Němcová en Kafka verschilden zestig
jaar in leeftijd, Němcová leefde in het
midden van de negentiende, Kafka aan
het begin van de twintigste eeuw. Němcová werd in Wenen geboren, vermoedelijk als onecht kind van een Tsjechische
gravin, die haar aan een eenvoudig gezin
afstond. Němcová’s pleegvader – hij was
koetsier – en haar pleegmoeder waren
beiden in dienst van de gravin. Het gezin,
inclusief Božena Němcová, die toen nog
naar haar pleegouders Barbora Panklová
heette, was Duitstalig. Het mocht, toen
Němcová nog baby was, met de gravin
mee verhuizen naar Bohemen waar deze
in het Noord-Boheemse Ratibořice een
kasteel had.
In 1837 werd Němcová uitgehuwelijkt aan Josef Němec (= Duitser), wiens
naam ze overnam. Hij was ambtenaar en
flink wat jaren ouder dan zij. Hij was,
ondanks zijn naam, wel de Tsjechische
zaak toegedaan en werd mede daardoor
verschillende keren overgeplaatst. Němcová leerde pas goed Tsjechisch spreken
en schrijven toen ze met haar gezin in
1842 naar Praag verhuisde en een geziene
knappe dame werd in de Tsjechische patriottische literaire kringen.
Pas eind achttiende/begin negentiende
eeuw was het Tsjechisch zich namelijk als
taal begonnen te ontwikkelen na eeuwen
lang verdrongen te zijn door het Duits. De
emancipatie van de Tsjechische taal ging
gepaard met nationale gevoelens die natuurlijk slecht vielen bij de Oostenrijkse
autoriteiten.
Němcová kwam weliswaar uit een
eenvoudig, armelijk milieu, maar kende
ook het voorname adellijke leven goed
door haar verblijf in Ratibořice. Gezien
de jarenlange belangstelling van de gravin
voor haar wordt wel gespeculeerd dat zij
de biologische moeder van Němcová was.
Na haar echtscheiding van Němec in 1859
leefde zij met haar drie kinderen opnieuw
in armoede en moest ze vaak geld bedelen om in haar levensonderhoud en dat
van de kinderen te voorzien. Haar oudste
kind Hynek was in 1853 overleden en zijn
dood maakte haar diep ongelukkig.
Met haar schrijverschap als vrouwelijk Tsjechisch auteur en haar poging om
van dit schrijverschap te leven droeg ze
eveneens bij aan de emancipatie van de
Tsjechische vrouw, die zij in enkele patriottische gedichten aanspoorde zich geheel
in te zetten voor de Tsjechische zaak en
haar bereidheid te tonen haar zonen hiervoor op te offeren.
Němcová werd beroemd door haar
roman Babička (1855) die onder de titel
Babička/Grootmoeder in 2014 in Nederlandse vertaling (K.M.) bij uitgeverij Ad.
Donkers verscheen. Deze roman schetst
een geïdealiseerd beeld van hoe men aan
het begin van de negentiende eeuw in de
Tsjechische provincie leefde. De grootmoeder vertegenwoordigt hierin de oude
vertrouwde Tsjechische waarden en wijsheden die ze in stand hield en probeerde
over te dragen aan haar kind en kleinkinderen. Ze hechtte veel belang aan de
Tsjechische taal, die door de eeuwen van Oostenrijkse overheersing onder het gewone volk was blijven voortbestaan, maar
wel verpauperd was. Het Duits, dat graag
gebruikt werd door Tsjechen die hogerop
wilden, werd afgekeurd als de taal van de
onderdrukker.
In het hier vertaalde verhaal komen de
elementen van het luxueuze leven van een
rijk adellijk echtpaar, dat Němcová vol
ironie beschrijft, samen met het armelijke
leven van de gewone mensen. Ze deelde
de maatschappij sociologisch in drie klassen in: de adel, middenstand en ambachtslieden/boeren. De Tsjechische adellijke
dame, in dit verhaal mevrouw Skočdopolová, liet haar man voor haar een Duitse
titel kopen, Von Springenfeld. Haar Duitse
titel was bedoeld om zich met de Duitstalige high society te kunnen meten en zich
van het Tsjechische lagere volk te kunnen
onderscheiden. Vanuit patriottisch oogpunt kon het haast niet slechter.
