Recensies en signalementen




Michail Lermontov, Mtsyri en andere gedichten. Vertaling Nina Targan Mouravi. Hoogland & Van Klaveren, z.p. 2024. 215 blz.



Michail Lermontov, Ruslands belangrijkste dichter van de romantiek, ontbreekt in geen enkele anthologie van Russische poëzie. Maar er is tot nu toe maar één eerdere bundel van zijn gedichten in een Nederlandse vertaling verschenen: Ik wil leven, ik wil lijden, vertaald door Kees Jiskoot (Benerus, Antwerpen 2008). Deze bundel bevat een ruime keuze uit Lermontovs gedichten, met als pièce de résistance het poëem Demon (De demon). Daarvan zijn in Mtsyri en andere gedichten wel enkele fragmenten opgenomen, maar in Mouravi’s bundel is, zoals de titel al aangeeft, een ander lang gedicht van Lermontov, ‘Mtsyri’ het belangrijkste.

Nina Targan Mouravi, de vertaalster van Mtsyri en andere gedichten, is een witte raaf onder de vertalers. Ze is van oorsprong een Georgische, Nederlands is dus haar tweede taal, maar toch heeft ze zich toegelegd op het vertalen van Russische poëzie met behoud van metrum en rijm. Dat lijkt een onmogelijke opgave – zelfs Nabokov, van wie we moeilijk kunnen zeggen dat hij het Engels niet perfect beheerste en die zelf ook dichter was, voelde zich gedwongen om Poesjkins Jevgeni Onegin in proza te vertalen – maar Nina Mouravi slaagt erin uitstekende vertalingen te maken, die niet onderdoen voor die van Nederlandse slavisten. Een bewonderenswaardige prestatie, waarvoor ze terecht in 2024 de Aleida Schotprijs heeft gekregen.

Lermontov (1814-1841) heeft ondanks zijn korte leven een flink oeuvre tot stand gebracht. Hij had zich al vroeg gepresenteerd als dichter, maar kwam pas echt de literatuur binnen met een gedicht naar aanleiding van de dood van Poesjkin (1837), waarin hij min of meer de hofkringen ervan beschuldigde dat zij diens dood op hun geweten hadden.


Gedood!...! Wat baat nu het gesnotter,
De loze hulde aan de held,
Zelfverontschuldigend gestotter,
Te laat! Het vonnis is geveld!


De tsaar was bepaald niet gediend van het in zijn ogen opruiende gedicht en verbande Lermontov naar de Kaukasus, waar hij – hij was zoals veel jonge adellijke Russen officier van de huzaren – moest dienen in het Russische leger dat het hele gebied probeerde te veroveren. In de gevechten met de Tsjetsjenen en andere volken onderscheidde Lermontov zich door zijn dapperheid. Hij sneuvelde niet, raakte zelfs niet gewond, maar toch werd de Kaukasus hem fataal. In een duel met een jeugdvriend werd hij daar gedood. Opmerkelijk is dat hij in een van de hoofdstukken (een dagboekfragment van de hoofdpersoon Petsjorin) van zijn in 1840 verschenen roman Een held van onze tijd de plaats en omstandigheden van dat duel bijna exact zo heeft beschreven als hij die zelf later meemaakte. Alleen: Petsjorin doodde zijn tegenstander, Lermontov werd gedood.

De tweetalige uitgave Mtsyri en andere gedichten bevat een aantal van Lermontovs bekendste gedichten, van het vroege ‘Engel’ (‘Een engel vloog laat door de hemel en zacht / Weerklonk zijn gezang in de nacht, / De sterren, de wolken, de wassende maan / Ze hoorden het ademloos aan’ 1831) tot het veel latere ‘Droom’ (1841), waarin, net als in het hoofdstuk in de roman Een held van onze tijd, Lermontov de toekomst als het ware voorvoelt (‘Een dal in Dagestan, de woeste droogte, / Daar lag ik roerloos in de middaggloed, / Mijn borst met lood doorboord. Nog altijd rookte / De diepe wond; traag sijpelde mijn bloed.’)

