Henryk Sienkiewicz




Hania (hoofdstuk V)




Daags na onze zwelgpartij kwamen de paarden van de oude Mirza uit Chorzele aan. Selim en ik gingen ’s morgens vroeg op pad. We hadden twee drukke reisdagen voor de boeg, daarom stonden we op met het aanbreken van de dageraad. In ons herenhuis lag alles nog op één oor. Alleen vanachter het raam van het bijgebouw tegenover ons glansde, tussen de geraniums, muurbloemen en fuchsia’s door, het gezichtje van Józia, het meisje dat naar een private meisjesschool ging. Selim, met zijn reistas op zijn rug en zijn academische baret op zijn hoofd, klaar om op weg te gaan, ging voor het raam staan om zijn vertrek aan te kondigen, waarna vanachter de geraniums een droefgeestig gezicht opdook. Toen hij echter de ene hand op zijn hart gelegd en met de andere hand een kusje overgebracht had, liep het gezichtje tussen de bloemen rood aan en trok het zich vlug terug, de duisternis van de kamer in. Beneden op de verharde grond van de binnenplaats ratelde de brik met de vierspan. Het was tijd om afscheid te nemen en in de brik te gaan zitten, maar Selim bleef maar wachten en voor het raam staan, in de hoop dat hij nog iets te zien zou krijgen. De hoop beschaamde hem echter; het bleef leeg achter het raam. Pas toen we naar beneden gegaan waren en voorbij de duistere ontvangsthal in het bijgebouw liepen, zagen we op de trap twee witte kousen, een notenbruine jurk, voorovergebogen vrouwenborsten en twee heldere ogen die met een hand waren afgedekt en vanuit de schemering naar het heldere daglicht tuurden. Mirza stapte meteen de ontvangsthal binnen, maar ik ging in de brik zitten die vlak naast de ontvangsthal stond, vanwaar ik wat gefluister en bepaalde geluiden hoorde die sterk deden denken aan het geluid van kussen. Daarna kwam Mirza naar buiten, blozend, half lachend en half geëmotioneerd, en ging naast mij zitten. De voerman gaf de paarden de sporen, Mirza en ik bleven onwillekeurig naar het raampje kijken. Opnieuw schitterde het gezichtje van Józia tussen de bloemen door; heel even nog, er werd een handje met een witte zakdoek uitgestoken, nog een laatste afscheidsgebaar en toen reed de brik de straat op, met mij en het droombeeld van die arme Józia aan boord.

Het was nog zeer vroeg in de ochtend, de stad sliep nog. Het roze ochtendgloren danste over de ramen van de in slaap verzonken herenhuizen, zo nu en dan was de doffe weerklank te horen van de voetstappen van een voorbijganger die al vroeg uit de veren was, hier en daar was een wachter de straat aan het vegen en af en toe ratelde er een groentekar langs die van het platteland kwam en op weg was naar de markt in de stad. Verder was het rustig en helder, winderig en frisjes, zoals meestal het geval is op een zomerse ochtend. Onze kleine brik, waarvoor vier Tataarse paarden gespannen waren, stuiterde op en neer op de kasseien, als een nootje dat aan een touwtje meegetrokken wordt. Kort daarna werd ons gezicht overspoeld door een fris en koel briesje dat uit de richting van de rivier kwam, was het geklop van de paardenhoeven op de brug te horen en na een tocht van een halfuur hadden we de tolhuizen achter ons gelaten en bevonden we ons te midden van uitgestrekte akkers, graanvelden en bossen.

