In de eerste plaats wil ik het Nederlands
Letterenfonds, academisch-cultureel podium SPUI25, weekblad De Groene Amsterdammer en Athenaeum Boekhandel
heel hartelijk danken voor het initiatief
om bij de toekenning van de Europese
Literatuurprijs ook de vertaler van het bekroonde boek te belonen en zo het belang
van en de waardering voor het werk van
de vertaler te onderstrepen.
Ik ben heel erg blij met deze prijs, die
ik gezien de importantie en de voortreffelijkheid van de overige vertalingen die
hebben meegedongen eerlijk gezegd niet
had verwacht. Ik ben er nog steeds een
beetje beduusd van. Voorts dank ik uitgeverij De Geus voor het vertrouwen dat zij
door de jaren heen heeft gesteld in mijn
vertalingen van het werk van Olga Tokarczuk door deze uit te geven. En vanzelfsprekend dank ik de jury voor de mooie
woorden, waaruit ik hoop te mogen opmaken dat ik Empuzjon mooi heb vertaald,
maar dat had ik natuurlijk nooit kunnen
doen als Olga het niet zo mooi had opgeschreven.
Dus mijn dank gaat ook uit naar Olga
voor het op deze haar eigen, onnavolgbare manier schrijven van dit heerlijke, om
met de woorden van Mieczysław Wojnicz te spreken apetyczna, appetijtelijke
antwoord op De toverberg van Thomas
Mann. Maar de dank die ik Olga verschuldigd ben gaat verder en om daar
iets meer over te kunnen zeggen moet
ik terug naar het einde van die grauwe,
kleurloze jaren negentig van de vorige eeuw, toen in een donkere kelder in het
Poolse Wrocław te midden van sombere,
in het zwart geklede en voornamelijk in
zichzelf gekeerde dichtende tijdgenoten
een jonge vrouw in een felrode trui haar
wonderlijke verhaal over een imaginaire liefde getiteld Amos voorlas. Want zo
zag mijn eerste kennismaking met Olga
en haar werk eruit en hoewel rood niet de
kleur is van de verbeelding blijft het beeld
van deze contrastrijke ontmoeting als een
soort allegorie terugkomen, telkens als ik
iets wil vertellen over Olga’s heldere en
fantasierijke proza en haar plaats binnen
de Poolse literatuur: voor mij kwam toen
met haar en haar verhaal in die groezelige
werkelijkheid in de Poolse literatuur de
verbeelding aan de macht. In tegenstelling tot het gros van haar schrijvende generatiegenoten, die voornamelijk uit hun
eigen biografie putte, ontleende Olga de
stof voor haar boeken uitsluitend aan haar
verbeelding. Bij de presentatie van de Nederlandse vertaling van De Jacobsboeken
ruim twintig jaar na deze betekenisvolle
ontmoeting in een sombere Wrocławse
kelder zag ik in De Balie in Amsterdam
Olga opnieuw en ik zag het goed: ze droeg
een felrode sjaal op een inktzwarte jurk.
Ik kon deze ongetwijfeld op geheel andere gronden gemaakte dress-keuze niet
anders uitleggen dan als een allegorische
knipoog naar die gebeurtenis van weleer.
Daarvoor, voor het in mijn ogen redden van de Poolse literatuur en het haar
weer kleur geven en vooral het haar teruggeven van de verbeelding wil ik Olga bedanken. En heel concreet voor Oer en
andere tijden, mijn favoriete boek van
Olga, die mythische schepping van haar
verbeelding die zij in eenvoudige bijna
naïeve bewoordingen weet op te roepen.
Liefde en verraad, leven en dood, het bestaan of niet bestaan van God of zelfs de
ware aard van paddenstoelen worden in
deze roman op een zo voor de hand liggende manier verklaard, dat je je afvraagt
waarom je een dergelijke benaderingswijze nooit eerder bij een andere schrijver
bent tegengekomen. Gedachte en materie,
subject en object, filosofie en alledaagsheid, verandering en herhaling: niets is in
het hier vertelde blijvend met elkaar in tegenspraak. Alles speelt zich af op de grens
tussen droom en werkelijkheid, maar
wordt tegelijk helder en logisch voorgesteld. Zelden was mijn vertaalplezier groter dan bij het vertalen van dit boek.
‘Mijn sterke kant is het vertellen van
een verhaal,’ zei Olga ooit over zichzelf.
