Maria Kuncewiczowa
De vreemdelinge
1
Róża belde vastberaden maar ook nerveus aan: laat ze nou toch
opendoen, weten ze dan niet dat zij hier met belangrijke zaken
staat! Sabina kwam snel met haar grote dikke lichaam aangezeuld,
deze keer van de keuken naar de hal.
‘Goedendag, mevrouw,’ zei ze gedwee.
Ze hielp Róża uit haar bontjas, nam haar mof en hoed aan,
wachtte op orders, mompelde wat en schudde afwisselend haar
ene en andere arm. Je zag dat haar respect en nerveuze angst niet
opwogen tegen de oude wrok die ze koesterde, noch tegen haar
chronische behoefte in te gaan tegen het karakter van de zojuist
gearriveerde gast.
Róża deed langzaam haar overkleding uit en gebruikte Sabina
daarbij als kapstok of stoel. Nadat ze haar haar had geschikt, wierp
ze eindelijk bliksemsnel een blik op haar gezicht in de spiegel en
liep daarna richting kamer. Al bijna bij de deur, vroeg ze naar haar
dochter:
‘Waar is mevrouw Marta? In de badkamer?’
Sabina antwoordde: ‘Zo te zien is mevrouw Marta vergeten
dat u zou komen, mevrouw. Ze is de deur uit gegaan zonder iets
te zeggen.’
Ondanks die klap gaf Róża geen krimp; ze deed daarentegen
iets waardoor haar wangen en ogen opeens lichter leken, nieuwer;
vreugdevol. Ze neuriede een deuntje en begon pakjes uit te stallen
op de kaptafel van haar dochter. Sabina stond nog steeds bij de
wandkapstok in de hal.
‘Ja, het was mooi weer, dus is mevrouw vanmorgen vroeg al
op stap gegaan met mevrouw Mira, ergens richting de Ujazdowskilaan,1 of naar een of ander “Europa”.2 Zoals jongedames doen.’
Róża liet zich niet zien; uit de gele kamer was alleen diezelfde
hoge, heldere stem als daarvoor te horen: ‘Ga maar terug naar de
keuken, Sabina. Als ik bel, kom me dan een kopje thee brengen.
En ik houd de telefoon wel in de gaten, want mevrouw zal me
bellen, ik was vergeten dat ze vandaag naar Zbyszeks school zou
gaan om met zijn onderwijzer te spreken.’
De vloer in de eetkamer dreunde, de gangdeur sloeg dicht en
het kabaal denderde door het hele huis, ergens tussen de badkamer
en de provisiekast ontglipte uit dat tumult van kracht en woede een
sidderend, scherp, ijl liedje; ‘Alleluja, u jokt waar ik bij sta…’. Het
liedje verdween achter de keukendeur.
Róża ging nu zitten en stond haar gezicht toe te betrekken. Haar
triomfantelijke lippen verzonken in haar gezicht, lieten amper een
spoor of schram op haar huid achter, haar wijde pupillen vernauwden zich zoals bij een geslagen hond, haar neus werd spits en haar
voorhoofd vuil, verfrommeld. Krampachtig slikte ze wat speeksel
weg dat zo te zien bitter was, want haar mondhoeken trilden. Ze legde haar handen op de armleuning van de fauteuil en zo verstarde ze.
Die roerloosheid duurde echter niet lang. Algauw ontwaakte er
in Róża iets dringends, pijnlijk aanwezigs en kwellends, waardoor
ze geen rust kon vinden. Met een bedrukt gezicht stond ze op en
liep weer terug naar de voordeur. Ze betrad de woning van haar
dochter voor de tweede keer, nu in volledige eenzaamheid. Niet
meer met die soepele, spottende tred, niet meer met die onverschillige houding zoals bij de dienstmeid. Ze betrad de woning nu
moeizaam, star en getergd, als een beledigde moeder, als een oude,
overbodige vrouw. […]
Róża liep naar de spiegel en trok haar vest met een patroon
van rozerode en zilveren vleugels strak. Ze had het onlangs gekocht, vrijwel tegelijk met een korte, modieuze paraplu met een
handgreep in de vorm van een vogelsnavel, tegelijk met een Parijs’
korset en met een voor de winter te lichte mantel.