Onze longen namen een flinke teug van het overheerlijke morgenbriesje, terwijl onze ogen zich tegoed deden aan de omgeving. De aarde ontwaakte uit haar slaap; de dauwdruppels hingen als parels aan de vochtige boombladeren en lagen te glinsteren op de aren van allerhande graansoorten. In de heggen wriemelden de vogels vrolijk rond, die met hun gekwetter en getjilp de prachtige dag verwelkomden. Het bos en de weilanden doemden op vanuit de ochtendmist, waarin ze als in een luier ingewikkeld waren. Hier en daar lag in de weilanden een plas water te glinsteren waar ooievaren doorheen waadden, omringd door gouden dotterbloemen. Uit de schoorstenen van de plattelandshutjes stegen roze rookpluimen in een rechte baan omhoog, en een zacht windje deed de gouden akkers met rijpe rogge deinen en schudde het vocht van de afgelopen nacht ervan af. De vrolijkheid spatte overal van af; het leek alsof alles en iedereen ontwaakte, opleefde en alsof de hele omgeving zong:

’s Morgens met het ochtendgloren,
Laat de wereld Uw lof horen.1


Wat er toen in ons hart omging, zal een ieder gemakkelijk begrijpen als hij zich te binnen brengt hoe het was als hij zelf in zijn jonge jaren op zo’n wonderschone zomermorgen naar huis terugkeerde. De jaren van onze kindertijd en schoolplicht lagen reeds achter ons, en de tijd van onze jonkheid lag wijd voor ons open, als een weelderige steppe vol bloemen met een eindeloze horizon, een interessant en onbekend land waarheen we onder een gunstig gesternte op weg waren gegaan; we waren immers jong en sterk, we droegen als het ware vleugels op onze schouders, als jonge adelaars. Van alle schatten in de wereld is de jeugd de grootste schat, en ondanks de rijke inhoud van deze schat hadden we er nog geen rooie cent van uitgegeven.

De tocht verliep snel doordat er bij iedere halte weer nieuwe paarden op ons stonden te wachten. Na een hele nacht te hebben doorgereisd zagen we de volgende dag tegen de avond, toen we het bos uit waren gereden, Chorzele liggen en de spitse punt van de minaret van een huismoskee, die glansde in de stralen van de ondergaande zon. Kort daarna reden we een terp op die beplant was met wilgen en ligusters, aan weerszijden waarvan twee enorme vijvers met molens en een aantal houtzagerijen gelegen waren. We werden geleid door het slaperige geratel en gekwaak van de kikkers, die bij de met gras begroeide oevers lagen te baden in het water dat door de hitte van de dag verwarmd was. Het was te zien dat de dag zich klaarmaakte om te gaan rusten. Via de terp keerden de kuddes vee en schapen, die helemaal onder het stof zaten, weer terug naar de boerenhoeven. Hier en daar liepen groepjes mensen met sikkels, zeisen en harken op hun schouders, die op weg waren naar huis en in zichzelf aan het neuriën waren: ‘Tralala, tralala!’

Deze vriendelijke mensen hielden de brik staande, kusten de handen van Selim en heetten hem hartelijk welkom. Het duurde niet lang voordat de zon nog verder naar het westen afgebogen was en zijn blinkende schild reeds voor de helft achter het riet verborgen had. Alleen een brede gouden lichtstreep weerspiegelde nog in het midden van de twee vijvers, en aan de oevers daarvan stonden de bomen zichzelf in het gladde diepe water te bekijken. We bogen ietsje af naar rechts, en meteen daarop zagen we te midden van de lindebomen, populieren, sparren en essen de blinkende witte wanden van het adellijke landhuis van Chorzele. Op de binnenplaats rinkelde een bel om de mensen te roepen voor het avondeten, terwijl tegelijkertijd vanuit de kleine minaret de klagelijke en zangerige stem van de muezzin des huizes te horen was, die aankondigde dat de komende nacht een sterrenhemel met zich mee zou brengen en dat Allah groot is. In een nest in de top van een boom die boven het dak van het landhuis uitstak, stond een ooievaar in de vorm van een Etruskische kruik, zo stokstijf als een standbeeld. Heel eventjes doorbrak hij deze houding door zijn snavel als een koperen speer in de lucht te steken om hem vervolgens weer op zijn borst te laten zakken, waarna hij begon te klepperen alsof hij de muezzin wilde begeleiden en daarbij met zijn kop knikte als wilde hij ons welkom heten. Ik keek naar Selim. Hij had tranen in zijn ogen, maar zijn blik glunderde met een onvergelijkelijke zoetheid die alleen hem eigen was. We reden de binnenplaats op.

