Jenny Stelleman



Via Europa naar Amerika: het Moskous Kunsttheater op tournee



Amerika trok heel veel Russische kunstenaars zowel voor als na de Revolutie. Na de Revolutie was Amerika de grootste vijand van de Sovjet-Unie; het Amerikaanse kapitalisme en individualisme werden sterk veroordeeld, maar ook al daarvoor werd er door de Russen verschillend en vaak negatief over Amerika gedacht. Sommige kunstenaars, zoals Tsjajkovski en Roebinstein die voor de Revolutie in Amerika geweest waren, kwamen enthousiast terug, maar andere zeker niet. Amerika werd vaak afgedaan als een land waar geen goede smaak is, men niets van kunst begrijpt en iedereen alleen op geld uit is. ‘Naar Amerika gaan’ was overigens ook een uitdrukking voor een gewelddadige dood, wat ook niet bijdroeg aan een positief beeld. Toch wilden ook hele theatergroepen hun geluk in Amerika beproeven, zoals het theater van Komissarzjevskaja, dat er al in 1908 heen ging, maar van een koude kermis thuiskwam. Veel meer succes had het Moskous Kunsttheater, dat met de regisseur Stanislavski twee tournees door Amerika maakte – van 4 januari 1923 tot 7 juni 1923 en vervolgens van 23 november 1923 tot mei 1924. Hieraan voorafgaand werden door het Kunsttheater in 1906 en in 1919 twee tournees door Europa gemaakt, waardoor het al veel naamsbekendheid kreeg. Overigens bewoog Stanislavski zelf zich al langer op internationaal niveau door zijn contacten met bekende schrijvers, onder wie Maurice Maeterlinck en Eugene O’Neil, of door internationaal bekende kunstenaars bij zijn gezelschap te betrekken. Kortom: toen dit theater naar Amerika ging, was het al in Europa een internationaal bekend fenomeen en als zodanig werd de groep ook ontvangen. Voordat ik inga op deze tournees wil ik eerst even een korte blik werpen op de geschiedenis en het ontstaan van dit theater. Het bracht namelijk enorme hervormingen teweeg, die we heden ten dage, meer dan 125 jaar later, nog steeds zelf in het theater kunnen zien.

Tegen het einde van de negentiende eeuw was de situatie waarin het theater in Rusland zich bevond weinig inspirerend. Er waren toen hoftheaters en privétheaters van ondernemers, er was censuur en een standaardrepertoire van melodrama’s en vaudevilles, die erg populair waren. De acteurs hadden geen enkele status, er waren geen toneelscholen en ook geen opvattingen over acteren: men acteerde op ‘gevoel’. Vaak had een toneelgroep één of twee steracteurs die de gehele groep droegen. Het was de gewoonte voor acteurs om dezelfde soort rollen te spelen en daarbinnen een geheel eigen repertoire van gebaren, mimiek en uitdrukkingen te ontwikkelen, die in elk stuk wel ergens opdoken. Dit waren tekens van automatische herkenning, een belangrijke factor voor het publiek dat voornamelijk voor de steracteurs kwam. Over het algemeen was er middelmatig mechanisch spel, uitzonderingen zoals Michail Sjschjepkin daargelaten, er waren clichégebaren, veel pathos, en declamatie met een onnatuurlijke dictie. De acteurs wachtten op het podium op hun beurt en speelden alleen naar het publiek toe. Er waren zeer weinig repetities en een groot aantal stukken volgden elkaar heel snel op, dit bracht het meeste geld in het laatje. De decors van beschilderd canvas waren standaard, een provincie- en een stad-set, coulissen ontbraken. De technische mogelijkheden zoals het licht en bewegend decor waren zeer beperkt. Kaarten waren relatief duur. Het publiek wilde voornamelijk amusement, het kwam en ging wanneer het maar wilde en at en dronk tijdens de voorstelling. Dit was de algemene hier enigszins gechargeerde stand van zaken.

Aleksandr Ostrovski, schrijver en directeur van het Maly Theater, was ook bezig om zich te oriënteren op vernieuwingen binnen het theater, maar het was Konstantin Sergejevitsj Stanislavski die hiervoor een echt fundament ontwikkelde. Hij was de zoon van een rijke fabrikant, Sergej Aleksejev, die leefde als een aristocraat. De familie bezat een groot huis in Moskou en ook een landgoed in Ljoebimovka. Alle tien kinderen waren geïnteresseerd in de podiumkunsten. Zij waren van jongs af aan gewend naar het theater te gaan en om te spelen in het kleine theater dat hun vader had gebouwd op het landgoed. Toen ze ouder waren deed een aantal van hen mee in de amateurtoneelgroep Aleksejevski kroezjok, die hun broer Konstantin had opgericht.

Samen met Nemirovitsj-Dantsjenko, de opvolger van Ostrovski in het Maly Theater, wilde Stanislavski een professioneel theater oprichten. In 1897 schreven ze een gezamenlijk manifest, waarin zij protesteerden tegen alle elementen die ik hierboven heb genoemd. Ze verzetten zich met name tegen de oude manier van acteren ‘op gevoel’. Dit is een volstrekt onvoorspelbaar element, en een echte training zou de acteur hiervan onafhankelijk maken. Acteren is een artistiek ambacht, daarom werd er een training opgezet die uniek was in de wereld. Stanislavski werkte hier zijn hele leven aan, hij noteerde alles wat problemen bij hemzelf en bij andere acteurs opleverde en probeerde daar een oplossing voor te vinden. Ook al schreef hij later zijn boeken over acteren, dan nog was het voor hem nooit een afgesloten systeem, maar iets wat zich altijd verder kon en moest ontwikkelen. Zelfs op zijn sterfbed stond de aktetas met zijn notitieboek naast hem. In dit zogenoemde ‘systeem van Stanislavski’ stond inleving of identificatie van de acteur met zijn rol centraal. De acteur speelde in dit systeem niet steeds maar één rol, zoals vroeger, maar juist zoveel mogelijk rollen, waarvan je als acteur steeds opnieuw een leven lang kon leren.

revolutionaire vernieuwing



Het theaterconcept van Stanislavski was volledig geënt op realisme. Daarom werden alle middelen aangewend om een zo realistisch mogelijke wereld te creëren. Zo moesten in ieder geval het decor en de rekwisieten zo realistisch mogelijk zijn, geen beschilderd canvas meer, maar driedimensionale decors. Voor het eerst in de Russische theatergeschiedenis werden nu architecten, schilders en beeldhouwers aangetrokken voor het bouwen van de decors. Bij historische stukken dook men in de archieven van de musea en werden er maquettes gemaakt. Werd een Noors stuk opgevoerd, dan moesten de rekwisieten uit Noorwegen komen. Dit alles moest zowel de acteur als het publiek helpen om zich volledig te kunnen inleven. In het begin liet Stanislavski zelfs de decors achter de coulissen doorlopen zodat de overgang van off stage naar het toneel voor de acteur gemakkelijker was. Verder verliepen de changementen geheel en al geruisloos en onzichtbaar in het donker door mannen in het zwart gekleed. Er kwamen realistische geluiden, geblaf, gekwaak, donder en bliksem, et cetera. Ook het toenmalige publiek moest opgevoed worden: met een bel werd het begin van de voorstelling aangekondigd; eten, drinken, en spreken onder de voorstelling, te laat komen of opstaan om even weg te gaan, dit alles werd nu verboden. Waarom? Omdat dit het inlevingsproces van zowel het publiek als de acteur en ook de illusie van realiteit zou verstoren. Deze uiterlijke aspecten hielpen de acteur wel om zijn concentratie vast te houden, maar brachten nog geen realistische emoties in hem teweeg.