De beschrijving van het zware leven
van het gewone werkvolk wordt voorafgegaan door een hilarische schets van dit
rijke adellijke milieu, dat vooral lijkt te
draaien om het welzijn van Joli, mevrouws
schoothondje dat bij haar stand paste.
Het leven van de adellijke dame en
het gewone volk werd echter door cholera
getroffen en de gevolgen daarvan waren
zichtbaar in de diverse maatschappelijke
geledingen, wat voor elk ervan anders
uitpakt. Aanvankelijk is ‘mevrouw’ een
gevoelloze, snobistische vrouw, maar dit
verandert tijdens de cholera. Ze wordt nu
behulpzaam voor het gewone volk, dat het
meest te lijden had onder de cholera.
Dit verhaal is een opmerkelijk realistisch en sociaal bewogen vertelling na
haar laat-romantische roman Grootmoeder en na haar korte verhalen over dappere
jonge Tsjechische vrouwen. Haar verhaal
‘Wilde Bára’, dat volgend jaar mei nog in
vertaling (K.M.) bij uitgeverij Pegasus zal
verschijnen, is zo’n voorbeeld hiervan.
Hierin draait het om de vriendschap van
een stoer Tsjechisch meisje van het platteland en een enigszins verwend meisje uit
de hoofdstad.
Kafka was een exponent van de Joodse cultuur, die eveneens in de negentiende
eeuw een emancipatie doormaakte in Bohemen en Moravië. Hij werd geboren in
Praag en kwam voort uit de middenstand.
Zijn vader was koopman (‘Galanteriewaren en gros’). Zelf doorliep hij het Duitse
gymnasium en volgde extra lessen Tsjechisch. Na zijn school kreeg hij werk als
agent van een arbeidsongevallenverzekering en interesseerde zich naast zijn werk
als ambtenaar vooral voor literatuur, film
en cabaret. Hoewel ook hij met Duits was
opgevoed, kende hij redelijk goed Tsjechisch, zoals uit verschillende documenten blijkt. Hij schreef echter zijn literaire
werk in het Duits dat hem vertrouwder
was. Met andere Duitstalige schrijvers in
Praag, zoals Franz Werfel, Egon Erwin
Kisch en Max Brod, kwam hij graag samen in café Arco, waar de zogeheten Prager Kreis zijn oorsprong vond.
Max Brod, die een biografie schreef
over Kafka’s jeugdjaren (Franz Kafka.
Eine Biographie seiner Jugend, 1958)
merkte al op dat Kafka een warm hart had
voor de Tsjechische literatuur en zich met
name tot Němcová’s roman Babička aangetrokken voelde doordat ze daarin een
harmonieuze wereld beschreef, een die
hij in grote mate miste. Ook František
Kautman wijst in zijn openingsartikel
‘Franz Kafka aus Prager Sicht’ op Kafka’s interesse voor Tsjechische literatuur
en hij voegt aan de roman Babička de novelle V zámku a podzámčí (‘Het kasteel
en onderkasteelse’) uit 1856 toe.
Kafka’s romans (Het proces, Amerika, Het kasteel,) beschrijven de realiteit weliswaar heel minutieus, maar de
inhoud is eerder te verklaren door de
moeizame innerlijke processen die zich
in hem voltrokken. Němcová beschreef
de realiteit eerder sociologisch. In Babička gaat het om het eenvoudige leven
op het land rond die grootmoeder en met
letterlijk daarboven in haar kasteel zetelend de kněžna, de vorstin (een titel tussen hertogin en gravin in). De tegenstelling hoog versus laag, rijk versus arm is
dus hier al enigszins zichtbaar. De gravin
wordt echter juist om haar positieve inbreng als weldoenster voorgesteld, waardoor de scherpe tegenstellingen worden
weggepoetst en het harmoniemodel bevestigd.