In ‘Mtsyri’, dat handelt over een jonge Georgische monnik die het klooster ontvlucht waarin hij sinds zijn kindertijd heeft geleefd, moet vechten met een tijger, ernstig ziek wordt en ten slotte rust vindt bij een oude monnik, moest de vertaalster alle registers opentrekken. Korte regels, rijmparen, vaak ook rijmterzetten met alijd de klemtoon op de laatste lettergreep, leiden gemakkelijk tot een dreun en vereisen veel poëtische vaardigheid:


Eén droom had ik maar, één tortuur,
Eén hartstocht, een verzengend vuur,
Eén toekomst die ik heb begeerd:
Ik was erdoor geobsedeerd,
Mijn geest werd door die droom verteerd.


Een mooie bundel. Met één aanmerking: een van Lermontovs mooiste regels, en een van de mooiste regels van de hele Russische poëzie is de beginregel van een gedicht: Vychozjóe odín ja na dorógu. De suggestie van eenzaamheid, verlatenheid, berusting, stilte, verlangen wordt niet alleen door de betekenis van de woorden weergegeven, maar ook door het ritme en de klank. Zo’n regel is eigenlijk niet te vertalen, de suggestieve kracht ervan is niet adequaat in een andere taal over te brengen. ‘Heel alleen ben ik op weg getogen;’ maakte Marko Fondse ervan, Kees Jiskoot ‘Eenzaam wandel ik de stille nacht in;’. De letterlijke vertaling ‘Ik ga alleen de weg op’ benadert het origineel misschien nog het meest, maar die past niet in de metrisch-ritmische structuur van het vers en mist ook, net als de andere vertalingen overigens, de bijzondere klankafwisseling (oe – i – a – o) van de Russische tekst In Mouravi’s vertaling loopt de eerste regel door naar de tweede en is de suggestieve kracht ervan geheel verdwenen: ‘In de nevel glinstert mijn verlaten, / Stenig pad. / De barre vlakte wacht.’ Jammer, naast zoveel goeds.

Willem G. Weststeijn



František Křelina, Magere jaren. Vertaling F. en E. Faulhaber-Čiškovská. F.G. Kroonder, Amsterdam 1941. 282 blz.


Het is een beetje vreemd een boek te signaleren dat meer dan zestig jaar geleden is verschenen en dus absoluut niet meer verkrijgbaar is (zelfs op Boekwinkeltjes wordt het niet aangeboden), maar ik wil dat in dit geval toch doen. Ik trof het onlangs aan in een van de 1-euro dozen van een handelaar op het Waterlooplein, had nog nooit van de schrijver, noch de vertalers gehoord en bovendien was het boek uitgegeven in de Tweede Wereldoorlog, een periode die in mijn bibliotheek nauwelijks is vertegenwoordigd. Genoeg reden om er iets meer over te weten te komen en er enige aandacht aan te besteden.

Wikipedia biedt enige gegevens over František Křelina. De auteur leefde van 1903 tot 1976. Hij volgde een lerarenopleiding en werkte als onderwijzer op dorpsscholen, later als leraar in Český Dub. Na de bezetting van het Sudentenland door de Duitsers woonde en werkte hij in Praag. In 1951 werd hij door het communistische bewind gearresteerd op grond van ‘staatsgevaarlijke activiteiten’ en tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Negen jaar later kreeg hij amnestie, maar pas in 1967 werd hij volledig gerehabiliteerd. Hij schreef romans, toneelstukken en een groot aantal, katholiek georiënteerde, artikelen voor de Tsjechische pers.

Hubená léta (Magere jaren) is van 1935. De roman speelt zich af in het begin van de jaren dertig, in het gebied van de Tsjechische katoenfabrieken, toen de internationale economische crisis ook daar tot een enorme werkeloosheid en armoede leidde. De hoofdpersoon is een jonge fabrieksarbeider, die verliefd is op een boerendochter. Als deze is verleid door een ander, een kind van hem verwacht en zich vanwege de schande van het leven wil beroven, verklaart de arbeider haar zijn liefde en trouwt hij met haar. Ondanks de grote problemen – hij heeft geen werk, zij verdient nauwelijks wat met fijn handwerk – slaan ze zich erdoorheen. Misschien geen grootse, wel een innemende roman.