Stanislavski keerde zich tegen de oude manier van acteren die hij een ‘mechanische reproductiemethode’ noemde en tegen het feit dat de acteur emoties bij het publiek opriep die hij zelf niet had, dit noemde hij de ‘theatrale leugen’ (teatral’naja lozj). Daarom moest de emotie ook uit het leven gehaald worden, emotie kun je niet acteren, alleen maar voelen. Alle handelingen en emoties in het theater moesten innerlijk gerechtvaardigd zijn. Iedereen heeft een emotie-geheugen waarin hij opslaat wat hij ooit beleefd heeft, dit onbewuste geheugen kan je met technieken bereiken. Eigenlijk wilde Stanislavski een nieuw soort artistieke tekens in het theater invoeren. Deze betrok hij dus niet uit het traditionele theatrale register, dat nog uit de barok stamde, maar uit de ‘ware’ spontane tekens van het individu. De voorkeur voor waarheidsgetrouwheid stamt natuurlijk uit de realistische norm die toen heerste, die overigens door het aankomende symbolisme al snel in twijfel werd getrokken, maar hierover later. Stanislavski verrijkte dus het gehele repertoire van theatrale tekens door middel van een nieuw en toentertijd onconventioneel soort tekens gebaseerd op ware emoties, waarbij mimiek, ogen, stem, timbre en intonatie veel belangrijker werden dan de vroegere pathetische expressie en de grote traditionele gebaren. Daarom moest het publiek stil en geconcentreerd zijn, anders zou deze subtielere lichaamstaal niet opgemerkt kunnen worden.

Een goede groepsgeest was volgens Stanislavski heel belangrijk, daarom werd het de gewoonte om gezamenlijk een stuk te lezen, soms met de auteur erbij. Zo kreeg je een algemeen idee van het stuk en aan die idee werden alle rollen aangepast. Alle rollen, hoe klein ook, werden serieus aangepakt. Het eerste wat een acteur moest doen als hij een rol kreeg, was zich voorstellen hoe zijn personage in het dagelijks leven was, hoe hij liep, stond, at, zijn thee dronk, sprak, enzovoorts. Hiervoor moest hij in eerste instantie uit zijn eigen levenservaring putten en doormaken wat het personage doormaakte, vervolgens moest hij zelf over een uiterlijke aanpassing, kleding, denken en pas daarna leerde hij zijn tekst. De acteur moest zijn personage in elke voorstelling verder ontwikkelen. Op het toneel moest hij altijd actief dit personage zijn en niet, zoals vroeger, op zijn beurt van spreken wachten. Verder mocht hij zich niet publiek-bewust opstellen en moest hij zelfs zijn rug ernaar toekeren als de situatie dit vereiste. Dit werd het vierde wand-principe genoemd, de acteur acteerde alsof hij thuis was, zonder publiek. Men noemde dit ook wel het sleutelgat-principe, want het publiek werd nu eigenlijk een soort voyeur die door het sleutelgat keek. Op het podium moest de acteur zowel ontspannen als geconcentreerd zijn, hierbij kwam het magische ‘als-principe’ om de hoek kijken: als ‘als’ verschijnt wordt de acteur van de realiteit in het imaginaire gezogen en zodra hij op het podium is wordt het imaginaire werkelijkheid.

het moskous kunsttheater - mcht



Het theater dat Stanislavski met Nemirovitsj-Dantsjenko oprichtte kreeg de naam Moskovski Choedozjestvenny Teatr (MCHT in het vervolg), het Moskous Kunsttheater. Ook al was Stanislavski van rijke komaf, toch heeft hij alleen in het begin eigen geld in het theater geïnvesteerd. Overigens werkte hij lange tijd ook nog op de fabriek van zijn vader naast zijn toneelcarrière. Het MCHT was een privétheater met aandeelhouders, waarvan Savva Mamontov de belangrijkste was. Het streven was dat het theater financieel zijn eigen broek moest kunnen ophouden. Dit lukte het eerste jaar maar ternauwernood. Het stelde zich ook ten doel om algemeen toegankelijk te zijn, het moest het publiek bewust maken van de sociale stromingen en opende een raam naar de westerse wereld met stukken van Ibsen, Strindberg en Maeterlinck. In het begin werden veel historische stukken gespeeld, maar algauw raakte het theater verbonden met Anton Tsjechov. Zijn Tsjajka (De meeuw) werd een groot succes. De uitgangspunten van Stanislavski werkten heel goed voor Tsjechovs stukken, waarin alle personages bijna even belangrijk waren en je niet van één held kon spreken. Een eerdere opvoering van Tsjajka door een traditioneel gezelschap was helemaal geflopt, zodanig dat Tsjechov weggelopen was en latere uitvoeringen in de twee hoofdsteden had verboden, het stuk mocht alleen nog in de provincie opgevoerd worden. Door tussenkomst van Nemirovitsj-Dantsjenko kon het MCHT het toch opvoeren, en ook Tsjechov was over de opvoering te spreken. Door het enorme succes was het theater dit eerste jaar ook financieel gered en uit dankbaarheid werd van nu af aan en tot op de dag van vandaag de meeuw zijn embleem.

Het MCHT luidde het begin van het moderne theater in, voor het eerst was een productie gebaseerd op een consistente esthetische methode. Dit markeerde meteen het begin van een intensieve discussie over de essentie en de toekomst van het theater, waarbij het MCHT zelf ook onderwerp van kritiek werd. Stanislavski erkende weliswaar dat acteren en theater een eigen esthetiek vereisen, maar hij onderwierp deze aan de nabootsing van de werkelijkheid, waarbij hij eigenlijk de autonomie van het theater als zelfstandige kunstuiting met haar eigen wetten modelleerde in een psychologisch-realistisch, theater = werkelijkheid, concept.

Hierop kwam al snel kritiek. In 1902 verscheen een essay van de symbolist Valeri Brjoesov, getiteld ‘Nenoezjnaja pravda’ (‘Een onnodige waarheid’), waarin die nauwgezette nabootsing van de werkelijkheid gehekeld wordt. Het theater moet het publiek juist uitnodigen en activeren om zelf na te denken en de fantasie te laten werken.

In 1904 begon een artistieke verwijdering tussen Nemirovitsj-Dantsjenko en Stanislavski al zichtbaar te worden. Waar de laatste de acteur centraal stelde, vond de eerste de rol van de regisseur veel zwaarder wegen. Dit was ook het jaar waarin Tsjechov overleed. Gorki zou zijn plaats als centrale auteur innemen, maar Nemirovitsj-Dantsjenko kraakte zijn stuk Kinderen van de zon helemaal af en Gorki vertrok. Savva Mamontov overleed in 1905. Stanislavski gaf Meyerhold een studio om nieuwe ideeën uit te werken, maar uiteindelijk werkte dat contraproductief en kwam het tot een artistieke ruzie. Er waren dus genoeg interne problemen, maar ook politieke. Inmiddels was de Februaristaking uitgebroken, die voor veel chaos en onzekerheid in het land zorgde.