Dat vest was ze gaan kopen met haar dochter Marta. Toen er
op de toonbank een reeks tricotages werd uitgestald, legde haar
dochter direct de felle exemplaren opzij en viste uit de discrete
kleuren de donkerste. Die schoof ze haar moeder toe en zei: ‘Pas
dit eens, mama.’
Róża paste het vest. Het was prachtig, zwart, alsof het bestrooid was met rijp, met een heerlijke, witte kraag en dito manchetten. Het sloot eenvoudig met één rij knoopjes. Marta stond
verrukt voor haar moeder.
‘Beeldschoon, je ziet er beeldschoon uit in dat vest,’ zei ze, ‘je
ziet eruit als een winterse droom of als Petronella op haar best; na
het eten, als ze in hogere sferen is.’
Petronella was de oude angorakat.
Róża voelde toen iets wat erger was dan de dood. Ze voelde
haar ouderdom, die al voltrokken was, al onherroepelijk neergedaald en zichtbaar voor iedereen. De dood had ze vaker gevoeld en
dat gevoel was niet onaantrekkelijk. Wanneer ze een zenuwinzinking had of in suïcidale gedachtes verzonk, haar lippen gevoelloos
werden en er een golf zware verlammende kilte vanaf haar voeten
langs haar dijen naar haar hart opsteeg, dan ervoer ze naast de
fysieke marteling, naast de afkeer van haar eigen machteloosheid
tevens een bepaald walgelijk genot; het genot dat ze zo diep in
onbezonnenheid verviel, dat ze wraak nam en dat ze straffeloos
triomfeerde over de verplichtingen van het leven, dat ze er steeds
dichterbij was en het weldra zou bereiken – het mysterie. Ze zonk
weg in apathie als in een nieuwe dimensie, als de atmosfeer van
een heel andere overwinning. Met spijt nam ze afscheid van de
dood wanneer die zich weer uit haar lichaam terugtrok; het was
een zeldzaam, bitter narcoticum, een voorproefje van een onbekende wereld vol zoetigheid. Maar nu ervoer ze haar ouderdom als
een voortslepende waaktoestand die de mens bekroop om hem zijn
laatste hoop te ontnemen, hem te brandmerken met gruwel, met
geweld te vergezellen, en om hem – die bespottelijke, misvormde
schim – de ellendigste krochten van het mensdom in te slepen.
‘Een winterse droom. Petronella op haar best,’ had haar dochter
gezegd. Wat klonken die complimenten bespottelijk! Róża wendde zich vol verachting van die melancholische poëzie af en vol
haat nam ze de versie over haar geestelijke, onstoffelijke schoonheid aan.
‘Hij heeft te lange mouwen,’ snauwde ze hatelijk.
De verkoopster en Marta kwamen meteen in actie.
‘Maar dat stelt toch niks voor, hier onder de manchet maken
we een plooitje en verder zit het vest als gegoten.’
Róża trok het elastische breisel uit… Tranen sprongen haar
dochter in de ogen.
‘Maar waarom toch? Alsjeblieft, mama, het staat je prachtig,
je vindt het zeker te duur, maar echt, ik smeek je,’ (ze hield het
vest krachtig op haar moeders schouders gedrukt) ‘ik koop het wel
voor je, hè toe nou, alsjeblieft, je krijgt het van mij.’
Róża keek haar dochter heel vuil aan; Marta zweeg abrupt,
knipperde met haar ogen en tot het eind van haar winkelbezoek
bleef ze zo – ontsteld.
