Urszula Honek



Witte nachten – (voorpublicatie)




De Poolse dichter en schrijver Urszula Honek (Racławice, 1987) won vele prijzen met haar dichtbundels (vier stuks). In 2022 verscheen haar prozadebuut Białe noce (Witte nachten), waarmee ze zo’n beetje alle belangrijke literaire prijzen van Polen binnenhaalde of ervoor genomineerd werd. De Engelse vertaling van het boek werd genomineerd voor de Booker Prize en The Warwick Prize for Women in Translation. Haar proza wordt wel vergeleken met dat van Andrzej Stasiuk, Olga Tokarczuk en Bruno Schulz.

Witte nachten bestaat uit dertien korte, naargeestige verhalen over de dood, eenzaamheid en isolement, die op ingenieuze wijze met elkaar in verbinding staan. Het zijn verschillende stemmen van mensen uit hetzelfde dorp in de Beskiden, ieder met een ander perspectief, die samen een mozaïek vormen.

Het boek wordt onder andere vertaald in het Duits, Frans, Arabisch, Spaans en Grieks. De Nederlandse vertaling van Witte nachten verschijnt in 2025 bij De Bezige Bij.


hanna



Als het zo warm is als nu, wil je alleen zijn, zodat er geen lijf tegen je aandrukt of in de nabijheid staat. Je kunt rechtop zitten en tegen niemand iets zeggen. En als ik zo zit te kijken, hoef ik mijn ogen helemaal niet dicht te doen om jullie te zien. Jullie zitten onder de appelboom het fruit na te kijken. Rotte vruchten stoppen jullie in een zak en de geurige en gezonde leggen jullie op uitgespreide lakens. Jullie handen scheiden snel het eetbare van het oneetbare. Geen holderdebolder, er waart iets rond op zolder, allicht komt het zo voor jou, of zweeft het ergens door het blauw, meisje, kijk toch achter jou. Ik hoor het duidelijk, Maria’s stem klinkt door de hal, de keuken, rechtstreeks mijn oor in. Maria is weer twaalf, ze heeft donkere ogen en een stem die trilt alsof ze ieder moment in huilen kan uitbarsten. Maria zingt. Zośka spuugt een wormstekige pruim uit, ze trekt een vies gezicht en laat een vette witte worm zien. Ze houdt hem even op haar vinger en gooit hem dan in het gras, doet haar schoen uit en vertrapt hem met haar blote voet.

‘Uit de aarde kom je en de aarde ga je weer in,’ zegt ze.

Dat zegt ze altijd als een insect, dier of mens doodgaat. Waar zijn jullie nu, mijn twee zusjes? Lopen jullie naast elkaar, of heeft een van jullie haar pas versneld om me bij te benen? Ik zit hier maar en heb al stramme armen van het uitstrekken ervan. Als jullie ze toch zouden kunnen vastgrijpen, stevig vasthouden, dan zou ik jullie mee terugnemen. ’s Nachts kan ik de slaap niet vatten, het lijkt wel alsof er iemand in de keuken bezig is, pannen verzet en zachtjes neuriet.

Erwtje, wiens vacht één grote klit is geworden, blaft steeds en houdt me wakker. Dus sta ik op en kijk door het raam, maar jullie zijn er niet. Waar blaf je toch naar, klein, iel Erwtje, als je mijn zussen niet ziet? Overdag kijk ik alleen naar jullie in de tuin, maar ik geef geen kik meer, want hoe hard ik ook zou roepen, jullie zouden me toch niet horen. In dit huis is het al lang zo stil dat ik soms het gevoel krijg al in mijn graf te liggen. De koeien loeien al lang niet meer, ze hebben andere eigenaars, de kippen wassen hun veren in ander zand. Jullie lach is aan de andere kant, maar klinkt nog altijd. En Maria, jij zei nog wel dat ik nog geen moment alleen kon zijn. Als je nu hierheen kwam en zou zien hoe ik zit, hoeveel moeite ik heb om overeind te komen, mijn kousen en schoenen aan te trekken, zou je misschien van gedachten veranderen. Maar door het raam kan ik alles goed zien, ik hoef helemaal niet meer naar buiten. Trouwens, als ik op zou staan en zou gaan lopen, hoe ver zou ik dan komen op die oude magere benen met die flabberende huid? Van kleins af aan zag ik mezelf in het graf, ik heb alleen mijn kist groter gemaakt. Een keer lag ik met een kruis op mijn borst dat zo groot was dat het mijn gezicht bedekte, een andere keer had ik een medaille op mijn mond of lag ik op mijn buik, om niemand in de ogen te kijken. De levenden willen dat de doden naar hen kijken, maar het eerste wat ze doen is hun ogen sluiten.