Het publiek kwam niet omdat de kogels de toeschouwers om de oren vlogen. Het MCHT had al plannen gemaakt om op tournee te gaan door Duitsland en die werden van eind februari tot mei in 1906 uitgevoerd. Hier werd het zaadje geplant voor de grote Europese erkenning die het theater toen en later ten deel viel. De gezinnen van Stanislavski en Nemirovitsj-Dantjsenko gingen mee met het gehele gezelschap. Eerst deden ze Berlijn aan, daarna ging het naar Dresden, Leipzig, Praag en Frankfurt. In Berlijn hadden ze een moeizame start. De decors die ze hadden besteld waren er niet en dus moesten ze zelf aan de slag, er was geen tijd om met affiches zichzelf te promoten, dus waren er in het begin lege zalen. Maar allengs begon het publiek te komen en toen uiteindelijk keizer Wilhelm zelf kwam kijken, kwamen de uitverkochte zalen in zicht. Een betere promotie was er niet. Hierbij moeten we niet vergeten dat alle uitvoeringen in het Russisch waren; desondanks waren de uitvoeringen overal een daverend succes.

Terug in Rusland wijdde Stanislavski zich steeds meer aan de acteurstraining, iets waarover Nemirovitsj-Dantsjenko grote twijfels had, met name het enorm grote aantal repetities vond hij overdreven. Stanislavski trok zich terug uit de Raad van Beheer en ze spraken af dat ze ieder een stuk per seizoen zouden doen zonder enige inmenging van de ander. Nemirovitsj-Dantsjenko had nu de touwtjes in handen. Stanislavski probeerde steeds meer jonge acteurs aan te trekken, bijvoorbeeld Jevgeni Vachtangov en Michail Tsjechov om zijn systeem uit te proberen – niet alleen omdat de oudere acteurs hier minder ontvankelijk voor waren, maar ook om nieuw bloed te creëren. Hiervoor richtte hij een aantal studio’s op om te experimenteren.

In totaal waren er van 1912 tot en met 1938 soms naast elkaar, soms elkaar op volgend zes studio’s, de eerste vier waren verbonden met het MCHT. De derde studio, waarvan Jevgeni Vachtangov de leider was, staat ook nu nog bekend als het Vachtangov Theater. De laatste twee studio’s, De Bolsjoi Opera Studio (vanaf 1918) en de Muziek Studio (vanaf 1919) markeren respectievelijk zowel Stanislavski’s als Nemirovitsj- Dantsjenko’s toenemende interesse in opera.

De Revolutie in 1917 werd door alle toenmalige theaterregisseurs, Meyerhold, Jevreinov, Tajrov, maar ook Stanislavski en Nemirovitsj-Dantsjenko omarmd, maar dwong de laatste twee, die elkaar soms tijden niet zagen of spraken, om samen naar een oplossing te zoeken om hun theater te redden, omdat alle theaters meteen genationaliseerd werden. In eerste instantie stond het MCHT namelijk als ‘bourgeois’ te boek, maar door persoonlijke protectie van Lenin kon het blijven bestaan. Dit had ook te maken met het feit dat het theater veel goodwill in het buitenland had en met veel intellectuelen aldaar in contact stond.

Hoewel Lenin het medium film eigenlijk als het nieuwe grote onbevlekte (niet bourgeois) medium voor de Revolutie zag, moest hij het de eerste chaotische jaren toch echt met het theater stellen, want ook hier waren de pedagogische en propagandistische mogelijkheden overduidelijk. Ingevoerd werd het agitprop-theater en de propagandatreinen, die met behulp van performances de stand van zaken tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het front verspreidden, op theatrale wijze de krant voorlazen en ook korte performances gaven vol met propaganda. We moeten niet vergeten dat toen zeker 65% van de bevolking nog analfabeet was. Iets later werden hele filmstudio’s in de trein geïnstalleerd, waarin ook Eisenstein werkte. En er waren natuurlijk de enorme massa-spektakels.

Een van de bekendste was De Inname van het Winterpaleis door Jevreinov in 1920, toen de derde verjaardag van de Revolutie gevierd werd. Dan was er ook nog de organisatie Proletkult, die een enorme aanhang door het hele land had en opgericht was door Bogdanov en Gorki. Hun programma had tot doel de arbeiders en de boeren te verlichten en te onderwijzen, en het analfabetisme te bestrijden. Er waren honderden theatergroepen, die waren aangesloten bij bedrijven en fabrieken, die geïmproviseerde agitatie- en propagandastukken en ook toneelstukken speelden. Niet de minste kunstenaars werkten bij een dergelijk Proletkult-theater: Eisenstein, Ljoebov Popova, Malevitsj, Rodtsjenko, Majakovski, enzovoorts. Proletkult werd nog door Lenin zelf ontbonden, omdat het te veel zelfstandigheid had en buiten de partij om opereerde. Al deze nieuwe theatrale performances werden door de staat gesubsidieerd.

Loenatsjarski, zelf een toneelschrijver, werd hoofd van het commissariaat van onderwijs (Narkompros), de theaterdivisie kwam onder leiding van Meyerhold. In juni 1919 vroegen Nemirovitsj-Dantsjenko en Loezjin van het Maly theater Loenatsjarski om protectie. Deze zette een koepelorganisatie, Tsentroteatr, op die een soort academische status aan de belangrijkste gevestigde theatergroepen gaf. Ook werden er grote subsidies gegeven en was artistieke vrijheid voor deze theaters gegarandeerd. Vooralsnog was het MCHT dus beschermd en genoot privileges. In ditzelfde jaar wordt van bovenaf verordonneerd dat men terug moest naar de klassieken om het volk te verlichten. Stanislavski voerde Cain van Byron op, maar nu voor een arbeiderspubliek, dat geen enkel succes had, en een jaar later De revizor van Gogol met Michail Tsjechov in de hoofdrol, dit had meer succes.

Zoals alles en iedereen in deze turbulente periode van oorlog, twee revoluties, burgeroorlog en hongersnood was ook het theater er slecht aan toe. Amerikaanse hulporganisaties stuurden pakketten voor behoeftige acteurs en kunstenaars. Dit werd gefinancierd door concerten die door Russen in het buitenland, zoals Rachmaninov, georganiseerd werden. Stanislavski bestelde zelfs materiaal voor decors op deze manier, omdat er in eigen land niets te krijgen was. De staat kon de grote toneelgroep van meer dan honderd man dan ook niet echt ondersteunen, daarom waren er voortdurend financiële problemen. Het appartement van Stanislavski dreigde net als alle grote appartementen een komoenalka te worden. Hij werkte toen ook bij de opera en kon deze deling met hulp van Loenatsjarski iets inperken, doordat een groot deel van zijn behuizing werd gebruikt om operazangers op te leiden en uitvoeringen te geven. Het ging nog slechter toen een deel van het mcht met onder anderen de beroemde Knipper en Katsjalov in 1918 op tournee in het zuiden van Rusland waren en door de burgeroorlog afgesneden werden van Moskou. Ze reisden noodgedwongen naar Tsjechoslowakije, dat toen alle Russische intellectuelen in emigratie financieel begon te ondersteunen.

In de twee daaropvolgende jaren maakte deze zogenoemde Katsjalov-groep zeer succesvolle tournees door West Europa, waardoor ze zichzelf kon bedruipen. Gesommeerd door de overheid kwam dit deel van de MCHT pas in de lente van 1922 terug, maar sommige acteurs bleven in Europa. Tot grote ergernis van Stanislavski, die zelfs een proces wilde aanspannen, toerde deze groep verder in Europa onder de naam Het Kunsttheater in het buitenland. Kortom: in deze roerige periode kon het theater alleen maar overleven door de garantie en subsidie van Loenatsjarski persoonlijk, maar hier kwam weer snel een einde aan.

