De Russische schrijver Artjom Vesjoly
(1899-1938) heeft in het Westen niet erg
veel bekendheid gekregen. Dat komt aan
de ene kant omdat hij een echte proletarische schrijver was, voor wie wij hier over
het algemeen maar weinig belangstelling
kunnen opbrengen, aan de andere kant
doordat hij, ondanks zijn proletarische
afkomst, een van de slachtoffers was van
de Stalinterreur, waardoor zijn werk gedurende de hele Sovjettijd verboden was en
daarom ook bij ons nauwelijks doordrong.
Niettemin is hij een belangrijke auteur, die
behalve een reeks verhalen een imposante roman op zijn naam heeft staan met de
sprekende titel Rossija, krovjoe oemytaja
(Rusland, in bloed gewassen’).
Vesjoly (pseudoniem van Nikolaj
Kotsjkoerov) werd in 1899 geboren in
Samara, waar zijn vader transportarbeider
was op de Wolga. Hij heeft maar weinig
opleiding genoten en moest heel vroeg
aan het werk: vissersknecht, vrachtrijder,
krantenverkoper, ten slotte arbeider in een
buizenfabriek. In maart 1917 sloot hij zich
aan bij de communistische partij en werd
hij actief als agitator en journalist. Een
jaar later meldde hij zich bij het Rode Leger. In de burgeroorlog was hij op een van
agitproptreinen, de ‘Rode kozak’, waarop
een eigen typografie aanwezig was, redacteur van kranten en talrijke vlugschriften. Daarna diende hij enige tijd op de
Zwartezeevloot en zelfs bij de Tseka, de
geheime politie.
Na afloop van de burgeroorlog vertrok
Vesjoly naar Moskou, waar hij zich eerst inschreef bij een literair instituut, later bij
de universiteit. Beide opleidingen maakte
hij niet af, want hij wilde schrijver worden. In zijn vroegere woonplaats Samara
had hij al het een en ander gepubliceerd
in de plaatselijke pers, hij was actief geweest als redacteur en wilde nu een plek
veroveren in de literaire wereld. Dat lukte:
in 1921 werden in het tijdschrift Krasnaja nov (‘Het rode nieuwe land’), geredigeerd door de bekende criticus Aleksandr
Voronski, zijn eerste verhaal ‘In het dorp
tijdens het carnaval’ en het toneelstuk
‘Wij’ gepubliceerd. Samen met een aantal
schrijvers en dichters, onder wie Andrej
Platonov, werd hij lid van de schrijversgroepering Molodaja gvardija (De jonge
garde). In het gelijknamige tijdschrift van
de groepering verscheen in 1924 zijn eerste roman, Reki ognennye (‘Rivieren van
vuur’). In navolging van Gorki (‘de bittere’) koos hij als schrijversnaam Nevesjoly
(‘de nietvrolijke’), die hij later om een onbekende reden – zo vrolijk was zijn leven
niet – veranderde in Vesjoly (‘de vrolijke).
De Russische literatuur van de jaren
twintig wordt gekenmerkt door heftige
botsingen tussen de verschillende schrijversorganisaties. In Molodaja gvardija en
ook in Pereval (De bergpas) waar Vesjoly
later lid van werd en dat nauw verbonden
was met het tijdschrift Krasnaja nov, was
er ruimte voor schrijvers en dichters van
allerlei pluimage, zowel overtuigde communisten als zogeheten ‘meelopers’, die
niet tegen het communistische bewind
waren, maar het ook niet propageerden in hun werk. Ze werden fel bestreden door
de ideologische scherpslijpers, die zich
verenigden in de RAPP (Vereniging van
proletarische schrijvers) en van iedereen
uitsluitend ‘proletarische’ kunst eisten. De
RAPP werd geleidelijk de sterkste organisatie, ook Vesjoly werd er lid van.
Al in het begin van de jaren twintig
vatte Vesjoly het plan op een grote roman
te schijven over de Revolutie en burgeroorlog. Hij had die zelf meegemaakt en
zat nog vol van de indrukken die hij tijdens zijn leven als agitator en Roodgardist
had opgedaan. De roman moest een groots
epos worden dat bestond uit een reeks
verschillende stukken, die weliswaar samenhingen, maar geen plot vormden. Er
was daarom ook geen echte hoofdpersoon. De hoofdpersoon was in feite de
massa, zoals in andere revolutionaire werken als 150.000.000 van Majakovski en
Zjeleznyj potok (‘De ijzeren vloed’) van
Aleksandr Serafimovitsj. Vesjoly plande 24 hoofdstukken, die om de drie
hoofdstukken zouden worden afgewisseld met een zevental kortere teksten, die hij als ‘muzikale
pauzes’ beschouwde en ‘etudes’
noemde.
Vesjoly verzamelde een massa materiaal, onder meer door
interviews te houden met deelnemers aan de burgeroorlog, en
schreef de eerste stukken in 1925.
In 1932 besloot hij een aparte uitgave te maken van wat hij tot dan
toe had geschreven: tien hoofdstukken en acht etudes, onder de
titel ‘Rusland, in bloed gewassen’. In drie latere edities die tijdens zijn leven onder dezelfde titel zijn verschenen en steeds flink
zijn herschreven – in wat er van
zijn archief bewaard is gebleven
zijn van sommige hoofdstukken
wel tien versies aanwezig – zijn
daar nog enkele etudes bijgekomen. In alle uitgaven meldde hij:
‘fragment’, want hij was nog lang
niet klaar.
Vesjoly werkte gestaag verder aan
zijn roman, maar het was hem niet vergund die af te maken. In 1937, toen de
Stalinterreur het ergste woedde, werd hij
gearresteerd, beschuldigd van trotskisme
en van het plan Stalin te vermoorden.
Hij was in hart en ziel proletariër en kon
niet geloven dat hij nu toch ook aan de
beurt was. Bij zijn arrestatie scheen hij
zich heftig hebben verzet. Dat mocht niet
baten, in 1938 werd hij, net als kort voor
hem Voronski en vele andere schrijvers
die in diens tijdschrift hadden gepubliceerd, geëxecuteerd. Volgens de gegevens van Memorial (lists.ru/index.htm)
zijn er in 1937-38 2.500.000 mensen gerepresseerd, van wie er 750.000 werden
doodgeschoten: twee jaar lang, iedere dag
duizend. Stalinbewonderaar Poetin is nog
niet zo ver, maar zijn ‘verstehers’ vinden
dat hij zijn gang kan gaan.
‘Rusland, in bloed gewassen’ is een bijzondere roman. Dankzij de collageachtige
structuur maakt hij geen moment de indruk dat hij niet is voltooid. Zelfs de helft
van het boek – de laatste door Vesjoly gepubliceerde versie telt zo’n 500 pagina’s
– zou als afgeronde eenheid kunnen worden gepubliceerd. De taal en stijl zijn origineel. De meeste proletarische schrijvers
hadden weinig op met het experimentele
proza van de jaren twintig en schreven,
min of meer zoals Lenin voorschreef, in
de traditie van Tolstoj. Vesjoly, ijverig
lezer van het woordenboek van Dal met
zijn vele onbekende streekwoorden en een
groot bewonderaar van Chlebnikov, richtte zich meer op het ornamentele proza van
Boris Pilnjak en Andrej Bjely. Vesjoly
schrijft ritmisch, zijn proza, waarin ook
klankeffecten vaak een belangrijke rol
spelen, neigt naar poëzie. Hieronder publiceren we het eerste hoofdstuk van de
roman, dat een beeld oproept van de ellende van de Eerste Wereldoorlog.