Wie zich ook maar enigszins in het Russische geestesleven heeft verdiept, weet dat
hun eigen land voor Russen al eeuwenlang een heikel punt van discussie en een
onuitputtelijke bron van fascinatie is. Je
kunt gerust stellen dat er sprake is van een
heus identiteitsprobleem. ‘Wat is de plaats
van Rusland en het Russische volk in de
wereld en de geschiedenis?’ Het is een
vraag die ook de Russische wijsbegeerte al zo’n tweehonderd jaar geobsedeerd
heeft. Een geschiedfilosofisch vraagstuk,
een ‘historiosofisch’ debat. Sommige episodes uit deze ideeënstrijd zijn bekend,
zeker onder slavisten: de slavofielen en
de westerlingen – wie kent ze niet? Andere episodes en teksten doen misschien
minder belletjes rinkelen. Voor u ligt zo’n
relatief onbekende tekst: ‘Nabij “de Russische idee”…’ (1911) van schrijver en
denker Vasili Rozanov (1856-1919).
Rozanov begon zijn carrière als publicist
– als we zijn onsuccesvolle eersteling,
Over het begrijpen (1886), voor het gemak even niet meetellen – in 1889, met
dank aan Nikolaj Strachov, in het meer
conservatief-geneigde tijdschriftencircuit.
Rozanov stond in wat we de ‘slavofiele
traditie’ zouden kunnen noemen: hij nam
het stokje over van de aartsconservatieve
estheet Konstantin Leontjev, die op zijn
beurt sterk beïnvloed was door de panslavist Nikolaj Danilevski, wiens denken op
sommige punten ook duidelijk weer geïnspireerd was door de Moskouse slavofielen van de jaren 1840-1850. Tegen het
einde van de jaren 1890 brak Rozanov
echter met het orthodox-slavofiele kamp.
Die breuk viel samen met zijn breuk
met de Russische-orthodoxe kerk en het
christendom in het algemeen en had zijn
diepste wortels in Rozanovs persoonlijke
leven.
In 1880 was Rozanov het huwelijksbootje ingestapt met de zestien jaar oudere
Apollinaria Soeslova, die nog de ex-minnares van Dostojevski was geweest. Het
was een rampzalig huwelijk. In 1887 gingen ze uit elkaar, maar van een formele
scheiding kwam het niet: daarvoor had
een van beiden zich schuldig moeten bekennen aan overspel, maar geen van hen
die dat wilde. Ondertussen was Rozanov
echter verliefd geworden op een nieuwe
vrouw, met wie hij de rest van zijn leven
zou delen: de weduwe Varvara Boetjagina. Maar omdat hij formeel niet mocht
scheiden van Apollinaria, mocht hij ook
niet met zijn nieuwe geliefde trouwen.
Een tragische situatie. In een brief aan
Strachov schreef Rozanov er het volgende
over:
Ik kan niet trouwen, en nu pas ben ik voor het eerst gaan voelen dat er daadwerkelijk iets in ons leven is, in het bedingen van ons geluk, dat afhangt van wetten en instituties. Van laatstgenoemde mag ik afgezonderd van mijn vrouw gaan leven, samen met een of andere keukenmeid, of me laten gaan in huizen van ontucht, maar wat ik absoluut niet mag, is trouwen met de vrouw die ik hoogacht en van wie ik houd. En dat uit naam van het Evangelie, uit naam van Christus’ gemeenschap met de kerk.
Rozanov voelde dat de christelijke kerk hem tekort had gedaan. De
kerk had zijn heilige der heiligen –
zijn geliefde en later ook zijn kinderen: zijn gezin – in de steek gelaten…
Seksualiteit, het huwelijks- en gezinsleven en echtscheiding (waar Rozanov een
hartstochtelijk voorpleiter van werd) werden voortaan Rozanovs grote thema. Dat
thema sijpelde ook door in zijn denken
over andere onderwerpen, bijvoorbeeld
dus in zijn kritiek op het christendom –
dat volgens hem een levensvijandige,
vreugdeloze en vooral ook seksloze religie was – maar ook in zijn ideeën over het
‘nationale vraagstuk’.
Dit is waar het hier vertaalde artikel,
‘Nabij “de Russische idee”…’, dat zich
precies op dit snijvlak van geschiedfilosofie en seksualiteitsdenken beweegt, ten
tonele komt.
De eerste helft van het artikel, die
hier niet vertaald is, werpt een probleemstelling op naar aanleiding van een aantal artikelen van journalist T. Ardov. Dit
probleem, dat Rozanov in navolging van
Ardov in de eerste plaats verbindt aan
het personage Kraft uit Dostojevski’s De
tiener (een gerussificeerde Duitser die
gedesillusioneerd raakt in Rusland en
zich van het leven berooft), zou je kunnen parafraseren als: vertwijfeling aan
Ruslands historische noodzaak en Ruslands toekomst. Die vertwijfeling komt er
bij Ardov in de eerste plaats uit voort dat
Rusland zich altijd ‘slaafs’ zou opstellen
tegenover de van karakter geweldzuchtige Germaanse volkeren. Anders gezegd:
Rusland zou ‘vrouwelijk’ zijn en zich
ondergeschikt maken aan de ‘mannelijke’
Duitsers.
In het tweede deel, dat wel is opgenomen, probeert Rozanov antwoord te
geven op Ardovs probleemstelling, die
hij bij monde van onder anderen keizer
Wilhelm II herhaalt: ‘Rusland heeft geen
toekomst, anders dan een voedingsbodem voor de Duitse natie te zijn’. Volgens
Rozanov berust deze opvatting op een
denkfout over de verhouding tussen het
‘vrouwelijke’ (passieve, onderdanige) en
het ‘mannelijke’ (actieve, heerszuchtige)
in de geschiedenis. Ja, Rusland is vrouwelijk, beaamt ook Rozanov, maar wat
volgt daaruit? Hij trekt een vergelijking
met het individuele huwelijksleven. De
man is misschien wel het hoofd (1 Ef. 5:
22), maar de vrouw is de nek: en het is nu
juist die nek waarvan de meeste invloed
uitgaat. Niet door kracht, maar subtieler
– door liefkozing, door tederheid, door
‘influisteringen’ – laat de vrouw haast ongemerkt haar invloed gelden. Zo ook in de
geschiedenis, zo ook met Rusland, tracht
Rozanov te illustreren. Door middel van
passieve aanlokkelijkheid stuurt Rusland
het historische proces. De ‘mannelijke’
naties voelen zich aangetrokken tot de
‘Russische ziel’ en stellen zich er vrijwillig van in dienst. Ruslands vrouwelijkheid
is zodoende geen reden tot vertwijfeling,
maar Ruslands grootste kracht en hoop.