Door de invoering van de NEP (de Nieuwe Economische Politiek) in 1921, waardoor enige marktwerking weer mogelijk was, moesten alle theaters zelf hun broek ophouden. Ondertussen waren Nemirovitsj-Dantsjenko en Tsentroteatr bezig om contracten af te sluiten met Europese en Amerikaanse impresario’s. Het plan was om theatergroepen met intervallen naar het buitenland te laten gaan om de broodnodige buitenlandse valuta te verkrijgen en om de goede naam van de Sovjet-Unie uit te dragen. Djerzjinski, hoofd van de geheime dienst, was hiertegen omdat hij een grote braindrain vreesde, want veel artiesten die eerder met toestemming naar het buitenland gingen, waren niet teruggekomen. Daarom werd het MCHT eerst getest en mocht alleen de Eerste Studio op tournee door Europa. Als dit een succes was en als iedereen ook daadwerkelijk terugkwam, dan pas kon Stanislavski permissie krijgen voor de tournee door Amerika, en zo geschiedde.

Nemirovitsj-Dantsjenko bleef in Moskou met het overgebleven deel van de groep. Hij stuurde wel zijn secretaresse, Olga Boksjanskaja, mee, zodat zij hem persoonlijk op de hoogte kon houden van het wel en wee in Amerika. Stanislavski mocht zijn gezin niet zoals in 1906 meenemen. Zijn positie als directeur, regisseur, acteur, manager en aanspreekpunt was sinds de Revolutie altijd al precair, maar in het buitenland nog meer. Journalisten schreven wat ze wilden en vaak werd Stanislavski of als propagandist van de Sovjet-Unie afgeschilderd of als iemand die de Witten ondersteunde. Heel vaak dwong hij zijn impresario tot rectificaties in de kranten. Hij claimde voortdurend dat hij geen politieke boodschap had, alleen een artistieke en theatrale en probeerde op allerlei manieren te laveren om alle partijen in binnen- en buitenland niet tegen zich in het harnas te jagen. Het meest trieste voorbeeld hiervan is dat hij tot drie keer toe weigerde te komen toen in Parijs, met zijn talloze Russische emigranten, in oktober 1923 een spontaan georganiseerd vijfentwintigjarig jubileum van het MCHT werd gevierd. Hij was bang dat als hij wel was gekomen dit verkeerd in de Sovjet-Unie kon worden opgevat met alle gevolgen van dien.




naar amerika



Op uitnodiging van de Amerikaanse producer Morris Gest, die Russische roots had, kreeg de eerste tournee zijn beslag. De bankier Otto Kahn stond garant voor de financiën. Kahn was zich zeer bewust van de achterstand die Amerika had wat betreft de podiumkunsten. In het begin van de twintigste eeuw was het theater in Amerika immers nog niet echt ontwikkeld, in wezen leek het op het theater in de periode in Rusland vóór Stanislavski: er waren geen toneelscholen, er was alleen interesse in amusement. Theater was vooral commerciële showbusiness waarin individuele sterren schitterden en eigentijds repertoire ontbrak. Pas eind jaren tien komt er een interesse in het ‘nieuwe theater’ in Europa met zijn non-profittheaters, zoals The Independent Theatre in Londen. Moderne toneelschrijvers, zoals Ibsen, Strindberg en Tsjechov kende men in de VS niet, pas met Eugene O’Neill kreeg Amerika een moderne en internationaal gerespecteerde toneelschrijver.

Kahn reisde voor zijn werk veel door Europa, was geïnteresseerd in cultuur, liep overal alle voorstellingen af en wilde nieuwe talenten naar Amerika halen. Zo gaf hij het Amerikaanse ballet een grote impuls door Anna Pavlova te introduceren en nu wilde hij eenzelfde impuls aan het theater geven. Het MCHT, met theater als kunst en het artistieke collectief hoog in het vaandel en met het credo dat een acteur een leven lang aan zichzelf werkt, kwam in deze zin dus precies op tijd. Gest was de impresario die ook Baliev, een leerling van Stanislavski die naar Frankrijk geëmigreerd was, had uitgenodigd om met zijn beroemde cabaret La Chauve-Souris een tournee door Amerika te maken. (Baliev zou dit de komende tien jaar meerdere keren herhalen.) Kahn en Gest hebben overigens jarenlang samengewerkt en beiden werden later ereleden van het MCHT.

Voordat de groep van zestig man met behoorlijk veel treinwagons met bezittingen en decors aan boord ging, gaven ze van begin oktober tot en met december 1922 voorstellingen in Berlijn, Praag, Zagreb en Parijs. Ze speelden zowel in Europa als in Amerika De drie zusters en De kersentuin van A. Tsjechov, Tsaar Fjodor Ivanovitsj van A. Tolstoj, Nachtasiel van M. Gorki, De broers Karamazov naar F. Dostojevski, en Een dame uit de provincie van I. Toergenjev. Stanislavski moest aan een Duitse journalist toegeven dat het repertoire sinds hun vorige tournee in 1906 nauwelijks vernieuwd was. Desondanks was het publiek weer zeer gecharmeerd. Omdat eerdere pogingen om op te treden gestrand waren, was het theater nu voor het eerst in Parijs, waar het eveneens groot succes had. Verschillende regisseurs hadden hun theaters aangeboden aan het MCHT. Stanislavski stuurde een telegram naar Moskou: ‘geweldig succes, ovaties, fantastische pers’.

Niet iedereen was blij met de komst van het MCHT, Amerika had tenslotte de Sovjet-Unie nog niet erkend en men was bang voor communistische propaganda. Kahn en Gest deden er alles aan om deze angst de kop in te drukken. Ze benadrukten dat het hier pure kunst van een hoogstaand theater betrof en dat als het MCHT door Frankrijk kon toeren, dat bekend stond om zijn extreem anti-bolsjewistische houding, dit zeker ook in Amerika kon. Kahn zette een comité van beschermheren op, waarin klinkende namen, die op veel goodwill konden rekenen in Amerika, zich zouden verbinden met het MCHT. Gest wist precies hoe hij de Amerikanen kon bespelen, hij omzeilde alle politieke bezwaren en zette Stanislavski neer als een echte familieman. Hij liet hem zelfs poseren met een vrouw en een kind die Stanislavski tot zijn grote ontsteltenis helemaal niet kende. Bovendien gebruikte Gest alle jubelende recensies die uit Europa kwamen meteen als promotiemateriaal. De zoon van Gest was mee op tournee door Europa en was ook aan boord gekomen om allerlei administratieve zaken te regelen en te tolken. We moeten niet vergeten dat echt niemand, ook Stanislavski niet, Engels kon spreken.

Het MCHT kreeg een heel warm welkom toen het met de boot op 4 januari 1923 aankwam, veel Russische vrienden en journalisten stonden de groep op te wachten. Gest zorgde voor foto’s en filmopnames die in de bioscoopjournaals werden getoond, er waren veel geschenken, die overigens later zoek waren geraakt. Stanislavski grapte dat ze vast gehuurd waren. Daarna werden de acteurs door de politie geëscorteerd naar het Thorndyke hotel, dat meerdere appartementen had. Ze speelden in het Al Johnson Theater in New York en waren heel blij met de grote efficiëntie en het geduld van de Amerikaanse technici. Gest had van tevoren zoveel publiciteit aan hun komst gegeven dat bijna alle voorstellingen helemaal uitverkocht waren en de acteurs al op straat herkend werden. Heel veel geld heeft het MCHT niet echt kunnen verdienen. Bij speciale voorstellingen waarbij de high society was uitgenodigd waren de kaarten twee maal zo duur, maar die winst verdween in de zakken van Gest. Voor de acteurs was de tournee ondanks hun extreem grote succes uitermate vermoeiend, ze reisden van New York naar Chicago, Philadelphia, en weer terug naar Boston en New York in anderhalve maand tijd. Ze speelden in elke stad ongeveer vijftien voorstellingen, waarbij vaak ook nog matineevoorstellingen.