Róża paste nog het een en ander, maar keek de hele tijd naar
het nauwsluitend vestje met purperen vleugels. Uiteindelijk sloeg
ze de voorstellen van de winkelbediende in de wind en pakte het
vestje. De verkoopster hielp met een zekere wrok het te strakke tricotvest aan te trekken, Marta wendde haar blik af… De monoloog
van de winkelmedewerkster klonk nu vlakker en bekoeld. Ze prees
het vestje met de rode vleugels overdreven: ‘Ook dit staat u heel
goed, mevrouw. Want dat rood contrasteert prachtig bij grijs haar
en u heeft een prachtige huid, mevrouw.’
Marta zweeg nog steeds en Róża werd niet door de kilte van de
dood bevangen, nee – door de warme, weeïge geur van imaginaire,
hopeloze en moeizame dingen. Ze stond somber voor de spiegel
zonder haar beslissing mee te delen.
De winkelmedewerkster zweeg ook even, maar al snel vatte ze
opnieuw moed en voegde er bevlogen aan toe:
‘Ik garandeer u dat dit vest tien seizoenen meegaat.’
En toen pas barstte Róża in een luid lachen uit. Ze zei: ‘Ha,
beste mevrouw, tien seizoenen is me wat teveel van het goede, zou
één niet genoeg zijn? Nou, pakt u dat vest maar in.’
Róża en Marta verlieten de winkel en namen kil afscheid; dat
was een maand geleden. De dag nadat Róża het vestje had aangeschaft, kocht ze meteen een prachtige elastieken riem die haar
afkleedde, en in de najaarsuitverkoop kocht ze de licht gekleurde,
heel dun gewatteerde mantel en de paraplu met vogelsnavel.
[…]
2
Plotseling huiverde Róża; er werd bij de voordeur aangebeld.
Haastig sprong ze op (misschien was het Marta?), ze wilde niet
dat Sabina bij de ontmoeting met haar dochter aanwezig zou zijn.
Haar knieën knikten toen ze liep. (Muziek ontroert me te veel, ik
heb geen kracht meer voor muziek, dacht ze.) Het lukte haar nog
net Sabina te laten omkeren: ‘Het hoeft niet, ’t hoeft niet! Ik ga al.’
Ze deed open, achter de deur stond Adam.
‘Wat moet jij hier?’ vroeg ze.
Van verbazing wierp hij zijn hoofd naar achter, zijn witte baard
schoof naar voren.
‘Hoezo, wat ik hier moet? Wie commandeerde me onmiddellijk te komen? Was jij het niet die tegen mij schreeuwde aan de
telefoon?’
Wezenloos keek ze haar man aan… Ineens begon ze te lachen,
beschaamd.
‘Nou, moet dat meteen zo? Mag je niet eens meer een grapje
maken? Kom nou maar, kom, je slobkousen zijn klaar.’
Hij ging naar binnen, liep gebogen, rook naar eau de cologne,
was grijs en zoals altijd beducht voor Róża, vanuit welke hoek hij
zich zou moeten verdedigen. Hij deed zijn jas langzaam uit vanwege zijn door reuma verstijfde nek en misschien een beetje om
het moment uit te stellen waarop hij een gesprek moest aanknopen.
Terwijl hij zijn bontjas ophing en de sjaal in zijn mouw perste,
wierp hij onopvallend een blik op Róża om haar gemoedstoestand
in te schatten. Tot slot snoot hij zorgvuldig zijn beide neusgaten
in een welriekend zakdoekje en zonder iets te zeggen, kuste hij
plechtig de hand van zijn vrouw.
Dat moment, waarop Adams grijze, geborstelde hoofd naar
Róża’s hand toe boog, ontroerde haar zichtbaar, want er trok een
warm, onbestendig licht over haar gezicht en ze hield wat woorden
tegen die al naar haar lippen waren gesneld.
