Joseph Brodsky



De verovering van de kosmos.



Wijd open stond het zolderraam. En ik
wierp uit dat openstaande raam een blik,
m’n buik op het kozijn onder het dak.
Een buitelende duif plus wolkgewemel.
Erboven had de donkerblauwe hemel
niets weg van een plafond, ’t was meer een wak.

De zon scheen fel. Het rook naar erica.
En onze weerhaan deed een zwaluw na.
De woning trok haar schaduw. Maar het hek
trok iets waarvoor geen zebra zich zou schamen,
al stond zo’n streeppatroon het erf wat gek.
Graanschuren in het veld, een paar platanen.

De haan hiernaast ging met een kloek tekeer.
Daar legde die van ons zich maar bij neer,
ging luidkeels kraaien nu ie niet kon vrijen.
Ik heb dit drama van me afgezet,
deed m’n transistor aan, viel neer op bed.
Toen sprak m’n Babylon op batterijen

dat ooit de mens zou landen op de maan.
En liggend liet ik m’n gedachten gaan
over de kosmos, sterren en atomen,
de hele wereldorde, groot en klein.
Ik dacht: áls we al iets te weten komen,
dan zal dat meer geluk dan wijsheid zijn.

1966


Ik word wakker van de telefoon en ga me scheren,
poets m’n tanden, observeer m’n spiegelbeeld,
was me, droog me af en ga een ei scalperen.
Een gezicht zorgt dat je je ’s ochtends niet verveelt.
Laat in de avond zeg ik tegen m’n vriendin
dat je ’s winters in het Zuiden moet wezen;
ze haakt een kous aan, stuurt haar blik de hoogte in
alsof aan het plafond iets staat te lezen.
Februari is dit jaar beestachtig koud.
Gekrijs van enkele zwartwerkende sternen,
wat de Litejnyjbrug nog meer vernauwt.
Een stel hersens, nee, een wolk schuift voor de sterren.

1968


SONNET

Eerst schieten paddestoelen uit de grond.
Vervolgens valt er regen neer. God geve
dat iemand kleddernat heeft kunnen worden.

In elk geval zal ik niet nog een keer
hier, in de rokerige entourage
van dit café, waar puisterige pubers
ik weet niet wat verwachten van hun liefjes
en waar een mannenkoor vanaf cassette
banaal en liederlijk de naam uitbrult
van haar die door geen sterveling ooit nog
naar deze kroeg kan worden teruggehaald –
in elk geval zal ik niet nog een keer
hier in m’n hoekje zitten, zonder weemoed
inschattend hoe dit alles af zal lopen.

Jalta, 1970


ANGST

Je komt ’s avonds thuis, en het geluid
van je eigen voetstappen is
zo beklemmend dat je angst zich sluit
rondom de duisternis.

Zou je een ander zijn, en liep er dan,
z’n angst verbergend, een man
zoals jij de trap op, had jij allang
met een mes klaar gestaan.

Maar jij bent hier de enige, en wanneer
je boven bent, klam van het zweet,
dan klinkt je keiharde slaan met de deur
als een verraderskreet.

1970


ONVOLTOOID FRAGMENT

Met eten nog niet klaar, stond hij van tafel op
en liep naar buiten. Op z’n winters scheen
de maan. De schaduwen van een kornoelje,
de krullen van het hek de loef afstekend,
waren zo scherp getekend op de sneeuw
dat zij daar in de grond geworteld leken.
Hartkloppingen, geen sterveling op straat.

Zo groot is het verlangen kennelijk
van al wat leeft om grenzen te verleggen
en zich waar mogelijk te laten gelden,
dat er maar net iets zichtbaar hoeft te zijn
van een of ander hemellichaam, of
heel de omgeving wordt terstond een prooi
niet van onszelf, maar van ons streven.

1972 (?)

