend. Het commentaar bij de integrale uitgave vat de uitkomst van het onderzoek goed samen: ‘Menig feit was in werkelijkheid anders, maar niet perse precies andersom.’



De Reportage – inhoud, opbouw en cultus



De Reportage bestaat uit een inleiding en acht hoofdstukken. Daarin kijkt Fučík terug op zijn arrestatie een jaar eerder en op zijn volgende verblijf in de Pankrác-gevangenis. Hij geeft karakteristieken van zijn celgenoten, verschillende bewakers en van ander personeel in de gevangenis, hij beschrijft zijn ervaringen uit het verzet, maar enkele keren onderbreekt hij deze terugblik door een ‘intermezzo’ dat in het hier en nu (dus in het voorjaar 1943) speelt. Een van deze intermezzo’s bevat ook zijn testament, vooral met aanwijzingen betreffende de toekomstige publicatie van zijn werk.

Door deze doordachte structuur onderscheidt de Reportage zich duidelijk van andere, onder soortgelijke omstandigheden ontstane teksten, die meestal de vorm van fragmentarische, dag-boekachtige aantekeningen hebben. Volgens Vladimír Macura, die het literaire commentaar bij de eerste integrale uitgave heeft geschreven, getuigt dat van de wil van de auteur om in zijn machteloze positie in ieder geval de opbouw van zijn werk stevig in handen te hebben en op die manier een kleine speelruimte te behouden waarin hij zelf bepaalt wat er gebeurt. Het lijkt erop dat zelfs dat ‘hoge spel’ met de Gestapo voor een geraffineerd spanningsmoment in het verhaal had moeten zorgen. Toen Fučík echter begreep dat hij binnenkort naar Duitsland overgebracht zou worden, heeft hij het in allerijl ter afsluiting van het werk opgeschreven.

De nadrukkelijke aanduiding ‘reportage’ verwijst naar de discussies gevoerd binnen de avant-garde over nieuwe genres en de verheffing van de journalistieke procédés of populaire lectuur tot volwaardige literatuur. De these van de bekende linkse Praags-Duitse journalist E.E. Kisch uit 1929: ‘Román? Ne, reportáž.’ (Roman? Neen, reportage.) vat het treffend samen. In de visie van Fučík was de reportage een subjectieve, emotioneel geaccentueerde vorm ergens tussen literatuur en politieke publicistiek in.

De Reportage werd na de eerste uitgave meteen heel populair in eigen land – in eerste instantie naast een aantal andere boeken die de oorlogstijd beschreven. De grote internationale doorbraak kwam vooral na de Russische uitgave (eerste in 1946). Het boek werd al snel ook in andere talen vertaald: alleen al in de periode tot 1951 in totaal in 51 talen, waarvan 23 in de Sovjetunie. De eerste Nederlandse uitgave – Met de strop om de nek, Pegasus, vertaald door M. van Emde Boas en Willy Berg – stamt uit 1948 en kent ook verschillende drukken. Maar de echte Fučík-cultus kwam pas goed tot ontwikkeling eind jaren veertig, begin jaren vijftig, met een hoogtepunt in het jaar 1953 – tien jaar na de dood en vijftig jaar na de geboorte van de auteur, tevens het sterfjaar van Stalin en Gottwald en het absolute hoogtepunt van het stalinisme.

Fučík werd symbool van de nieuwe mens in gedichten van bijvoorbeeld de latere dissident Pavel Kohout of de later beroemde Tsjechisch-Franse schrijver Milan Kundera (wat nu door de auteurs uiteraard beschouwd wordt als jeugdzonde). Daarin loopt Fučík postuum in de 1 mei-optochten of weerstaat hij dapper tijdens een uitje naar de Praagse Burcht de verleidingen van commissaris Böhm om toch te praten en zo zijn leven te redden (dit laatste is trouwens gebaseerd op een echte gebeurtenis beschreven in de Reportage). In die tijd werd verondersteld dat dit dunne boekje een vaste uitrusting, een soort nieuwe bijbel zou moeten zijn van elke jongere. Onder de naam ‘Fučík-speldje’ (Fučíkov odznak) werd een massale campagne ontketend ter promotie van ‘progressieve’ (lees: socialistisch realistische) boeken van eigen, maar met name Russische makelij. Vooral mensen in een machteloze positie, zoals soldaten in dienst of scholieren, werden gedwongen bepaalde boeken te lezen en daar voor een commissie verslag van te doen om het begeerde speldje te verdienen.