Ook de vertalers zijn via internet te traceren. F. Haulhaber (zie socialhistory.org/bwsa/ biografie/faulhaber) blijkt Frederik (Frits) Faulhaber (1893-1979) te zijn, jaren lang de leidende figuur in de wereld van de Nederlandse esperantisten. Hij kwam uit een arbeidersmilieu, werd opgeleid als huisschilder en werd al vroeg lid van de in 1911 opgerichte Nederlandse Federatie van Arbeiders-Esperantisten. In deze Federatie kreeg hij een belangrijke rol, werd voorzitter, afgevaardigde naar internationale esperantocongressen, en voorkwam met succes de overname van het bestuur van de Federatie door de communisten. Op een van de congressen ontmoette hij de Tsjechische esperantiste Evža Čiškovská, met wie hij in 1926 trouwde. Aangezien de Duitsers in de Tweede Wereldooorlog de esperantoverenigingen (‘joodse’ organisaties) verboden zijn de Faulhaubers ertoe overgegaan in de oorlogsjaren enkele werken uit het Tsjechisch in het Nederlands te vertalen, waaronder Magere jaren. Wie het boek nog ergens bij ouders of grootouders in de kast zien staan: niet weggooien, maar meenemen en lezen.

Willem G. Weststeijn



Michail Kozyrev, De vijfde reis van Gulliver. Vertaling Emmanuel Waegemans. Benerus, Antwerpen 2024. 209 blz.


De jaren twintig en dertig van de vorige eeuw lijken een bijna onuitputtelijke bron van literaire ontdekkingen. Dat komt doordat de Sovjet-Unie in die jaren barstte van het talent – het hele Russische volk vertoonde een ongekende energie die zich uitte in zowel de cultuur als de economie – dat in de Stalinterreur echter voor een groot deel vroegtijdig tot zwijgen werd gebracht. Het gevolg was dat het werk van de geëxecuteerde, naar een kamp afgevoerde, of anderszins vervolgde schrijvers zolang als de Sovjet-Unie bestond daar verboden was en pas geleidelijk werd en wordt herontdekt. Bij de grootsten (Charms, Platonov) is dat al veel eerder gebeurd, anderen wachten nog steeds op hun beurt.


Een van de interessante schrijvers uit het begin van het Sovjettijdperk is Michail Kozyrev (1892-1941). Hij publiceerde zijn eerste verhalen nog voor Revolutie en schreef erna een aantal satirische romans, die slecht vielen bij de scherpslijpers van de RAPP (Russische Associatie van Proletarische Schrijvers), die veel van de eigen collega’s die niet honderd procent trouw in de leer waren het leven onmogelijk maakten. Uiteindelijk werd hij in 1941 gearresteerd omdat zijn verhaal Leningrad, geschreven in 1924, ‘lasterlijke aantijgingen’ (‘antisovjetagitatie’) bevatte tegen de Communistische Partij en de Sovjetregering. Vermoedelijk is hij direct na zijn arrestatie geëxecuteerd. Als zovelen is Kozyrev begin jaren zestig gerehabiliteerd, maar zijn werk kon pas verschijnen na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.

De vijfde reis van Gulliver schreef Kozyrev in 1936, maar het mocht toen niet worden gepubliceerd. Met de beschrijving van een totalitaire maatschappij leek de auteur te doelen op nazi-Duitsland, maar de censuur zag er voldoende verborgen toespelingen op de Sovjet-Unie in om het boek te verbieden. In zijn roman sluit Kozyrev aan bij Jonathan Swift en laat diens held, Lemuel Gulliver, na zijn terugkeer uit het land van de Houyhnhnms in Nottinghamshire een nieuwe reis ondernemen. Vervolgd door de Kerk, die hem het leven op zijn landgoed onmogelijk maakt, weet hij te vertrekken in een luchtschip en komt uiteindelijk terecht in een onbekend land, Uberal. Hij wordt, gegrepen, naar de hoofdstad gebracht – die sterk op een gevangenis lijkt – en voor de keizer gevoerd, die hem veroordeelt tot zelfdoding door onthoofding. In Uberal, ‘het beste land ter wereld’, worden de misdadigers geacht zichzelf te straffen. Gulliver slaagt erin gratie te krijgen en valt bij de keizer zo in de smaak met zijn verhalen dat hij zelfs een kamer in het paleis krijgt. Hij wordt ‘koninklijke verteller’ en bestudeert de maatschappij waarin hij terecht is gekomen. Men verzekert hem dat allen eensgezind zijn, in volledige vrijheid leven, als één gezin in vrede en liefde met elkaar, en de keizer als God, ofwel de Redder beschouwen. Het grote aantal politieagenten op straat is er ‘om de blinde te helpen de straat over te steken en de wenende te troosten’. In de stad ontmoet Gulliver hongerende arbeiders, hoewel er in Uberal absoluut geen honger wordt geleden, aangezien de keizer iedereen te eten geeft. Alles is in schrijnende tegenstelling tot wat hem officieel wordt voorgespiegeld.