Aan de hand van de volgende fragmenten uit brieven van Boksjanskaja (over de eerste tournee) en Stanislavski (over de tweede tournee) aan Nemirovitsj-Dantsjenko krijgen we een levendige indruk hoe het het MCHT tijdens deze periodes verging.




brief van olga boksjanskaja: new york, 7 januari 1923

Beste Vladimir Ivanovitsj,

(...)

Ik stuurde u een brief vanaf de boot vlak voor we in New York aankwamen. Zoals ik al schreef was de reis relatief rustig. (…) Bijna iedereen heeft hier zijn appartement geruild voor een die meer naar smaak is. Sommigen wonen samen als in een commune, anderen zijn meer op zichzelf. Het is hier heel gemakkelijk te regelen want er zijn voldoende appartementen in elke prijsklasse. Alles is hier echt comfortabel. Er is een badkamer met voldoende stromend warm water in elk appartement. De meubels zijn prachtig zelfs in de goedkoopste appartementen. Met wat we verdienen is het leven hier echt goedkoop. Vooral het eten. En in de restaurants proppen ze je helemaal vol. De producten zijn vers en ze zijn niet karig met brood en boter. In het algemeen kan je voor twee of tweeëneenhalve dollar goed eten en hoef je jezelf niets te ontzeggen. Overigens is er geen wijn (dit was tijdens de drooglegging, J.S.) En zonder wijn, zeker na Parijs, lijkt het eten een beetje nietszeggend. Je kan wijn op de kop tikken, maar je moet er op straat heel voorzichtig mee zijn. Als een agent alleen al vermoedt dat je wijn hebt, kan hij je fouilleren. En als hij iets vindt dan is het mis. Ze kunnen je dan zonder enig proces verbaal in de gevangenis gooien.

KS is heel zenuwachtig. Hij maakt zich zorgen over de uitvoering morgen. De extra acteurs zijn veel minder dan de Europese. Daarom kunnen de massascènes verkeerd uitpakken. We werden de hele dag gedrild en gedrild, maar de extra’s zijn geen echte acteurs, dus je kan de taal die KS gebruikt niet echt inzetten.

Toen we net aankwamen nodigde Baliev ons allemaal uit voor de première van zijn nieuwe revue. KS werd met een applaus verwelkomd. Later gaf Baliev tijdens de voorstelling KS, die op de eerste rij zat, een bos bloemen. KS beantwoordde dit met een korte speech, waarin hij zijn dankbaarheid naar het Amerikaanse publiek uitte voor de ondersteuning van Russische acteurs in Rusland tijdens de hongersnood.

(...)

Na de show morgen zijn we door Gest uitgenodigd voor een diner. De hele Chauve-Souris zal er dan ook zijn. Ik kan niet meer schrijven, ik moet gaan. Ik schrijf u volgende week en stuur u een brief met meer details de maandag daarop. Blijf gezond, beste Vladimir Ivanovitsj en vergeet ons niet. Wij denken constant aan u en kijken uit naar ons weerzien.

Olga Boksjanskaja


brief van olga boksjanskaja: new york, 13 januari 1923



(…)

De première was dus Fjodor. De eerste scène ging vloeiend. Je kon onmiddellijk zien dat de voorstelling goed zou lopen. Konstantin Sergejevitsj was vreselijk zenuwachting. Hij was de hele tijd achter en maande iedereen die ook maar enigszins geluid maakte tot stilte. Eerlijk gezegd maakte hij de assistent regisseurs en de acteurs steeds nerveuzer. De eerste scène was klaar. Voor de (tweede scène, J.S.) ‘Verzoening’ was geen pauze, het gordijn ging wel even neer om de acteurs de kans te geven om snel hun plaats in te nemen en klaar te staan (voor de collectieve scène, J.S.). Het gordijn ging dus neer, de acteurs haastten zich naar hun plaatsen, de technici renden om de hoogte van het plafond af te stellen en op dat moment, geheel onverwacht, ging het gordijn op. Iedereen was zo verbaasd dat zelfs het publiek niet in de lach schoot, hoewel het heel hilarisch was om te zien hoe de geestelijken zich naar hun plaats haastten terwijl ze hun soutanes nog omhooghielden. Meteen ging het gordijn weer neer. KS werd lijkbleek, zwaaide met zijn vuisten en gooide zijn armen de lucht in. Hij was buiten zichzelf.

(…)

Iedereen was bang voor een compleet fiasco. Het verhaal ging dat dit precies hetzelfde was waarom Djagilevs tournee een flop was geworden. Hier was een paviljoen tijdens de opvoering van Doornroosje omgevallen en het Amerikaanse publiek neemt dit soort dingen echt niet in dank af... KS kwam met de acteurs praten en zei om hen te kalmeren ‘Goed, dit was een ramp. Laten we er niet meer over praten, praten lost het niet op. Laten we proberen om te redden wat er te redden valt.’

En hierna speelde Moskvin de tweede scène zo sterk zoals hij de hele tournee nog niet had laten zien. En ook in de volgende scènes was hij fantastisch. Er was maar weinig applaus tussen de scènes door, dus we dachten natuurlijk dat we hier niet in de smaak vielen. Maar na de laatste scène was er geheel onverwacht een enorme ovatie en gejuich. Er werden kransen aan de voeten van KS en de acteurs gelegd, er waren bloemen. Het publiek brulde en er was een overdonderend applaus, ze waren helemaal buiten zichzelf. Ik denk dat gezien het applaus dit ons grootste succes tot nu toe was. Maar je kan dit natuurlijk niet echt vergelijken. Maar in ieder geval bleef het Amerikaanse publiek, dat altijd al weggaat voor het einde van de opvoering en niet op zijn plaats kan blijven zitten als het gordijn valt, dit publiek bleef dus zitten en riep KS en de acteurs steeds terug. Ik kon niet bijhouden hoe vaak het gordijn op en neer ging. We waren allemaal verbijsterd, niemand had bedacht dat het mcht zo enthousiast in Amerika ontvangen zou worden. Hierna nodigde Gest ons allemaal uit voor een diner in een van de naburige restaurants. Het ging er levendig aan toe. Behalve het mcht en Baliev met zijn gezelschap waren er nog wat andere gasten.

(…)

Alle lokale acteurs komen naar onze vrijdag matinees, want wij zijn de enigen die matinees op vrijdag en zaterdag doen. Overal doen ze dat hier op woensdag en zaterdag. Dus het theater was volgepakt met deze acteurs. Aan het einde van de opvoering kwamen ze in volledige trance het toneel op. Opnieuw waren er kransen en bloemen. Op het toneel werden foto’s genomen van groepen Russische en Amerikaanse acteurs die met elkaar aan het praten waren. (…)

De Uwe,

Olga Boksjanskaja


brief van olga boksjanskaja, new york, 2 februari 1923



Beste Vladimir Ivanovitsj,

Ons leven hier lijkt kalm te verlopen, maar onder de oppervlakte heerst grote angst. Het lijkt alsof er niets aan de hand is, maar er broeit iets in iedereen het is alsof iets gaat breken of barsten. En je kan zelfs niet bevatten wat er aan de hand is en waarom iedereen in zo’n staat is. Het is mogelijk dat ieders gemoedstoestand door de politieke gebeurtenissen geraakt is. Die worden ons mondeling toevertrouwd omdat bijna niemand de goede kranten in het Engels kan lezen. We begrijpen de taal niet. De Russen hier zijn vreselijk en daarom horen we alleen maar over de huidige gebeurtenissen die in de wereld spelen van mensen die de kranten hebben gelezen en dit in hun eigen woorden aan ons vertellen. Diegenen die familie in Duitsland hebben zijn bezorgd. Diegenen die familie in Rusland hebben zijn bang dat ze van hun vaderland worden afgesneden.