Voor het met glas ingelegde portiek zat de oude Mirza die, terwijl hij hemelsblauwe rook uit de steel van zijn pijp opzoog, met een vrolijke blik in zijn ogen naar die stille bedrijvigheid zat te kijken waarvan het in dat bekoorlijke landschap krioelde. Zodra hij zijn zoon zag, stond hij vlug op van zijn plek, greep hem bij de schouders en drukte hem lange tijd tegen zijn borst aan, want hoewel hij streng was voor zijn zoon, beminde hij hem meer dan wie of wat dan ook. Hij vroeg meteen hoe zijn examen gegaan was, en daarna volgden nog meer omhelzingen. De grote voltallige hofhouding liep uit om de jongeheer te verwelkomen, de honden sprongen vrolijk om hem heen. Vanuit het portiek kwam de wolvin aanhollen, het lievelingsdier van de oude Mirza dat door hem gefokt werd. ‘Zula! Zula!’, riep Selim naar haar, en zij sprong met haar enorme poten tegen zijn schouders op, likte hem over zijn gezicht, en begon als een dolle om hem heen te rennen, terwijl ze jankte en haar afschrikwekkende tanden liet zien, blij als ze was.

Daarna liepen we de eetzaal in. Ik bekeek Chorzele en alles wat er te zien was als iemand die verlangde er iets nieuws aan te treffen. Er was niets veranderd; de portretten van Selims voorouders, de ritmeesters en vaandrigs, hingen nog altijd aan de muur, als vanouds. De geduchte Mirza, kolonel van de lichte cavalerie ten tijde van de Pools-Litouwse koning en grootvorst Jan Sobieski, keek op mij neer met diezelfde schuine, onheilspellende ogen als altijd, maar het scheen mij toe dat zijn gezicht, dat gehavend was door de sabelslagen, er nog lelijker en vreeswekkender uitzag dan eerst. Mirza, de vader van Selim, was het meest veranderd. Zijn dikke opgeschoren haar, dat vroeger zwart was, was grauwig geworden, zijn weelderige snor was haast helemaal wit geworden, en zijn gelaatstrekken waren steeds meer op die van een Tataar gaan lijken. Ach! Wat een onderscheid was er tussen de oude Mirza en Selim, tussen dat knokige, strenge, ja barse gezicht en dat engelengezicht, dat helemaal in bloei stond, zo fris en lieflijk was het. Maar ik vind het eveneens lastig om naar waarheid de liefde te beschrijven waarmee de oude man op zijn jongen neerzag en iedere beweging van hem gadesloeg.

Daar ik ze niet lastig wilde vallen, hield ik me afzijdig; maar het duurde niet lang voordat de oude gastvrije man als een echte Poolse edelman mij verwelkomde, omhelsde en mij een overnachting aanbood. Ik wilde er niet overnachten, aangezien ik nodig naar huis moest, maar de avondmaaltijd kon ik niet afslaan. Laat in de nacht vertrok ik uit Chorzele en toen ik nabij huis kwam, stond het Zevengesternte reeds aan de hemel, wat betekent dat het al middernacht was. In het dorp brandde geen licht meer achter de ramen, alleen in de verte bij het bos waren lichtjes van een teerfabriek te zien. Rondom de plattelandshutjes waren honden aan het blaffen. Op de laan met lindebomen die naar ons landhuis leidde, was het aardedonker. Een man met paarden reed mij voorbij, hij humde zachtjes een liedje, maar ik herkende zijn gezicht niet. Ik reed tot aan het portiek van het landhuis. Achter de ramen was het nog donker, zo te zien sliep iedereen al. Alleen de honden kwamen van alle kanten aangerend, die luidruchtig en aanhoudend begonnen te blaffen en om de brik heen renden. Ik stapte uit en klopte op de deur, maar het duurde lang voordat er iemand kwam opdagen. Ik vond dat erg vervelend; ik had namelijk gedacht dat ze me op zouden wachten. Pas na een tijdje sprong hier en daar licht aan achter de ramen, en een slaperige stem, waarin ik de stem van Franek herkende, vroeg: ‘Wie is daar?’