Verplicht bloedonderzoek ter wille van de raszuiverheid, boekverbranding, zieken die niet kunnen werken en dus maar dood moeten, de opbouw van een enorm leger en tevens talrijke vredesconferenties, misdadigers die twee tot drie keer gedwongen worden hun straf uit te zitten, de oorlog die op een gegeven moment natuurlijk uitbreekt: Gulliver maakt het mee en beschrijft het, de beste der werelden is toch niet de meest aangename om in te wonen. Na nog enige omzwervingen door Uberal, waar hij de nodige avonturen beleeft, slaagt hij erin op een boot terecht te komen die hem terugbrengt naar Engeland.

De vijfde reis van Gulliver is een geslaagd satirisch verhaal. Heel goed dat de vertaler het heeft opgepikt uit de lang vergeten, maar teruggekeerde literatuur.

Willem G. Weststeijn



Vladimir Vysotski, Instructies voorafgaand aan een buitenlandse reis. Vertaling Robbert-Jan Henkes. Benerus, Antwerpen 2025. 256 blz.



Ik bezit een fraaie uitgave van het verzameld werk van Vysotski (meer dan zeshonderd liederen-gedichten), maar ik heb daar zelden in gekeken. Je moet, meende ik, de beroemde bard met zijn unieke, rauwe stemgeluid horen zingen, het gaat om de performance, meer om hoe hij zingt dan wat hij zingt, de teksten komen pas in de tweede plaats. Ik beperkte me dan ook tot het luisteren naar hem (hij is prominent aanwezig op YouTube). Dankzij de recente publicatie van een vijftigtal van zijn gedichten in een Nederlandse vertaling ben ik – min of meer – tot andere gedachten gekomen. Als je de tekst op je laat inwerken en hem goed leest (de uitgave van Benerus bevat naast de vertaling ook de oorspronkelijke Russische tekst) blijkt die tekst wel degelijk belangrijk: behalve zanger is Vysotski een dichter, een echte dichter.

Vladimir Vysotski is naast Boelat Okoezjava en Aleksandr Galitsj een van de drie Russische barden die in jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, in dezelfde tijd als de Amerikaanse songwriters Bob Dylan en Leonard Cohen, triomfen vierde.

Hij is geboren in 1938, woonde als kind anderhalf jaar in Oost-Duitsland, waar zijn vader in het Russische leger diende, en deed op school in Moskou al mee in allerlei toneelstukken. Hij leek bestemd acteur te worden, maar jarenlang slaagde hij er niet in een vaste aanstelling te krijgen bij een toneelgroep. Meer succes had hij met zijn liederen – het eerste, ‘Tatoeage’, geschreven in 1961, is ook opgenomen in Instructies voorafgaand aan een buitenlandse reis – die via de magnetofoon door het hele land werden verspreid en hem in korte tijd beroemd maakten. Hij zong over van alles: de liefde, de oorlog, de gevangenen die na Chroesjtsjovs destalinisatie waren teruggekeerd uit de kampen, de wereld van de dieven en misdadigers. Dat laatste thema bracht hij zo indringend en overtuigend naar voren dat velen ervan overtuigd waren dat hij zelf uit deze wereld afkomstig was.