Zwijgend liepen ze de kamer in waar een vleugel stond. Adam
ging zitten, strekte zijn benen en keek om zich heen langs de muren en fauteuils, alsof hij bij de getuigen van zijn dochters leven
wilde nagaan of er in dit huis niks slechts was gebeurd – hij wierp
weer een blik op Róża, wendde zijn ogen af zoals honden doen bij
mensen die ze niet goed kennen en uiteindelijk neuriede hij meer,
dan dat hij zei:
‘Jah, jah… Nou, en hoe voel je je?’
Róża schudde daarop de betovering van de begroeting van zich
af; met een volledig herwonnen kwaadaardigheid snoof ze: ‘Hoe
zou ik me kunnen voelen! In mijn situatie… Je zwerft op je oude dag bij vreemden rond, terwijl je naasten zich niet eens interesseren voor hoe het met je gaat, wat er speelt… Ze merken je niet
op. En ja, zo ook dochterlief! Je komt, en zij heeft er niet eens aan
gedacht om op je te wachten.’
‘Ah, dus je hebt met Marta afgesproken, dat betekent dat ze zo
wel zal komen.’ Adam begon te stralen.
‘Het betekent niks, dat betekent het helemaal niet. Het betekent
alleen dat ze er iets uitflapte, terwijl ze aan iets anders dacht. Maar
wat wil jij van haar?’
‘Ik, niks, ik wilde gewoon weten of iedereen gezond is.’
‘Ah, dus mevrouw Kwiatkowska is niet genoeg?’ zei Róża triomfantelijk.
Adams gezicht vertrok.
‘Ach, mijn lieve Elcia, schei toch uit. Het is zo’n oprechte,
goede vrouw… wat zit je toch eeuwig op haar te vitten? Vanochtend zei ze zelfs dat ze van haar leven nog nooit zulke confituren
heeft gezien zoals jij ze maakt, met zo’n kleur en zo’n smaak, en
die niet beschimmelen en niet versuikeren.’
‘Och, wat een enorme hulde, wat een enorme eer! Maar wat
heeft zij überhaupt gezien in haar leven, die mevrouw Kwiatkowska van jou, in haar Piwnastraat en in Mokotów? Wat wordt hij toch
gevoelig als het op de verdediging van mevrouw Kwiatkowska
aankomt…! “Mijn lieve Elcia”. Als ik doodga, zal je dat zeker zo
niet tegen me zeggen?’
‘Jezus! Wat ben jij onmogelijk! Waarom zou je doodgaan? Godzijdank zie je er vandaag prachtig uit, met die blosjes op je wangen.’
‘En wat dan nog, mijn vader had in zijn kist ook nog blosjes.’
‘Ach, houd toch op, Elcia…’
‘Elcia, Elcia…’
Ze herhaalde die naam meermaals en gaf hem elke keer een
andere plechtige, spottende toon.
[…]
‘Elcia, Elcia…’ bauwde Róża hem na, ze siste, tot ze schor
werd van de hoon. Het leek erop dat ze met die naam de daders
wilde geselen van alles wat er in haar leven was gebeurd toen ze
voor de wereld ophield Róża te zijn. Adam kneep zijn ogen samen,
trilde als na geselslagen. Uiteindelijk sprong hij op, zwaaide met
zijn handen boven zijn hoofd en snelde met nerveuze, wankele
tred naar de deur. Róża kwam tot bezinning:
‘Stop! Waar ga je heen? Wat ben je opeens lichtgeraakt! Ik had
het trouwens niet over jou…’
Adam stond bij de kapstok met zijn laarzen te knerpen. Toen zei
Róża vervreemd en onontkoombaar, alsof van een andere wereld:
‘Kom terug, ik eis het, Adam.’
Hij was geschokt en kwam terug, nog dieper gebogen. Deze
keer sprak hij hartelijk: ‘Mijn lief, rustig nou, hier heb je alleen
jezelf maar mee … Władyś vertelde me dat die dokter, hoe heet
hij ook alweer, die uit Königsberg, het meest voor irritatie heeft
gewaarschuwd … En hij is daar een beroemdheid.’