Ik gaf antwoord, Franek deed de deur open en gaf mij meteen een handkus. Ik vroeg of iedereen in orde was.

‘Iedereen is in orde,’ antwoordde Franek, ‘alleen is de heer des huizes naar de stad gegaan. Morgen komt hij pas terug.’

Al pratend begeleidde hij mij naar de eetkamer, waarna hij de lamp boven de tafel aanstak en de kamer uitging om thee klaar te maken. Ik bleef voor een moment alleen achter, alleen met mijn gedachten en een luid kloppend hart; het was echter een moment van korte duur, want algauw kwam priester Ludwik aangelopen in zijn nachtgewaad, evenals die aardige mevrouw d’Yves, die ook in het wit gekleed was, met haar gebruikelijke papillotten en badmuts, en Kazio, die een maand geleden naar huis was gekomen in verband met schoolvakantie. Ik werd teerhartig ontvangen door deze hartelijke mensen, die er versteld van stonden hoe hard ik gegroeid was. De priester vond dat ik een forse kerel was geworden, volgens mevrouw d’Yves was ik knapper geworden. Pas na enige tijd begon priester Ludwik, de arme drommel, me schoorvoetend te bevragen over mijn examen en schooldiploma, maar toen hij hoorde van mijn successen, barstte hij zelfs in huilen uit en omhelsde hij me, terwijl hij me zijn lieve jongen noemde. Op dat moment hoorden we vanuit een andere kamer het getrappel van blote voetjes en vielen mijn twee kleine zusjes, slechts gekleed in een hemd en een badmuts, de kamer binnen, terwijl ze aan één stuk door riepen: ‘Henlik is telug! Henlik is telug!’ en op mijn schoot sprongen. Mevrouw d’Yves wees ze terecht, maar tevergeefs. Ze zei dat het iets ongehoords was dat twee zulke jongedames (de ene was acht en de andere negen jaar oud) zich in zulke ‘negligés’ aan de mensen vertoonden. De meisjes, die zich nergens aan stoorden, legden hun armpjes om mijn hals en drukten hun prachtige snoetjes tegen mijn wangen aan. Meteen daarna vroeg ik schuchter naar Hania.

‘O, die is groot geworden!’ antwoordde mevrouw d’Yves. ‘Ze komt er zo aan, ze is zich waarschijnlijk alleen nog aan het opdoffen.’

Ik hoefde inderdaad niet lang te wachten, want zo’n vijf minuten later kwam Hania de kamer binnen. Ik keek naar haar en o God! wat een verandering had zich in een halfjaar tijd in dit zestienjarige frêle en magere weesmeisje voltrokken. Voor mij stond een haast volwassen, op zijn minst jongvolwassen dame. Haar lichaamsvormen waren wondermooi opgevuld en rond geworden. Haar gezicht had een delicate maar gezonde teint, op haar wangen brandden blosjes, alsof het ochtendgloren erop weerkaatst werd. Ze straalde gezondheid, jeugdigheid, frisheid en charme uit, als een roos die in volle bloei staat. Ik bemerkte dat ze me met haar grote blauwe ogen stond te bekijken, maar ik zag ook dat ze wel door moest hebben dat ik haar bewonderde en van haar onder de indruk was, want er dwaalde een flauw glimlachje over haar mondhoeken. In de belangstelling waarmee we elkaar wederzijds aankeken, schuilde reeds iets van die verlegenheid waarmee een jongeman en jonge vrouw elkaar doorgaans aankijken. Och! Die eenvoudige, hartelijke betrekkingen tussen broer en zus, die verhoudingen uit onze kindertijd, waren ergens in het bos achtergelaten om nooit meer terug te keren.