Na een kortdurend eerste huwelijk trouwde Vysotski met de actrice Ljoedmila Abramova, met wie hij twee kinderen kreeg. In 1964 werd hij geëngageerd door het Moskouse Tagankatheater, in die tijd verreweg Ruslands progressiefste theater, dat onder leiding van de bekende regisseur Joeri Ljoebimov de grenzen opzocht van wat politiek mogelijk was. Vysotski was daar zeer op zijn plaats en speelde allerlei rollen, onder andere Hamlet (‘Mijn Hamlet’ is een van zijn bekende liederen). Als Svidrigajlov liet hij in de toneelvoorstelling van Dostojevski’s Misdaad en straf Raskolnikov verbleken. Hij bleef zestien jaar bij het Tagankatheater aangesteld en werd daar een van de meest geliefde acteurs. Ook speelde hij in talloze films en trad hij op in door de autoriteiten oogluikend toegestane concerten. In 1967 ontmoette hij op een Moskous filmfestival de Franse actrice van Russische afkomst Marina Vlady. Ze trouwden drie jaar later, maar Vysotski bleef in Rusland wonen; emigratie was voor hem niet aan de orde; wel werd hem toegestaan enkele reizen naar het buitenland te maken, onder meer om zijn vrouw in Parijs te ontmoeten. Vysotski’s onstuimige manier van leven – hij werkte hard, maar was ook alcoholist en gebruikte drugs – werd hem uiteindelijk fataal; in 1980 stierf hij na een hartaanval.

Vysotski’s belangrijkste erfenis zijn zijn liederen, die een blijvende plaats zullen innemen in de Russische literatuur. Ook zelf stelde hij zijn songdichterschap hoger dan zijn overige activiteiten. ‘Als je op de balans van een weegschaal’, zei hij eens tegen het publiek, ‘mijn werk legt, aan de ene kant het theater, de film, de televisie, mijn optredens tijdens concerten, aan de andere kant mijn liederen, dan verzeker ik u dat de liederen zwaarder wegen… ze eisen een enorme inspanning om de juiste toon te treffen… het lied is bepaald niet mijn hobby, het theater is mijn hobby.’

In Instructies voorafgaand aan een buitenlandse reis zijn 51 liederen/gedichten opgenomen in een vertaling waarbij de structuur van het lied met zijn ritme en rijm en ook het vaak harde taalgebruik gehandhaafd blijft, een bijzondere prestatie, want de combinatie van al deze elementen maakt dat Vysotski heel lastig te vertalen is. Ik citeer twee strofen uit ‘Ik heb de pest’.


Ik heb de pest aan elk noodlottig einde,
Het leven is een onontkoombaar ding.
Ik heb de pest aan alle jaargetijden
Dat ik mijn opgewekte liederen niet zing.

Ik heb de pest aan openlijk cynisme,
Dweperij jaagt me de stuipen op het lijf.
Ik gruw ervan wanneer er op mijn vingers
Wordt meegekeken als ik brieven schrijf.


Twee van mijn favoriete liederen, waarin Vysotski’s stem zo schitterend tot zijn recht komt, ‘Wolvenjacht’ en ‘Kameraden wetenschappers’, zijn uitstekend vertaald, maar ook nog ingewikkelder teksten wat betreft ritme, rijm en woordgebruik kon de vertaler voortreffelijk aan. Neem bijvoorbeeld de eerste strofe van ‘Brief aan de redactie van het tv-programma Overduidelijk ongelofelijk uit de psychiatrische kliniek Dymphna’:


Hooggeacht programma! Het was hier zaterdag een drammen:
ze waren namelijk niet weg te rammen van de collectieve buis.
In plaats van eten, wassen, slapen – een spuit, op apegapen,
Zat iedereen zich te vergapen in de zaal van het ziekenhuis.


Zo’n vertaling vereist fantasie en dichterschap. Die zijn in de vertaling van Robbert-Jan Henkes duidelijker aanwezig dan in de bestaande – nogal dun gezaaide – bundels van vertalingen in andere talen, zoals Unfinished Fight: Selected Songs of Vladimir Vysotsky (2011) en het recente Selected Works (2022) uitgekomen bij Glagolov Publications in Oosterhout.

Willem G. Weststeijn






<

TSL 98