Ze werd rood, opende haar mond, stond radeloos te schudden… Je kon zien hoe een enorme golf emoties in haar opwelde en haar bewustzijn overspoelde. Het lukte haar echter niet om iets
te zeggen – ze ging zitten. Na een hele tijd sprak ze zacht: ‘Kijk
eens, hier heb je ze. Pas ze maar.’
Ze pakte de slobkousen en reikte ze Adam aan.
‘Ach, mooi hoor, mooi,’ opgelucht haalde hij adem ‘ach wat
mooi! Geef me je hand alsjeblieft, moedertjelief.’ Hij leefde opeens op, verviel in speelsheid, in vervoering bijna, was gelukkig
dat de storm was gaan liggen.
[…]
Hij pakte de slobkousen, ging zitten: begon rond zijn benen te hannesen. Zijn bewegingen waren altijd al langzaam geweest – voor
hij besloot een voorwerp te pakken dan wel te verplaatsen, of op
wat voor andere manier dan ook de rust van een levenloos voorwerp te verstoren, dacht hij even na, aarzelde, strekte meermaals
zijn hand uit en trok hem dan weer terug, alsof hij onzeker was
welke tactiek gekozen moest worden, alsof hij zich bewust was van
de grote ernst van roerloosheid, van het risico van welke verandering dan ook. Elke keer als Róża keek hoe hij alledaagse taken uitvoerde, raakte hij steeds meer in verwarring – zijn handen trilden,
hij wist niet wat te pakken, op welke beginselen zich te baseren,
natuurkundige wetten verloren hun zin, jarenlange levenservaring
leek een drogbeeld, hij verloor het gevoel van werkelijkheid. Nu
ook, gedesoriënteerd trok hij zijn broekspijp eerst op tot halverwege zijn kuit en liet hem dan weer los. Róża observeerde het aandachtig. Ze zweeg, waardoor hij de hoop opvatte dat zijn acties
rationeel waren, dat je om slobkousen aan te trekken inderdaad zo
moest handelen: broekspijpen optrekken, schoenen losmaken. Dus
nadat hij zijn veters had losgemaakt, ging hij snel over – met een
zeldzame vastberadenheid, met een bevlogenheid – tot het uittrekken van zijn schoen. Hij leed aan ischias; elke inspanning van zijn
rug boezemde hem angst in, dus kneep hij zijn ogen toe en trok hij
op voorhand zijn gezicht in een pijnlijke grimas. Plotseling sprong
hij op alsof hij gestoken was en sperde zijn ogen open. Róża lachte.
Ze lachte bulderend, vijandig, Adam kreeg er zelfs rillingen van.
Hij probeerde te bedenken dat zijn van pijn vertrokken gezicht zijn
vrouw aan het lachen moest hebben gebracht, dus ontspande hij
zijn gelaatstrekken en stamelde:
‘Maar als ik nou echt pijn heb, Elcia; zodra ik buk, doet het
meteen pijn; wat valt er dan te lachen? Ach nee, niks, laat maar,’
zei hij sussend.
Al snel liet hij de gedachte los dat die lach om zijn gelaatstrekken was geweest; hij stopte met sussen en liet zijn schouders
hangen, zijn mond drukte apathie uit… Hij wist het al: Róża had
niet om iets tijdelijks, iets toevalligs in hem gelachen, ze had om
hem in zijn geheel gelachen. Om hem, zoals hij altijd was geweest,
was en niet anders kon zijn. Er was niks om te vragen, er was niks
uit te leggen, hij zou het maar weer moeten afwachten: de ogen
van Róża flikkerden geel, het enige vuur dat ze voor haar man kon
ontbranden – het vuur van de haat.
Vertaling Małgosia Briefjes
1 De Aleje Ujazdowskie is een van de belangrijkste hoofdstraten van
Warschau.
2 Het Hotel Europejski was het meest luxueuze hotel in het centrum van
Warschau. Er waren verschillende winkels, restaurants en cafeetjes in
gevestigd.