Kortom, al deze geruchten over een mogelijke oorlog maken ons vreselijk bang. Hierbij komt dat iedereen opgewonden is over de mogelijkheden die het leven hier biedt. Om zo dicht in de buurt te komen van de enorme rijkdom van de lokale miljonairs (ik druk me niet goed uit, maar u begrijpt wat ik bedoel) en constant te horen dat je hier enorm veel geld kan verdienen; dit alles brengt ieders hoofd op hol, maar anders dan de angst over de oorlog. Er gaan geruchten dat sommige acteurs uitgenodigd zijn om films te maken. Maar omdat deze aanbiedingen individueel zijn, zijn de acteurs verplicht het grote geld dat ze kunnen verdienen af te slaan. Men zegt dat het theater al verschillende aanbiedingen heeft gehad voor als ons contract afloopt. Maar dit is allemaal loos gepraat en in een beginnend stadium met premature vergaderingen.

Het is pas onze vierde week hier, maar velen zijn al heel moe. Het is inderdaad zwaar voor de acteurs om hetzelfde stuk acht keer per week te spelen. En we snappen niet hoe de lokale acteurs acht shows per week van hetzelfde stuk in een heel seizoen en soms zelfs voor een aantal jaren kunnen verdragen.

Gisteravond speelde het Harris Theater Hamlet met John Barrymore in de hoofdrol. Ons hele gezelschap was uitgenodigd. Na de opvoering gaf Barrymore toe dat hij doodsbang was geweest om voor onze acteurs te spelen. Hij is helemaal vol bewondering voor ons theater. Tijdens de lunch op de Colonial Club gaf hij een korte speech en die kwam op het volgende neer ‘Ik ben er trots op dat ik hetzelfde beroep heb als de leden van het Moskous Kunsttheater.’

(...)

De Uwe,

Olga Boksjanskaja


brief van olga boksjanskaja: new york, 5 februari 1923



Ik moet u nu vertellen over de opvoering van De drie zusters. (…) Iedereen was bezorgd omdat we maar weinig repetities hadden. (…) Maar het publiek weet dat niet en vindt de opvoering geweldig. Er is veel applaus en het is uitverkocht, wat kunnen we nog meer wensen? Ik wil geen ongeluk over ons afroepen, maar tot nu toe gaat het heel goed en is er heel veel belangstelling voor onze prestaties. Natuurlijk trekken we geen massaal publiek. We krijgen alleen de Amerikaanse intelligentsia die Russische literatuur leest en in kunst geïnteresseerd is. Anderen zijn van Russische afkomst. Een aantal van hen zijn de taal bijna vergeten, maar zij accepteren met veel plezier alles wat Russisch is en wat hen aan hun vaderland herinnert. De kerkklokken te horen luiden gedurende de scène in de Archangel Kathedraal (in Tsaar Fjodor, J.S.), de vertrouwde zwervers te zien in Nachtasiel, de officiersjassen in De drie zusters, of de kersenbomen achter de ramen van het landgoed, dit alles raakt hen zozeer dat maar een enkeling zijn tranen kan bedwingen. Maar de Amerikanen huilen ook. Om precies te zijn, de Amerikaanse dames. Er was een Amerikaanse vrouw die de opvoering volgde met een Engelse vertaling en drie plaatsen naast Leonidov zat die net als ik dezelfde opvoering zag. Eigenlijk doen bijna alle Amerikanen dit tijdens de opvoering, ze houden de hele tijd een boekje in hun hand. Stelt u zich het plaatje van deze Amerikaanse vrouw voor tijdens het afscheid van Masja en Versjinin: een boek in haar ene hand en een zakdoek in haar andere. Ze huilt, veegt haar tranen weg zo snel als ze kan zodat ze niet de plek in haar boekje kwijt raakt en dan begint ze opnieuw te huilen… Ze was heel ontroerd. (…) Ik hoop heel snel een brief van u te krijgen. (…)

De Uwe, Olga Boksjanskaja

Gest had het recht bedongen om de groep zo nodig nog een paar maanden langer te laten blijven en dit gebeurde ook. Deze tournee was zowel artistiek als financieel toch zo een succes, dat uiteindelijk besloten werd om ook een tweede tournee van eind 1923 tot begin 1924 te maken. Deze had minder succes en kreeg ook veel minder publiciteit dan de eerste keer ondanks het feit dat er nu andere stukken op het repertoire stonden. Gest promootte nu veel meer Max Reinhard die hij tezelfdertijd naar Amerika had laten komen. Het leverde allemaal veel minder geld op dan verwacht was en Stanislavski maakte zich zorgen of er wel genoeg geld was om de overtocht en de reis naar Moskou te kunnen betalen. Toch bleef hij er wel van overtuigd dat Amerika niet afgeschreven moest worden.

In deze periode schreef hij op aandringen van een Amerikaanse uitgever zijn autobiografie. Hij hoopte hiermee extra geld te kunnen verdienen om zijn zoon Igor die tbc had naar het buitenland te kunnen sturen. Hij schreef dag en nacht in alle verloren uurtjes, want als hij de deadline niet zou halen, zou hij alle rechten verliezen.

Hoewel hij het schrijven heel lastig vond, lukte het om alles op tijd af te krijgen en werd deze editie in Amerika nog in 1924 uitgegeven met de titel My Life in Art. Hij was er zelf erg ontevreden over en eenmaal terug in de Sovjet-Unie heeft hij het bewerkt, veel veranderd en toegevoegd, deze versie verscheen in 1926. De Amerikanen hebben deze Russische versie nooit meer vertaald.

brief van stanislavski, philadelphia, 28 december 1923,



Moskou beschuldigt ons ervan niet loyaal te zijn. Maar in het buitenland ziet het er nog erger uit. Frankrijk heeft ons kantje boord binnen gelaten. Door de Franse wet te omzeilen lukte het ons om een gunstiger uitkomst te krijgen. In Parijs werden we door een behoorlijk groot publiek geboycot, zowel Fransen als Russen, eenvoudig omdat we uit Sovjet-Rusland komen en daarom dus communisten zijn. Nu willen ze ons weer niet in Canada toelaten, met een officiële verklaring dat we Bolsjewieken zijn en zo vallen al onze plannen in duigen. Wie weet wat voor tegenspoed er nog meer op ons pad komt?

(…)

Hier worden we zowel door de Russen als de Amerikanen aangevallen omdat ons theater ter meerdere glorie van het huidige Rusland zou dienen. In Moskou gooien ze met modder naar ons omdat we de traditie van het bourgeois theater bewaren en omdat de stukken van Tsjechov en andere schrijvers van de ‘intelligentsia’ succes hebben bij de Russische emigranten en de Amerikaanse kapitalisten; ze denken dat de dollars binnen stromen, terwijl we tot onze oren in de schulden zitten.

