Michail Lermontov, Ruslands belangrijkste
dichter van de romantiek, ontbreekt in geen enkele anthologie van Russische poëzie. Maar er
is tot nu toe maar één eerdere bundel van zijn
gedichten in een Nederlandse vertaling verschenen: Ik wil leven, ik wil lijden, vertaald door
Kees Jiskoot (Benerus, Antwerpen 2008). Deze
bundel bevat een ruime keuze uit Lermontovs
gedichten, met als pièce de résistance het poëem Demon (De demon). Daarvan zijn in Mtsyri en andere gedichten wel enkele fragmenten
opgenomen, maar in Mouravi’s bundel is, zoals
de titel al aangeeft, een ander lang gedicht van
Lermontov, ‘Mtsyri’ het belangrijkste.
Nina Targan Mouravi, de vertaalster van
Mtsyri en andere gedichten, is een witte raaf
onder de vertalers. Ze is van oorsprong een
Georgische, Nederlands is dus haar tweede
taal, maar toch heeft ze zich toegelegd op het
vertalen van Russische poëzie met behoud van
metrum en rijm. Dat lijkt een onmogelijke opgave – zelfs Nabokov, van wie we moeilijk
kunnen zeggen dat hij het Engels niet perfect
beheerste en die zelf ook dichter was, voelde
zich gedwongen om Poesjkins Jevgeni Onegin in proza te vertalen – maar Nina Mouravi
slaagt erin uitstekende vertalingen te maken,
die niet onderdoen voor die van Nederlandse
slavisten. Een bewonderenswaardige prestatie,
waarvoor ze terecht in 2024 de Aleida Schotprijs heeft gekregen.
Lermontov (1814-1841) heeft ondanks
zijn korte leven een flink oeuvre tot stand gebracht. Hij had zich al vroeg gepresenteerd
als dichter, maar kwam pas echt de literatuur
binnen met een gedicht naar aanleiding van de
dood van Poesjkin (1837), waarin hij min of meer de hofkringen ervan beschuldigde dat zij
diens dood op hun geweten hadden.
Gedood!...! Wat baat nu het gesnotter,
De loze hulde aan de held,
Zelfverontschuldigend gestotter,
Te laat! Het vonnis is geveld!
De tsaar was bepaald niet gediend van het in
zijn ogen opruiende gedicht en verbande Lermontov naar de Kaukasus, waar hij – hij was
zoals veel jonge adellijke Russen officier van
de huzaren – moest dienen in het Russische leger dat het hele gebied probeerde te veroveren.
In de gevechten met de Tsjetsjenen en andere
volken onderscheidde Lermontov zich door
zijn dapperheid. Hij sneuvelde niet, raakte
zelfs niet gewond, maar toch werd de Kaukasus
hem fataal. In een duel met een jeugdvriend
werd hij daar gedood. Opmerkelijk is dat hij
in een van de hoofdstukken (een dagboekfragment van de hoofdpersoon Petsjorin) van zijn
in 1840 verschenen roman Een held van onze
tijd de plaats en omstandigheden van dat duel
bijna exact zo heeft beschreven als hij die zelf
later meemaakte. Alleen: Petsjorin doodde zijn
tegenstander, Lermontov werd gedood.
De tweetalige uitgave Mtsyri en andere
gedichten bevat een aantal van Lermontovs
bekendste gedichten, van het vroege ‘Engel’ (‘Een engel vloog laat door de hemel en
zacht / Weerklonk zijn gezang in de nacht, /
De sterren, de wolken, de wassende maan / Ze
hoorden het ademloos aan’ 1831) tot het veel
latere ‘Droom’ (1841), waarin, net als in het
hoofdstuk in de roman Een held van onze tijd,
Lermontov de toekomst als het ware voorvoelt
(‘Een dal in Dagestan, de woeste droogte, /
Daar lag ik roerloos in de middaggloed, / Mijn
borst met lood doorboord. Nog altijd rookte /
De diepe wond; traag sijpelde mijn bloed.’)