Volgens mij raakt de schrijfster hier de
kern van haar literaire meesterschap en wat
mij betreft staan haar mooiste verhalen in
Huis voor de dag, huis voor de nacht, een
contemplatieve, gedeeltelijk autobiografische roman, waarin de schrijfster voor het
eerst zelf naar voren treedt als verteller,
zij het op een zeer terughoudende manier:
ze ‘luistert’ in de eerste plaats, met name
naar haar esoterische alter-ego, de oude
buurvrouw Marta, een pruikenmaakster,
die even simpele als diepzinnige uitspraken doet als: ‘De dood is een van de vele
mogelijkheden van het leven, maar als
doodgaan door en door slecht zou zijn,
zouden de mensen niet langer doodgaan.’
Een van die verhalen is de door de met
zijn eigen seksuele identiteit worstelende
monnik Paschalis vertelde geschiedenis
van de apocriefe Heilige Kummernis oftewel de Baardheilige, de vrouw die om
de op een huwelijk met haar azende mannen maar niet te behagen zich zo lelijk
mogelijk probeerde te maken door een
baard te laten groeien. Dat Empusion niet
alleen verwijst naar De toverberg maar
ook opvallende dwarsverbanden kent
met elementen uit Olga’s vroegere werk
blijkt onder meer uit zowel de overeenkomst tussen het androgyne van Paschalis en Mieczysław Wojnicz als die tussen Kummernis en Emerencja, de apocriefe
grootmoeder van Maria, de moeder van
Jezus, die Olga in Empusion een veel belangrijkere en meer eervolle rol toedicht
dan die welke de bediende met diezelfde
naam van Thomas Mann krijgt in De toverberg en die er enkel uit bestaat voor
de irritante Hollandse koffieplanter Mynheer Peeperkorn likeurtjes in te schenken.
Met rode oortjes vertaalde ik de passages
waarin Olga Emerencja ten tonele voert,
want heette mijn eigen grootmoeder, die
een niet onaanzienlijke rol heeft gespeeld
in mijn seksuele bewustwording, ook niet
Emerence?
Naar aanleiding van Huis voor de dag,
huis voor de nacht, waarin zoals zo vaak
in Olga’s werk een belangrijke plaats
is weggelegd voor de droom, werd de
schrijfster een wijze uil genoemd die uit
het hoofd van Carl Gustav Jung was gevlogen en verzon de literaire kritiek voor
de roman het motto ‘Ik droom dus ik besta’ – Somnio ergo sum, waarvoor ik denkend aan haar gehele oeuvre een variatie
zou willen voorstellen: Fingo ergo sum –
‘Ik verzin dus ik besta’.
Met het verzinnen van een motto voor
mijzelf heb ik weinig moeite gehad en al
helemaal geen Cartesiaanse twijfel: Verto ergo sum – ‘Ik vertaal dus ik besta’ en
deze bestaansgrond heb ik in belangrijke mate te danken aan mijn en tegelijk Olga’s favoriete boek uit de Poolse literatuur De pop van Bolesław Prus. Toen ik
deze roman zo’n vijftig jaar geleden voor
het eerst las, wist ik wat ik zou worden:
vertaler, want ik wilde dat iedere Nederlandstalige lezer deze schitterende negentiende-eeuwse roman in haar of zijn
moedertaal zou kunnen lezen. Vijfentwintig jaar later vertelde ik Olga tijdens de
Warschause Bookfair, waar zij op dat moment haar essay in boekvorm De pop en
de parel, waarin zij haar liefde verklaart
aan Stanisław Wokulski, de ongelukkige
held uit De pop, ten doop hield, van mijn
diepst gekoesterde wens om Prus’ roman
te vertalen. Spontaan bood zij aan om op
internet (ja, toen al!) een inzamelingsactie
te beginnen om mijn project te bekostigen
en zo mijn grote droom te helpen verwezenlijken. Dat die actie er indertijd niet is
gekomen doet niets af aan het feit dat het
aanbod mij nu vijfentwintig jaar later nog
steeds ontroert en mij dankbaar stemt.
En tot slot wil ik nog iemand bedanken, zonder wier onschatbare inbreng, bestaande uit voor de vertaler soms pijnlijke
correcties, verhelderende opmerkingen
en inspirerende suggesties, ik hier zeker
niet verdiend had te staan, persklaarmaakster Nadia Ramer. Nadia, de bloemen zijn
voor jou.