De reden dat Kafka hier in samenhang
met zo’n verschillend type schrijver als
Němcová wordt gebracht, is dat Kafka als
kind door zijn Tsjechische kindermeid in
het Tsjechisch uit Němcová’s werk werd
voorgelezen. De novelle Het kasteel en
onderkasteelse vertoont die tegenstelling
hoog-laag, rijk-arm scherper. In dit geval
speelt de gravin slechts een bijrol, terwijl
de adellijke dame uit haar kasteel aanvankelijk voorgesteld wordt als een parvenu
voor wie haar leven voornamelijk om
haar schoothondje draaide. Later zal ze
bijdraaien wanneer cholera het stadje treft
en de bevolking zonder onderscheid tot
slachtoffer maakt. Zij trekt zich dan ook,
net als de gravin in haar roman, het lot aan
van het gewone volk en ontpopt zich als
weldoenster, waardoor opnieuw de sociale harmonie wordt hersteld.
De veronderstelling is nu dat Kafka
zich in zijn laatste, onvoltooide roman Het kasteel (uit 1926, vertaald door Willem
van Toorn, 2018) ook heeft laten inspireren, bewust of onbewust, door Němcová’s
beeld van enerzijds een kasteel op een
heuvel met een adellijk echtpaar en anderzijds het gewone volk dat daaronder in het
dorp leeft. Dit hoog gelegen kasteel was
een nauwelijks doordringbare veste voor
het gewone volk. Ook voor K., de hoofdpersoon van Het kasteel, komt naar een
kasteel, waar hij een baan als landmeter
hoopt te krijgen.
Voor de rest lopen de plots volledig
uit elkaar. Bij Kafka krijgt de lezer de
slotvoogd met de raadselachtige naam
graaf Westwest niet te zien. K. moet zich
tevreden stellen met diens ‘onderhandelaar’ Klamm, die hij ook al nauwelijks te
spreken krijgt. In beide gevallen blijven
de graaf, respectievelijk gravin, onzichtbaar. Het gaat hier verder vooral om de
gelijkenis van een landschap met een kasteel op een heuvel en het ondergeschikte
stadje/dorp eronder op het Tsjechische
platteland dat onder de plak zit van de
graaf.
Het volgende hoofdstuk is gewijd aan het gewone volk.
Er zijn een paar tekstuele overeenkomsten tussen Němcová’s novelle en Kafka’s
Het kasteel, zoals Willem van Toorn de
titel (Das Schloss) vertaalde.
‘Het dorp lag diep onder de sneeuw’ en
‘Van de berg met het kasteel was niets
te zien’. ‘Stadje’ (B.N.) wordt dus dorp
(F.K.) en de heuvel (B.N.) wordt een berg
(Schlossberg) bij Kafka. In de op de eerste
zinnen volgende beschrijving gaat het om
het volk beneden en de onbereikbare mysterieuze graaf die het volk beneden zijn
regels oplegde. Bij Němvová is alleen indirect sprake van een gravin en zij is ook
geen personage in de novelle.
De bemiddelaar voor K. om in contact te treden met de graaf heet Klamm.
Hier komt misschien nog even Tsjechisch
om de hoek kijken: ‘klam’ betekent in het
Tsjechisch ‘illusie’ en is dus misschien
wel alleen maar een schim met wie K.
moet onderhandelen.
Om kort te gaan, de overeenkomst tussen de beschrijving in Němcová’s werk,
zowel in de roman als de novelle, en
Kafka’s roman Het kasteel, is wat betreft
de grondtoon hoog-laag, rijk-arm, machtig-machteloos, zowel in landschappelijk
als in sociologisch opzicht, onmiskenbaar.
Dit geldt ook voor Kafka’s interesse voor
de Tsjechische literatuur. Maar of er sprake is van een directe invloed van Němcová op Kafka blijft natuurlijk de vraag.