In ‘Mtsyri’, dat handelt over een jonge
Georgische monnik die het klooster ontvlucht
waarin hij sinds zijn kindertijd heeft geleefd,
moet vechten met een tijger, ernstig ziek wordt
en ten slotte rust vindt bij een oude monnik,
moest de vertaalster alle registers opentrekken.
Korte regels, rijmparen, vaak ook rijmterzetten
met alijd de klemtoon op de laatste lettergreep,
leiden gemakkelijk tot een dreun en vereisen
veel poëtische vaardigheid:
Eén droom had ik maar, één tortuur,
Eén hartstocht, een verzengend vuur,
Eén toekomst die ik heb begeerd:
Ik was erdoor geobsedeerd,
Mijn geest werd door die droom verteerd.
Een mooie bundel. Met één aanmerking: een
van Lermontovs mooiste regels, en een van de
mooiste regels van de hele Russische poëzie is
de beginregel van een gedicht: Vychozjóe odín
ja na dorógu. De suggestie van eenzaamheid,
verlatenheid, berusting, stilte, verlangen wordt
niet alleen door de betekenis van de woorden
weergegeven, maar ook door het ritme en de
klank. Zo’n regel is eigenlijk niet te vertalen,
de suggestieve kracht ervan is niet adequaat
in een andere taal over te brengen. ‘Heel alleen ben ik op weg getogen;’ maakte Marko
Fondse ervan, Kees Jiskoot ‘Eenzaam wandel
ik de stille nacht in;’. De letterlijke vertaling
‘Ik ga alleen de weg op’ benadert het origineel misschien nog het meest, maar die past
niet in de metrisch-ritmische structuur van het
vers en mist ook, net als de andere vertalingen
overigens, de bijzondere klankafwisseling (oe
– i – a – o) van de Russische tekst In Mouravi’s vertaling loopt de eerste regel door naar
de tweede en is de suggestieve kracht ervan
geheel verdwenen: ‘In de nevel glinstert mijn
verlaten, / Stenig pad. / De barre vlakte wacht.’
Jammer, naast zoveel goeds.
Willem G. Weststeijn
Het is een beetje vreemd een boek te signaleren dat meer dan zestig jaar geleden is verschenen en dus absoluut niet meer verkrijgbaar is (zelfs op Boekwinkeltjes wordt het niet
aangeboden), maar ik wil dat in dit geval toch doen. Ik trof het onlangs aan in een van de
1-euro dozen van een handelaar op het Waterlooplein, had nog nooit van de schrijver, noch
de vertalers gehoord en bovendien was het boek
uitgegeven in de Tweede Wereldoorlog, een periode die in mijn bibliotheek nauwelijks is vertegenwoordigd. Genoeg reden om er iets meer
over te weten te komen en er enige aandacht aan
te besteden.
Wikipedia biedt enige gegevens over
František Křelina. De auteur leefde van 1903
tot 1976. Hij volgde een lerarenopleiding en
werkte als onderwijzer op dorpsscholen, later
als leraar in Český Dub. Na de bezetting van
het Sudentenland door de Duitsers woonde
en werkte hij in Praag. In 1951 werd hij door
het communistische bewind gearresteerd op
grond van ‘staatsgevaarlijke activiteiten’ en
tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld.
Negen jaar later kreeg hij amnestie, maar pas
in 1967 werd hij volledig gerehabiliteerd. Hij
schreef romans, toneelstukken en een groot
aantal, katholiek georiënteerde, artikelen voor
de Tsjechische pers.
Hubená léta (Magere jaren) is van 1935.
De roman speelt zich af in het begin van de
jaren dertig, in het gebied van de Tsjechische
katoenfabrieken, toen de internationale economische crisis ook daar tot een enorme werkeloosheid en armoede leidde. De hoofdpersoon
is een jonge fabrieksarbeider, die verliefd is op
een boerendochter. Als deze is verleid door een
ander, een kind van hem verwacht en zich vanwege de schande van het leven wil beroven,
verklaart de arbeider haar zijn liefde en trouwt
hij met haar. Ondanks de grote problemen – hij
heeft geen werk, zij verdient nauwelijks wat
met fijn handwerk – slaan ze zich erdoorheen.
Misschien geen grootse, wel een innemende
roman.