Aan deze symboliek heeft Fučík zelf bijgedragen met zijn Reportage, of zoals Macura het formuleert: ‘Hoe kritisch en demythiserend we de tekst ook lezen, we kunnen niet ontkennen dat Fučík heel nauwkeurig de naoorlogse situatie heeft aangevoeld, hij heeft feilloos de waarden en de daaruit voortvloeiende concrete poëtica ingeschat en hij is erin geslaagd om met een vooruitziende blik een ideaal ‘modelboek’ voor die tijd te schrijven – een ‘standaardwerk’ van de Tsjechische socialistische literatuur, dus niet alleen agitprop-materiaal ten behoeve van de partij. Het boek, geschreven in 1943 in de Pankrác-gevangenis, bood voor het ‘nieuwe tijdperk’ van het socialisme een eenduidig en ongecompliceerd type held: jong, sterk (‘Moeder, vader, waarom hebben jullie mij zo sterk gemaakt?’), onoverwinnelijk, compromisloos, verbonden met de toenmalige cultus van jeugd en lente, geheel in overeenstemming met het naoorlogse chiliasme en het utopische, mythiserende concept van de werkelijkheid die beide vooral na de communistische putsch van februari 1948 tot ontwikkeling kwamen. Hier wordt vrijwel de hele emblematiek van de ‘post-februari’-cultuur opgebouwd: de laatste slag, de eeuwig stralende zon, 1 mei, de Internationale, de Sovjetunie, het lied, de strijd, de arbeid, de toekomst, de vrouw-strijdster (‘Kijk, dat is Guusje! Liefde en trouw.’), een gewone zoon van het volk, een prachtmens, de overwinning op de eenzaamheid (‘Gevangenen en eenzaamheid. Deze twee beelden vloeien meestal in elkaar over. En dat is een grote vergissing. De gevangene is niet alleen, de gevangenis is een groot collectief.’).

Hoewel Fučík zelf aan zijn toekomstige heldenrol bewust heeft bijgedragen, is het maar de vraag wat hij met zijn avantgardistische achtergrond zelf van zijn toenmalige grenzeloze verering zou hebben gevonden. Alleen al het feit dat zijn ‘staatsieportret’ juist door de nestor van de Tsjechische academische schilderkunst Max Švabinský (1873-1962) werd gemaakt, die voor de hele vooroorlogse avant-garde synoniem was met lege, ‘alleen maar mooie’ kunst, geeft te denken.

Een andere vraag, nog moeilijker te beantwoorden, is of Fučík ook zelf de politieke processen van de jaren vijftig zou hebben overleefd. Uit de documenten blijkt namelijk dat op het hoogtepunt (1952-1953) van zowel zijn verering als de processen de zaak Fučík achter de coulissen aan een revisie werd onderworpen en verschillende ex-verzetsmensen door de geheime dienst over Fučík werden verhoord. De lotgevallen van de generatiegenoten van Fučík zijn op zijn minst kleurrijk en ook maar al te vaak tragisch, omdat tijdens de politieke processen van de jaren vijftig vroegere waarden, zoals verzet tegen de nazi’s of streven naar een herstel van de zelfstandige staat, in twijfel werden getrokken. We zullen nooit weten of hij – bijvoorbeeld net als zijn vrouw Gusta of zijn vriend en medeuitgever van zijn werk Ladislav Štoll – alle grillen van het totalitaire regime zonder kleerscheuren zou hebben overleefd. Misschien zou ook hij voor jaren in de communistische gevangenis zijn beland of zelfs zijn terechtgesteld.






1 Adolf Hoffmeister, een bekend tekenaar-karikaturist en tijdgenoot van Fučík. Deze passage komt uit zijn boek Podoby a předobrazy (Praag, 1988). Dit fragment werd vertaald door Magda de Bruin-Hüblová.
2 Julius Fučík: ‘Reportáž, psaná na oprátce’, První úplné, kritické a komentované vydání (J.F.: Met de strop om de nek, eerste volledige, kritische en becommentarieerde uitgave), Torst, Praag, 1995.
3 Uit: Julius Fučík, Met de strop om de nek, Pegasus, vertaald door M. van Emde Boas en Willy Berg. Pegasus 1948. Het gecursiveerde gedeelte is van Magda de Bruin-Hüblová.



<   

TSL 29

   >