Geloof me, ik ga echt niet voor mijn plezier twee jaar van mijn leven van plaats naar plaats, van stad naar stad. Ik moet dingen doen die mijn krachten te boven gaan, terwijl ik totaal geen tijd heb om te doen waar ik echt van houd en over droom en ondertussen de rest van mijn gezondheid kwijt raak. Ik ben niet in de stemming, ik ben depressief en geef bijna de moed op en denk er vaak aan om aan alles de brui te geven… Ondanks alle beledigingen die in Moskou op me gestapeld worden weiger ik alle goede aanbiedingen die vanuit Europa en Amerika komen en verlang ik met heel mijn hart naar Rusland, precies dat Rusland dat mijn ziel bespuugt. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik heb niet de kracht om hier te blijven, maar ik zie ook niet dat ik de kracht heb om onder de huidige voorwaarden door te werken in Rusland.

(…)

Vriendelijke groet,

K. Aleksejev


Nemirovitsj-Dantsjenko had Olga Boksjanskaja in een brief vermanend toegesproken en opgedragen dat zij en alle medewerkers van het MCHT niet aan dollars moesten denken maar aan hun toekomst in mcht in de Sovjet-Unie. Ter verdediging van Boksjanskaja schetst Stanislavski in het nu volgende fragment de situatie waarin ze in Amerika zitten.




brief van stanislavski, new york, 12 februari 1924



(…)

We kunnen helemaal niet spreken over dollars verdienen. Onze enige zorg is om hier schuldenvrij vandaan te komen. Ik wil ook Gest afbetalen, zorgen dat hij uit de rode cijfers komt en in de toekomst aan onze kant blijft staan. Als we onze schulden betaald hebben, moeten we ook bedenken hoe en met welk geld we van Londen naar Moskou komen om veilig zestig mensen en acht wagonladingen met bezittingen te kunnen transporteren. Waar moeten we die bezittingen laten?

Waar halen we het geld vandaan om een nieuw repertoire op te bouwen want iedereen wil alleen maar in een nieuw stuk spelen? Als dat niet mogelijk is, stel ik voor om tijdelijk of permanent de MCHT groepen op te doeken. Onze zorgen over dollars en uitgaven zijn met mijn hele toekomst verbonden en ook misschien met het leven van onze zieke Igor. Hier moet ik voor zijn leven zorgen, misschien wel vele jaren lang want hij is ernstig ziek en om hem nu naar Moskou terug te brengen staat gelijk aan een zeker doodvonnis. Je kunt mij echt niet beschuldigen van een jacht op dollars. Ik persoonlijk zal terugkeren als een bedelaar, net zoals ik ben weggegaan, maar ik bid God dat ik die verdomde dollars ga verdienen om voor het leven van mijn kinderen te kunnen zorgen. Echter, met theater kan niemand iets verdienen, dit moeten we voor eens en altijd vergeten. We moeten een andere manier verzinnen, misschien een boek. Je kunt moeilijk van mij verwachten dat ik dit voor de lol doe. Ik doe dit uit uiterste noodzaak.

(…)

De oudere generatie (acteurs, J.S.) komt op leeftijd en de jongere wordt nauwelijks volwassen. Het gereis heeft iedereen natuurlijk gedemoraliseerd, behalve een paar, zoals Loezjki, wiens gedrag en werk ik respecteer, Knipper, die financieel het meest krap bij kas zit, klaagt het minst van iedereen en vindt altijd alles goed, en nog een paar anderen. Die moedeloosheid is enorm toegenomen, nu iedereen weet dat het onmogelijk is om enige winst te verwachten. Wees je ervan bewust dat een vermoeid, gebroken en ongeorganiseerd leger straks naar jou in Moskou terugkeert, dat niet langer in staat is zware lasten te dragen. Vier dagen per week, een matinee op zondagen gespeeld door de jongeren met minimale deelname van de elite acteurs en de talenten, dat is het absolute maximum waarop je kan rekenen.

(…)

Iedereen zal terugkomen, in ieder geval diegenen die we nodig hebben. Er gaan geruchten over de jongere generatie, maar dat zijn alleen maar geruchten, want Lazarev en Boleslavski (acteurs van het MCTH die al eerder naar Amerika waren geëmigreerd en een eigen theater hadden opgericht, J.S.) hebben laten zien dat het niet zo eenvoudig is om zonder het handelsmerk van mcht je verre te houden van Amerikaanse sensatiezucht, spektakel en ‘business’. Het is echt waanzin om te rekenen op ons gezelschap om de enorme uitgaven van het theater te dekken. Ik denk dat iedereen dit inziet en zelfs, al is het met grote aarzeling, zou instemmen met een behoorlijke reductie van de vroegere schitterende producties dan boven hun krachten te werken, want de helft van het gezelschap is echt ziek en de andere helft bestaat uit invaliden. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven van de mensen die we nodig hebben, degenen met talent, zijn echt ziek, waarvan sommigen dodelijk. Ik schrijf je dit allemaal om jouw hoop op hulp, die je, ik weet het, absoluut nodig hebt, in te dammen. We moeten bezuinigen, bescheidener zijn, en onszelf alleen maar op pure kunst, op technische ervaring en op getalenteerde mensen verlaten – dit is het motto voor de toekomst en voor de groep.

(…)

Denk niet dat ik niets gedaan heb. Ik heb onvermoeibaar gewerkt aan dingen die volgens mij zeer belangrijk zijn, die in deze periode van gewichtdoenerij door iedereen behalve door jou vergeten zijn. En dat geeft me kracht. Wij zijn ook sterk in andere dingen. We zijn door Amerika erkend. (Ik tel Europa niet mee, want we kunnen daar alleen maar succes en goede recensies verwachten.) Amerika is de enige schouwburgzaal en de enige bron van financiering waarop we kunnen rekenen. Ik ben van mening dat we niet zonder Amerika kunnen en ben er bijna van overtuigd dat Amerika niet zonder ons kan. De Amerikanen hebben een gevoel voor theater. Zij begrijpen individualiteit als niemand anders, ze gaan ernaar op zoek en weten het te waarderen. Bijna in alle Amerikaanse theaters en producties is er maar één uitstekende acteur. Sommige acteurs hebben een prachtige persoonlijkheid. Als ze naar het theater gaan dan zijn ze gewend om alleen naar hem te kijken en deze gewoonte is helemaal in het publiek ingesleten. Zij waarderen persoonlijkheid in een kunstenaar en een acteur zo erg dat ze helemaal beduusd zijn door onze verkwisting: zes uitstekende acteurs in één productie. Vanuit zakelijk oogpunt vinden ze dit ongelofelijk, want ieder van hen zou een theater aan de gang kunnen houden en met de beste acteurs in de groep misschien wel een dozijn ‘commerciële’ theaters. Dit jaar is ons succes niet zo zeer publiekelijk als exclusief. Vorig jaar leerden ze ons kennen, nu kennen ze ons en houden van ons. Ik kan bijna niet alle aanbiedingen tegenhouden: een boek schrijven, lessen opstarten, een studio opzetten.

(…)

Zonder tot een besluit te komen, houd ik mijn oren en ogen open en probeer voordat we vertrekken zo veel mogelijk zaadjes te zaaien als ik kan. Zelfs nu kon ik veel contracten tekenen, maar gezien de barbaarse houding die nu in Rusland ten aanzien van ons heerst als beloning voor 25 jaar trouwe dienst, stem ik ermee in om dit niet te doen, er zelfs niet over te schrijven en ook niet tot serieuze onderhandelingen over te gaan.