Ook de vertalers zijn via internet te traceren. F. Haulhaber (zie socialhistory.org/bwsa/
biografie/faulhaber) blijkt Frederik (Frits)
Faulhaber (1893-1979) te zijn, jaren lang de
leidende figuur in de wereld van de Nederlandse esperantisten. Hij kwam uit een arbeidersmilieu, werd opgeleid als huisschilder en
werd al vroeg lid van de in 1911 opgerichte
Nederlandse Federatie van Arbeiders-Esperantisten. In deze Federatie kreeg hij een belangrijke rol, werd voorzitter, afgevaardigde naar
internationale esperantocongressen, en voorkwam met succes de overname van het bestuur
van de Federatie door de communisten. Op
een van de congressen ontmoette hij de Tsjechische esperantiste Evža Čiškovská, met wie
hij in 1926 trouwde. Aangezien de Duitsers in
de Tweede Wereldooorlog de esperantoverenigingen (‘joodse’ organisaties) verboden zijn de
Faulhaubers ertoe overgegaan in de oorlogsjaren enkele werken uit het Tsjechisch in het Nederlands te vertalen, waaronder Magere jaren.
Wie het boek nog ergens bij ouders of grootouders in de kast zien staan: niet weggooien,
maar meenemen en lezen.
Willem G. Weststeijn
De jaren twintig en dertig van de vorige eeuw
lijken een bijna onuitputtelijke bron van literaire ontdekkingen. Dat komt doordat de Sovjet-Unie in die jaren barstte van het talent – het
hele Russische volk vertoonde een ongekende
energie die zich uitte in zowel de cultuur als de
economie – dat in de Stalinterreur echter voor
een groot deel vroegtijdig tot zwijgen werd
gebracht. Het gevolg was dat het werk van de
geëxecuteerde, naar een kamp afgevoerde, of
anderszins vervolgde schrijvers zolang als de
Sovjet-Unie bestond daar verboden was en pas
geleidelijk werd en wordt herontdekt. Bij de
grootsten (Charms, Platonov) is dat al veel eerder gebeurd, anderen wachten nog steeds op
hun beurt.

Een van de interessante schrijvers uit het
begin van het Sovjettijdperk is Michail Kozyrev (1892-1941). Hij publiceerde zijn eerste
verhalen nog voor Revolutie en schreef erna
een aantal satirische romans, die slecht vielen bij de scherpslijpers van de RAPP (Russische
Associatie van Proletarische Schrijvers), die
veel van de eigen collega’s die niet honderd
procent trouw in de leer waren het leven onmogelijk maakten. Uiteindelijk werd hij in 1941
gearresteerd omdat zijn verhaal Leningrad, geschreven in 1924, ‘lasterlijke aantijgingen’ (‘antisovjetagitatie’) bevatte tegen de Communistische Partij en de Sovjetregering. Vermoedelijk
is hij direct na zijn arrestatie geëxecuteerd. Als
zovelen is Kozyrev begin jaren zestig gerehabiliteerd, maar zijn werk kon pas verschijnen na
het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.
De vijfde reis van Gulliver schreef Kozyrev
in 1936, maar het mocht toen niet worden gepubliceerd. Met de beschrijving van een totalitaire maatschappij leek de auteur te doelen op
nazi-Duitsland, maar de censuur zag er voldoende verborgen toespelingen op de Sovjet-Unie in
om het boek te verbieden. In zijn roman sluit
Kozyrev aan bij Jonathan Swift en laat diens
held, Lemuel Gulliver, na zijn terugkeer uit het
land van de Houyhnhnms in Nottinghamshire
een nieuwe reis ondernemen. Vervolgd door de
Kerk, die hem het leven op zijn landgoed onmogelijk maakt, weet hij te vertrekken in een
luchtschip en komt uiteindelijk terecht in een
onbekend land, Uberal. Hij wordt, gegrepen,
naar de hoofdstad gebracht – die sterk op een
gevangenis lijkt – en voor de keizer gevoerd,
die hem veroordeelt tot zelfdoding door onthoofding. In Uberal, ‘het beste land ter wereld’, worden de misdadigers geacht zichzelf
te straffen. Gulliver slaagt erin gratie te krijgen
en valt bij de keizer zo in de smaak met zijn
verhalen dat hij zelfs een kamer in het paleis
krijgt. Hij wordt ‘koninklijke verteller’ en bestudeert de maatschappij waarin hij terecht is
gekomen. Men verzekert hem dat allen eensgezind zijn, in volledige vrijheid leven, als
één gezin in vrede en liefde met elkaar, en de
keizer als God, ofwel de Redder beschouwen.