Vertaling Peter Zeeman




Pjotr Morjak



Gedichten




AENEAS AAN DIDO

En zo geviel het dat de grote held
Carthago toen verlaten moest.
Joseph Brodsky



Ik groet u, koningin, vanaf mijn schip,
dat niet veel sneller vaart dan vier, vijf knopen.
Er staat te weinig wind, maar ik blijf hopen.
Of zou Aeolus deze kleine stip
niet langer welgezind zijn? Ben nu ruim
drie dagen onderweg. Behalve golven,
de ongerepte horizon en schuim,
zie ik je ogen, die me blijven volgen,
als meeuwen en dolfijnen deze boot,
het is alsof ze mij van iets betichten...
Vergeef de afvaart waartoe ik besloot,
of juister, werd gedwongen! Ik moest zwichten
voor goddelijk bevel. Ik had geen keus.
Je kunt je tegen goden niet verzetten,
we zijn als vis, gevangen in hun netten.
Dat is het lot van stervelingen. Heus,
’t was overmacht dat ik het zeegat koos.
Maar liever tel ik nu mijn zegeningen
en wentel me in mijn herinneringen,
die telkens als ik wil een sprakeloos
en onbekommerd toevluchtsoord creëren
dat ik met jou bewoon. Zoals die grot
waar wij, toen Amor iets wou uitproberen,
ons overgaven aan de liefde, tot
de rozevingerige dageraad
ons tweeën met haar zonnestralen wekte...
Maar ik moet eindigen. Vanuit het westen
steekt wind op. Ach, het gaat zoals het gaat,
ons samenzijn was niet veel tijd beschoren.
En wie zijn wij om daaraan iets te doen?
’t Is beter dat ik mij ermee verzoen
dan dat ik me daardoor laat ringeloren.
Probeer hetzelfde, gulle koningin.
Vergeet me, richt je aandacht op Carthago,
want jij verleent de stad betovering.

Vaarwel, wie weet tot weerziens, lieve Dido...


APOCALYPTISCH (1)

De uitgeputte globe barst en kraakt. Gefluit,
gehuil van zware stormen, zwiepende orkanen.
Het kolkend duister strekt zijn klauwen uit.
Een wolk van as bedekt de steden, landen, oceanen.
De goden zijn vertoornd. Vesuvius herrijst:
duizenden Pompeji’s worden duizendmaal bedolven.
Continenten zakken splijtend in de golven.
Een tweede zondvloed, die een nieuwe ark vereist.


APOCALYPTISCH (2)

Het is zover. Nu voltrekt zich het voorziene.
Over toendra’s waar sneeuwstormen razen,
door woestijnen, zandbak van ontheemde bedoeïenen,
over steppen waar de laatste bizons grazen,
marcheren paupers nader. Krochten, spelonken,
krottenwijken en getto’s ontvolken.
Toen alles was gezegd, was dit wat restte:
de ontmanteling van onze klatergouden veste.
De horden rukken op, en geef ze eens ongelijk!
Verschanst u achter barricaden, prikkeldraad!
Richt de kanonnen, houdt de troepen paraat!
Wie of wat behoedt ons weldoorvoede rijk?


BROOS

Er zijn dagen waarop je de duivel verzaakt.
Je rijdt rond met je oogappel voor op de fiets.
Volop tijd om te denken, aan veel of aan niets,
en een enkele keer: ‘Dit moment is volmaakt,
afgerond, ’k zou niet weten wat meer te verlangen
dan de zon op z’n kruintje, de blos op z’n wangen.’
Tot er langzaam een stoet gaat, een klok wordt geluid.
Je beseft, je wilt toch iets – het stilstaan van tijd.


WAAROM IK?

Je ontwaakt uit een loodzware droom,
weet met wijd open ogen heel zeker:
de werkelijkheid is niet beter.
Een vogel vliegt op uit de boom,

ontsnapt aan je vorsende blik,
heeft met jou in het raam niets te maken.
Je vraag wordt weerkaatst door de daken,
ricocheert naar een hemel van kwik.

Ook de boom in de tuin zet geen vrucht,
want hij mist het vermogen tot dragen.
Voor het winter wordt, zal men hem zagen.
‘Waarom ik?’ galmt het hoog in de lucht.


BLUES

Het huis is leeg, de vrouw is weg
en de hond herkent z’n baas niet meer.
De eigenaar heeft louter pech
en de hersens in z’n hoofd doen zeer.

Geen vrienden meer en nergens licht.
’k Zit aan de grond, ben rijp voor het gesticht.
M’n ritme stokt, ben uitgeteld,
zo erg was het nog nooit met mij gesteld.

M’n geld is op – geen strategie.
Ik ben verzand in apathie.
De koning viel, bewoont de goot.
Al wat ik kan is zingen van zijn nood.




<

TSL 99

>