Het is stil, er cirkelt alleen een vlieg boven de witte kaas, die ik zo zal afdekken met een doek. Jij zou ook wel wat lusten, kleine, zwarte vlieg. Maar over wat voor mest heb je hiervoor gelopen? Welke hond heb je van binnenuit aangevreten toen hij ineens dood bij zijn hok was neergevallen, terwijl hij op het laatste moment dacht dat iemand hem over zijn rug aaide of zijn naam riep? Net als de dood maak je geen onderscheid tussen dieren en mensen, zout en zoet, je herkent geen kleuren, je herinnert je geen namen. Je doet alsof je thuis bent en elk hart, elke lever en nog niet gesloten ogen jouw bezit zijn. De hemel is vandaag staalgrijs, de hitte wordt langzaam lichter, dus ik ga zitten kijken. Alles bloeit hier als altijd: de stokrozen, de klimkers en de rozenstruiken, alsof de jaren niet voorbij zijn gegaan, de vorst de bomen niet heeft bevroren, de woelmuizen niet aan de wortels hebben geknaagd. Alles staat er, wordt rood, geel. De bijen zijn zoals gewoonlijk hard aan het werk, de appels krijgen kleur, en de fruitmotten boren gangen, hoewel niemand weet of ze ooit grijze vleugels met donkere vlekken zullen krijgen en de hete gloed van de vroege middag op ze zal neerdalen.

Maar de ochtend waarop ik het huis uit liep, sliep iedereen. De zon verlichtte de weg niet, de mensen hadden zich verborgen in kamers, schuren en stallen. De een toegedekt met een gelucht dekbed, de ander met stro en een oud, mottig plaid. Eenmaal wakker bleef ik even liggen, nog warm en bezweet. Op de slaapbank in de keuken hield mijn vader zijn dekbed beet alsof hij iemand knuffelde, en mijn zussen in de kamer hielden elkaars hand vast. Van kleins af aan hadden ze samen in één bed geslapen en dat bleef zo. Ik wachtte, want ik wilde de lucht ademen die zij hadden uitgeademd. Die was zwaar als pek die aan je schoenen blijft kleven en die je steeds met je meedraagt zolang die niet afslijt door stenen en water. Wat droomden jullie toen mijn dromen voorbij waren? Vader dat hij achter moeders kist liep en Zośka bij de hand hield. Ze droeg een boeketje klaprozen dat ze de dag ervoor zelf had geplukt. Ze kneep haar handje zo hard dicht dat de bloemen meteen verwelkten, en zij schudde ermee alsof het een doodgeboren poesje was. Het paard trok de kist met moeder steeds sneller en sneller door Binarowa, de heuvel op naar Rożnowice. In zijn droom rende vader achter de kist aan, liet Zośka’s hand los, zij viel en huilde, en toen hij haar ging halen, was er niemand meer.

‘Ik ging Zośka halen, maar ze was er niet meer, geloof het of niet,’ zei hij steeds. ‘In mijn ooghoek zag ik een brandende hooischelf waar vlinders uit fladderden, en toen ik me omdraaide rende Maryśka mijn kant op, maar ze had geen hoofd maar een enorm hertengewei. Toen zag ik de wagen met de kist ineens weer, en ik rende erachteraan, ik keek of jullie ook die kant op holden, en toen hij op de bestemming aankwam, volgden dagen en nachten elkaar meerdere keren op. Eerst brandde de zon zo dat het zweet over je rug liep, en vlak erna begon het te sneeuwen. En er was niemand, geen pastoor, geen grafdelver, geen buren en jullie ook niet. Het gat was niet gegraven.’

Mijn vader droomde dat vele malen, en als we langs een hooischelf kwamen liet hij ons altijd kijken of er geen vlinders in zaten. Toen, in de vroege ochtend, lag ik daar en keek naar hem in de verte, roerloos op de smalle slaapbank in de hoek van de keuken. Ik geloofde in zijn vuur dat snel het hooi vlam liet vatten, en kleine Zośka met haar vuile kousen, toen ze zachtjes tegen de klaprozen zei: ‘Opstaan, opstaan, jullie zullen nog lang genoeg in de donkere, stille aarde liggen.’

Ik wist dat de dromen van mijn zussen nog kabbelden, dat ze er allebei in rondzwommen met verkleumde armen en er niet uit wilden, hoewel ik ze steeds luider riep. Mijn geroep veranderde ineens in gezang, en zij dreven af naar plaatsen waarvan ze nog nooit hadden gehoord. Uiteindelijk stond ik stilletjes op, ik wilde mijn vader op zijn mond kussen, maar ik wist dat als ik me over hem heen zou buigen, ik vlam zou vatten. Ik had al zo vaak afscheid van hem genomen, maar ik had me nooit omgedraaid, want als ik had omgekeken, was ik naar hem toe gerend. Ik deed mijn nat gezwete lijf een grijze jurk aan, aan mijn voeten bruine schoenen, en in mijn zakken vijf zware stenen.