Het grote aantal politieagenten op straat is er
‘om de blinde te helpen de straat over te steken
en de wenende te troosten’. In de stad ontmoet
Gulliver hongerende arbeiders, hoewel er in
Uberal absoluut geen honger wordt geleden,
aangezien de keizer iedereen te eten geeft. Alles is in schrijnende tegenstelling tot wat hem
officieel wordt voorgespiegeld.
Verplicht bloedonderzoek ter wille van de
raszuiverheid, boekverbranding, zieken die
niet kunnen werken en dus maar dood moeten,
de opbouw van een enorm leger en tevens talrijke vredesconferenties, misdadigers die twee
tot drie keer gedwongen worden hun straf uit
te zitten, de oorlog die op een gegeven moment
natuurlijk uitbreekt: Gulliver maakt het mee
en beschrijft het, de beste der werelden is toch
niet de meest aangename om in te wonen. Na
nog enige omzwervingen door Uberal, waar
hij de nodige avonturen beleeft, slaagt hij erin
op een boot terecht te komen die hem terugbrengt naar Engeland.
De vijfde reis van Gulliver is een geslaagd
satirisch verhaal. Heel goed dat de vertaler het
heeft opgepikt uit de lang vergeten, maar teruggekeerde literatuur.
Willem G. Weststeijn
Ik bezit een fraaie uitgave van het verzameld
werk van Vysotski (meer dan zeshonderd liederen-gedichten), maar ik heb daar zelden in
gekeken. Je moet, meende ik, de beroemde
bard met zijn unieke, rauwe stemgeluid horen zingen, het gaat om de performance, meer
om hoe hij zingt dan wat hij zingt, de teksten
komen pas in de tweede plaats. Ik beperkte
me dan ook tot het luisteren naar hem (hij is
prominent aanwezig op YouTube). Dankzij de recente publicatie van een vijftigtal van zijn
gedichten in een Nederlandse vertaling ben ik
– min of meer – tot andere gedachten gekomen. Als je de tekst op je laat inwerken en hem
goed leest (de uitgave van Benerus bevat naast
de vertaling ook de oorspronkelijke Russische
tekst) blijkt die tekst wel degelijk belangrijk:
behalve zanger is Vysotski een dichter, een
echte dichter.

Vladimir Vysotski is naast Boelat Okoezjava en Aleksandr Galitsj een van de drie Russische barden die in jaren zestig en zeventig van
de vorige eeuw, in dezelfde tijd als de Amerikaanse songwriters Bob Dylan en Leonard Cohen, triomfen vierde.
Hij is geboren in 1938,
woonde als kind anderhalf jaar in Oost-Duitsland, waar zijn vader in het Russische leger
diende, en deed op school in Moskou al mee in
allerlei toneelstukken. Hij leek bestemd acteur
te worden, maar jarenlang slaagde hij er niet in
een vaste aanstelling te krijgen bij een toneelgroep. Meer succes had hij met zijn liederen
– het eerste, ‘Tatoeage’, geschreven in 1961,
is ook opgenomen in Instructies voorafgaand
aan een buitenlandse reis – die via de magnetofoon door het hele land werden verspreid en
hem in korte tijd beroemd maakten. Hij zong
over van alles: de liefde, de oorlog, de gevangenen die na Chroesjtsjovs destalinisatie waren teruggekeerd uit de kampen, de wereld van
de dieven en misdadigers. Dat laatste thema
bracht hij zo indringend en overtuigend naar
voren dat velen ervan overtuigd waren dat hij
zelf uit deze wereld afkomstig was.