Ach, hoe prachtig was ze met dat glimlachje en die stille blijdschap in haar ogen! Het licht van de lamp boven de tafel viel over haar blonde haren. Ze was gekleed in een zwarte jurk en een dito pelerine die ze inderhaast had aangetrokken en met een hand op haar borst onder haar witte hals vasthield; deze kledij vertoonde echter een zekere sierlijke slordigheid doordat ze hem zo haastig had omgedaan. De warmte van de slaap straalde van haar af. Toen ik om haar te begroeten haar hand aanraakte, voelde deze warm, zacht en als fluweel aan, en een siddering van genot ging door mij heen bij deze aanraking. Hania was zowel vanbinnen als vanbuiten veranderd. Toen ik wegging, was ze nog een eenvoudig, enigszins dienstbaar meisje; nu was ze een jongedame met adellijke gelaatstrekken en adellijke manieren die blijk gaven van een goede opvoeding en van de vaste gewoonte om met goed gezelschap om te gaan. Haar morele en mentale nuchterheid van geest was aan haar ogen af te lezen. Ze was in geen enkel opzicht een kind meer; dat bleek uit dat vage glimlachje en die zekere vorm van onschuldige koketterie waarmee ze me aankeek, waaraan te zien was dat ze doorhad hoezeer de verhouding waarin we die dag tegenover elkaar stonden, verschilde van vroeger. Kort daarna ontdekte ik zelfs dat ze me in zekere zin overtrof; ik was dan weliswaar meer thuis in de wetenschappen, maar als het ging over de zaken van het leven, het begrijpen van iedere situatie en ieder woord, was ik nog een tamelijk simpel jochie. Hania ging vrijer met mij om dan ik met haar. De ernst die ik als voogd en jonkheer aan de dag legde, was ook ergens in het bos achtergebleven. De hele reis lang was ik bezig geweest om met mezelf af te stemmen hoe ik Hania moest verwelkomen, wat ik tegen haar moest zeggen en hoe ik altijd goed en toegeeflijk jegens haar kon zijn, maar al die voornemens vielen volledig in duigen. De situatie begon zich zo te ontwikkelen dat het erop leek dat niet ik jegens haar, maar zij jegens mij goedaardig en vriendelijk was. Op dat moment besefte ik dat nog niet zo duidelijk, maar ik voelde het meer dan dat ik het begreep. Ik had me voorgenomen haar te vragen waarvoor ze aan het leren was en wat ze geleerd had, hoe ze haar tijd doorbracht, of mevrouw d’Yves en priester Ludwik tevreden over haar waren; en ondertussen was zij het die, steeds met dat glimlachje rondom haar mondhoeken, mij vroeg waar ik me mee bezighield, waarvoor ik leerde en wat mijn plannen voor de toekomst waren. Het verliep vreemd genoeg allemaal heel anders dan ik me had voorgenomen. Om kort te gaan: onze verhouding had een regelrechte ommekeer gemaakt.

Nadat we een uur lang hadden doorgepraat, legden we ons allen te rusten. Ik kwam tot mezelf, enigszins dromerig, licht verbaasd, ietwat teleurgesteld en een beetje uit het veld geslagen, als gevolg van de verschillende indrukken die ik had opgedaan. Die indrukken werden algauw volledig verzwolgen door de liefde die weer levendig was geworden en de kop opstak zoals een vlam door de kieren van een brandend gebouw heen dringt. Het was eenvoudigweg de gestalte van Hania, die maagdelijke, elegante gestalte vol charme, die ik voor me zag, zo aanlokkelijk en omwonden met de warmte van de slaap als ze was, zoals ze met haar witte handje haar slordige kleren bij haar borst vasthield en haar vlechten los had hangen, die mijn jeugdige verbeelding op hol bracht en mij volledig verzwolg.

Ik viel in slaap met het beeld van haar nog onder mijn oogleden.


Vertaling Marc van Rijswijk






1 Kiedy ranne wstają zorze – een Pools christelijk morgengezang van de dichter Franciszek Karpiński (1741-1825).



<

TSL 98

>