Jouw opmerkingen dat kunst meer is dan dollars, dat we over nieuwe wegen, werk, experiment moeten denken en voor Moskou moeten zorgen, hier in onze huidige omstandigheden zorgt dit alleen maar voor een vriendelijke en toegeeflijke glimlach. Weet je waar we repeteren als we nieuwe spelers in oude stukken moeten laten spelen? In vieze kamers van louche hotels waar we verblijven. Weet je dat als ze ons de smerigste foyer, of beter gezegd, lobby van een theater lenen, dat dan binnen vijf minuten Kameraad schoonmaakster verschijnt en schaamteloos begint te schreeuwen, te gillen en een herrie schopt dat ons beschaafde werk als acteur niets voorstelt, terwijl hun ongeschoolde arbeid alles is waar het in Amerika om draait. Sovjet Rusland is in deze zin dat de arbeider machtiger is dan de acteur het Amerika van de toekomst.

(…)

Geloof me, als ik onze hele menigte met hun bezittingen heb teruggebracht, deze heb opgeslagen in het theater en overhandigd, ben ik de gelukkigste man op aarde. En ik ga zeker niet deze reis nog een keer maken, in ieder geval niet onder de voorwaarden waaronder we nu werken.

(...)

Ik omhels je, ik denk steeds aan je, bewonder je, en houd van je energie. Warme groeten en stevige omhelzingen voor iedereen die zich mij herinnert en koester geen wrok.

K. Aleksejev


De brieven zijn openhartig en uit de latere correspondentie van Stanislavski en Nemirovitsj-Dantsjenko blijkt hoeveel zorgen zij zich allebei over het voortbestaan van het MCHT en de studio’s maakten. Die zorgen waren terecht want het regime wilde steeds meer invloed op de producties uitoefenen. Het MCHT werd ervan beschuldigd dat het zich niet echt voor de Revolutie inzette. En hoewel Stanislavski uitgeput was van de reis, moesten er nu snel nieuwe stukken met revolutionaire inhoud werden opgevoerd en dat gebeurde. Diverse stukken van Sovjetschrijvers, zoals Katajev, Kirsjon en Gorki, kwamen vanaf 1926 op het repertoire.

In principe was het theater nog steeds beschermd en genoot privileges. Maar in 1927 toen de strijd tussen Trotski en Stalin was beslecht kwam hier verandering in. Stalin maakte een eind aan de NEP en lanceerde zijn vijfjarenplan. In 1929 werd Loenatsjarski ontslagen. De uitspraak van Tsvetajeva: ‘zolang Loenatsjarski er is hebben we niets te vrezen’, werd nu bewaarheid. Afgezien van de meerdere censuurlagen die er inmiddels waren, moest er in elk theater nu een ‘rode’ directeur komen, die bemiddelde tussen staat en theater, ook al wist deze niets van theater af. Stanislavski zag hier het voordeel van in en vermoedde dat het dan makkelijker was om producties erdoor te drukken.

Overigens waren beide regisseurs, die het nog steeds moeilijk met elkaar hadden, steeds vaker afwezig. In 1928 kreeg Stanislavski een hartaanval en gaf hij het acteren op. Hij was soms maanden in het buitenland om te kuren. Van december 1926 tot december 1927 toerde Nemirovitsj-Dantsjenko zelf ook door Amerika, niet met het MCHT, maar met zijn Muziek Studio. Dit was geen groot succes, een deel van de groep bleef in Amerika en hijzelf keerde in 1928 weer terug. Door het onopgeloste conflict tussen de twee mannen en het feit dat ze vaak niet aanwezig waren, kwam intern vaak het probleem van opvolging ter sprake – wat ook niet voor harmonie zorgde.

In 1931 kreeg het MCHT het predicaat ‘academisch’, dit werd bekrachtigd op het congres van de Schrijversbond in 1934 waar het socialistisch realisme de officiële doctrine werd, niet alleen voor schrijvers en kunstenaars, maar ook voor uitvoerende kunstenaars. Stalin zelf bestempelde het mcht als een modeltheater, tenslotte had het theater al realisme in het vaandel. Het werd de nationale theateracademie, die zeker tot de Dooi overeind bleef. Maar hiermee werd ook de stijl van acteren veranderd: nu geen subtiele psychologische ontwikkelingen, maar duidelijke realistische voorstellingen waarin niets stilzwijgend plaatsvond.

Tussen 1934 en 1938 werden alle theaters gereorganiseerd. Veel theaters die zich op amusement geconcentreerd hadden werden opgeheven omdat zij ideologisch geen inhoud hadden. Andere theaters werden zonder kennis van zaken bij elkaar gevoegd, waardoor een regisseur soms niet wist wat hij met de andere acteurs aan moest. Ook het MCHT barstte op een geven moment uit zijn voegen, in 1935 bestond het uit bijna duizend medewerkers. Het was schier onmogelijk het echt te besturen en iedereen een kans op een rol te geven. Vaak konden acteurs maandenlang niets spelen omdat iedereen een keer aan de beurt moest komen. Desondanks verliet niemand het theater, omdat het protectie bood die men anders niet had.

In 1938 stierf Stanislavski aan hartfalen. Voor die tijd had hij zijn boeken over acteren kunnen uitgeven. In de jaren vijftig en zestig kwamen ze ook in Amerika uit. De vele acteurs van het MCHT die in de loop der jaren niet naar de Sovjet-Unie waren teruggekeerd, waren over de hele wereld uitgewaaierd. Zij voerden vaak het lucratieve handelsmerk van het mcht om in het buitenland te kunnen overleven. We hebben gezien dat Stanislavski zich daar vaak tegen verzette, maar er was niets aan te doen. Zo verspreidde het systeem van Stanislavski zich nolens volens in allerlei varianten in Europa, Zuid-Amerika, maar vooral in Amerika zelf. Dit had te maken met Lee Strasberg (1901-1982). Hij zag alle voorstellingen van het MCHT in New York en zijn eerste indrukken zijn ook nu interessant. De decors, de kostuums, make-up en de verlichting vond hij onder de maat in vergelijking met wat toen al in het theater in Amerika mogelijk was. (Stanislavski was dat trouwens met hem eens.) Hij was wel onder de indruk van de gepassioneerde groepsgeest, het waarheidsgetrouwe spel van het hele gezelschap, elk individueel personage deed ertoe, en elke acteur, hoe klein de rol ook was, excelleerde. De stukken die al jaren op het repertoire van het MCHT stonden, werden nog even levendig en intens gespeeld, waarbij geen enkele emotie overdreven of sentimenteel werd. Strasberg besloot acteur te worden en trad toe tot The Laboratory Theatre, dat door twee leerlingen van Stanislavski was opgericht met het doel om diens principes in Amerika te introduceren. In 1931 richtte Strasberg mede het legendarische Group Theatre op en later The Actors Studio. Hij ontwikkelde op basis van het systeem van Stanislavski een training voor de acteur, the Method, of Method acting, die zeker tot het begin van de eenentwintigste eeuw generaties beroemde (film)acteurs gevormd heeft. Strasberg heeft altijd gezegd dat zijn Method was gebaseerd op het systeem van Stanislavski, dit stond zelfs op zijn rouwadvertentie. Tegenwoordig breken onderzoekers zich het hoofd over de vraag of dit echt waar is en Strasberg zichzelf niet onderschat en Stanislavski overschat.

Hoe dan ook, in ieder geval kunnen we concluderen dat geen enkele regisseur als Stanislavski zo’n grote en jarenlange invloed op het wereldtheater heeft uitgeoefend. Hierin speelden de tournees door Amerika een heel grote rol.





<

TSL 99

>