Na een kortdurend eerste huwelijk trouwde Vysotski met de actrice Ljoedmila Abramova, met wie hij twee kinderen kreeg. In
1964 werd hij geëngageerd door het Moskouse
Tagankatheater, in die tijd verreweg Ruslands
progressiefste theater, dat onder leiding van de
bekende regisseur Joeri Ljoebimov de grenzen opzocht van wat politiek mogelijk was.
Vysotski was daar zeer op zijn plaats en speelde allerlei rollen, onder andere Hamlet (‘Mijn
Hamlet’ is een van zijn bekende liederen). Als
Svidrigajlov liet hij in de toneelvoorstelling
van Dostojevski’s Misdaad en straf Raskolnikov verbleken. Hij bleef zestien jaar bij het Tagankatheater aangesteld en werd daar een van
de meest geliefde acteurs. Ook speelde hij in
talloze films en trad hij op in door de autoriteiten oogluikend toegestane concerten. In 1967
ontmoette hij op een Moskous filmfestival
de Franse actrice van Russische afkomst Marina Vlady. Ze trouwden drie jaar later, maar
Vysotski bleef in Rusland wonen; emigratie
was voor hem niet aan de orde; wel werd hem
toegestaan enkele reizen naar het buitenland te
maken, onder meer om zijn vrouw in Parijs te
ontmoeten. Vysotski’s onstuimige manier van
leven – hij werkte hard, maar was ook alcoholist en gebruikte drugs – werd hem uiteindelijk
fataal; in 1980 stierf hij na een hartaanval.
Vysotski’s belangrijkste erfenis zijn zijn
liederen, die een blijvende plaats zullen innemen in de Russische literatuur. Ook zelf stelde
hij zijn songdichterschap hoger dan zijn overige activiteiten. ‘Als je op de balans van een
weegschaal’, zei hij eens tegen het publiek,
‘mijn werk legt, aan de ene kant het theater,
de film, de televisie, mijn optredens tijdens
concerten, aan de andere kant mijn liederen,
dan verzeker ik u dat de liederen zwaarder wegen… ze eisen een enorme inspanning om de
juiste toon te treffen… het lied is bepaald niet
mijn hobby, het theater is mijn hobby.’
In Instructies voorafgaand aan een buitenlandse reis zijn 51 liederen/gedichten opgenomen in een vertaling waarbij de structuur van
het lied met zijn ritme en rijm en ook het vaak
harde taalgebruik gehandhaafd blijft, een bijzondere prestatie, want de combinatie van al
deze elementen maakt dat Vysotski heel lastig
te vertalen is. Ik citeer twee strofen uit ‘Ik heb
de pest’.
Ik heb de pest aan elk noodlottig einde,
Het leven is een onontkoombaar ding.
Ik heb de pest aan alle jaargetijden
Dat ik mijn opgewekte liederen niet
zing.
Ik heb de pest aan openlijk cynisme,
Dweperij jaagt me de stuipen op het
lijf.
Ik gruw ervan wanneer er op mijn
vingers
Wordt meegekeken als ik brieven
schrijf.
Twee van mijn favoriete liederen, waarin Vysotski’s stem zo schitterend tot zijn recht komt, ‘Wolvenjacht’ en ‘Kameraden wetenschappers’, zijn uitstekend vertaald, maar ook nog ingewikkelder teksten wat betreft ritme, rijm en woordgebruik kon de vertaler voortreffelijk aan. Neem bijvoorbeeld de eerste strofe van ‘Brief aan de redactie van het tv-programma Overduidelijk ongelofelijk uit de psychiatrische kliniek Dymphna’:
Hooggeacht programma! Het was hier zaterdag een drammen:
ze waren namelijk niet weg te rammen van de collectieve buis.
In plaats van eten, wassen, slapen – een spuit, op apegapen,
Zat iedereen zich te vergapen in de zaal van het ziekenhuis.
Zo’n vertaling vereist fantasie en dichterschap.
Die zijn in de vertaling van Robbert-Jan Henkes duidelijker aanwezig dan in de bestaande –
nogal dun gezaaide – bundels van vertalingen
in andere talen, zoals Unfinished Fight: Selected Songs of Vladimir Vysotsky (2011) en het
recente Selected Works (2022) uitgekomen bij
Glagolov Publications in Oosterhout.
Willem G. Weststeijn