Waaraan ik dacht toen er geen weg meer terug was? Niemand heeft me daar ooit naar gevraagd, hoewel ik weet dat iedereen daaraan dacht. Het is erger om met jezelf een pact te sluiten dan met de duivel, want dan kun je je nergens verstoppen, alle hoeken worden met fel licht beschenen. Hier verdwijnen mensen niet zomaar, iemand kiest maar zelden voor een balk en een touw, meestal gaat het geleidelijk, traag. Ze worden niet een ogenblik verteerd door smart, maar hun hele leven lang, beetje bij beetje, en ineens kunnen ze niet meer ademen, ze zakken in elkaar en men zegt alleen bondig: ‘Hij is dood, zonde,’ maar soms zelfs dat niet: iedereen gaat weer op huis aan, ze halen hun schouders op, en tot het volgende gedolven gat. Mijn geheugen laat me soms in de steek, ik weet niet meer wie nog leeft en wie al dood is. Ik ben in de grote stad geweest, niet veel hebben dat voor elkaar gekregen, het verste dat mijn zussen zijn gekomen is de markt vijftien kilometer verderop, ‘je hebt er niks te zoeken’ zeiden ze altijd tegen ons, maar ik wilde niet in de stad blijven, ik verlangde terug. Niemand begreep het, sommigen waren jaloers, anderen lachten erom. Hoezo dan? Vertrekken om te studeren, en terugkomen om koeienkonten te bekijken? Wie zou snappen dat ik zelfs nu, wanneer ik nog amper op mijn benen kan staan, elke dag het raam moet kantelen en de kou van de naderende nacht moet voelen, dat ik dan als het mijn beurt is zonder spijt mijn ogen kan sluiten? Al sinds ik klein was, als het duister naderde en de kilte aan kwam sluipen, deed ik helemaal geen trui aan, maar liep ik met mijn huid bloot, om het allemaal in me op te nemen. Ik stond daar en keek hoe het roze, oranje, het vuur langzaam aan de einder verdwenen en het donker werd. Ik sloot mijn ogen en iedere keer hoopte ik dat de wereld zou doven, alsof iemand ineens in alle huizen het licht uitdeed, de maan, de zon en de sterren zou weghalen; dat is mijn allereerste herinnering. Die ochtend, toen er al geen weg meer terug was, dacht ik aan de opluchting: dat je maar één keer je ogen kunt sluiten. Van hen die de dood al lang bij de hand houdt kun je die handen niet afhakken. Laat ze maar gaan, laat het maar stil worden, dat vond ik altijd.

Ik wist waar het het diepste was, van kinds af aan hadden we in die rivier gezwommen, onze vader had ons dat geleerd. Zośka was er altijd het beste in, maar zij was nooit ergens bang voor, als je haar zou zeggen in een put te springen of haar hand in een bijenkorf te steken, zou ze het zonder aarzelen doen. Maar toen kon ík niet stoppen. Ik ging de rivier in en liep recht voor me uit, alsof op de andere oever iemand op me wachtte van wie ik veel hield, en wiens leven afhing van het feit of ik hem zou bereiken of niet. De stenen in mijn zakken begon ik pas te voelen toen het water tot mijn middel reikte, ze gaven me moed, mijn voeten liepen zekerder over de modderige bodem. Behalve het ruisen van de stroming hoorde ik niets en ik wist dat als het zo stil werd dat je elke stap, het geritsel van kleren kon horen, dat helemaal geen voorbode was van storm. Of er stierf iemand, of iemand had zich juist bij dat idee neergelegd. Ik heb drie overlijdens gezien en geen ervan was hetzelfde. Maar hoe kunnen overlijdens op elkaar lijken als de mensen anders zijn? Voor ieder de dood die hij of zij verdient of zelf kiest. Sommigen kijken voordat ze de schuur in gaan even naar de hemel, dan naar hun eigen handen, alsof die alles zouden kunnen tegenhouden, maar juist die handen popelen om naar de riem, de hoogste balk te grijpen. Het is niet zo dat het leven voor hun ogen voorbijschiet of dat ze ineens beginnen te huilen. Hun ogen zien alleen wat ze voor zich hebben: hooi, een vogel die zijn veren schoonmaakt, stof dat in het licht dwarrelt. Voor de dood wordt het donker, en voor de levenden stil.

Nu heeft niemand het meer over dat voorval, zij die het wisten zijn allang dood of hun geheugen heeft hen in de steek gelaten, zoals het mijne mij soms. Wie zou hebben gedacht dat uit deze longen, waarmee ik elke dag ademhaal, een emmer water was gekomen? Ik heb me er nooit voor geschaamd, ik neem het alleen die man kwalijk dat hij me eruit heeft gehaald, hij had me toen niet moeten volgen. Wat ik op dat laatste moment zag? Alleen wat er was: een rotsachtige oever, witte populieren waarvan de slappe toppen alle kanten op werden gezwiept door de wind, de traag aanbrekende dagenraad, het inluiden van een nieuwe dag.


Vertaling Charlotte Pothuizen




<

TSL 97

>