
Roman van Egon Hostovský (Hronov, Tsjechië,
1908 - 1973 te Montclair, V.S.), een belangrijk
Tsjechisch-joods schrijver. Van hem waren al
eerder door Edgar de Bruin vertaald: Vreemdeling zoekt kamer (1947, vert. 2018) en De
schuilplek (1943, vert, 2021), beide in de emigratie geschreven. Zijn literaire werk werd al in
de jaren hogelijk gewaardeerd. In 1939 vluchtte Hostovský via België (Brussel) en Frankrijk
(Parijs) naar de Verenigde Staten, waar hij voor
de ambassade werkte. Na de oorlog keerde hij
voor korte tijd terug naar zijn land, maar vestigde zich door de dreiging van uitzetting van
Duitstaligen (Sudeten-Duitsers, inclusief Duitstalige joden) definitief In de Verenigde Staten
waar hij tot zijn overlijden woonde.
De brandstichter (1935, en uitstekend vertaald door Edgar de Bruin) is een spannende
roman die zich afspeelt in een gehucht in de
bergen op de grens van Bohemen en ‘Pruisen’.
De centrale plek in het saaie gehucht, waar in
jaren nooit iets van belang was gebeurd, afgezien van regelmatige knokpartijtjes, is het
dorpscafé De Zilveren Duif. De waard is een
‘ruwe, lompe goedzak’ die getrouwd is met
een vrouw die vier jaar in een klooster heeft
gewoond en mogelijk daardoor geregeld nogal
vreemd gedrag vertoont. Ze hebben twee kinderen, pubers nog, waarvan het meisje ook al
enkele jaren in het klooster heeft verbleven
en die een getroebleerde verhouding met haar
moeder heeft, die ze ronduit ‘slecht’ noemt.
De jongen heeft een moeizame relatie met zijn
zus en in tegenstelling tot haar juist een warme
verhouding heeft met zijn moeder. Hij koestert
grote plannen voor de toekomst: hij wil later
een ‘held’ worden tegen wie iedereen zal opkijken. Hierin wordt hij aangemoedigd door
het vriendinnetje van zijn zus dat enige tijd in
de woning boven De Grijze Duif zal logeren
en op wie hij hopeloos verliefd wordt, ondanks
het feit dat zij hem aartslelijk vindt.
In regel twee wordt al gezinspeeld op het
latere optreden van een brandstichter dat het
hele gehucht in angstige spanning zal brengen
met allerlei wederzijdse verdachtmakingen als
gevolg. Vrijwel iedereen zou een reden kunnen hebben om zich door brand te stichten op
een ander te wreken en het dorp in een angstige greep te houden. Met het woord ‘mysterieus’ wordt – zoals te verwachten – al vanaf
het begin rijkelijk rondgestrooid. En natuurlijk
vormt de dorpskroeg de ‘brandhaard’ waar alle
roddelpraat vruchtbare bodem vindt en drie
konkelende stamgasten verdenking wekken.
Opmerkelijk is dat de eerste verdachte
een Pruis is, die een keer in het café opdook.
Hiermee doelt Hostovský ongetwijfeld op de
gevaren die er in het aangrenzende nazistische
Duitsland met zijn antisemitisme en streven naar ‘Lebensraum’, waarmee het zijn buurland(en) bedreigde.
Hostovský’s stijl is soms verrassend modern, dan weer enigszins gedateerd. Wat het
laatste betreft geldt dit bij voorbeeld voor
de aanspreekvorm ‘u’ tussen leeftijdgenoten
en zelfs geliefden. Een vertaalprobleem waar
geen oplossing voor is omdat het gebruik van
‘u’ in de roman gethematiseerd wordt.
Minder gedateerd maar juist modernistisch
doen zijn soms uitgebreide innerlijke monologen aan, waarin de verteller allerlei vragen
opwerpt, maar meestal onbeantwoord laat.
Deze innerlijke monologen worden afgewisseld door frisse ‘externe’ dialogen, die wel met
aanhalingstekens gemarkeerd worden, maar
dikwijls de nazin ‘zei hij/zij’ missen en daardoor ook modern aandoen.
Opmerkelijk is Hostovský’s veelvuldige
gebruik van metaforen, meestal betrekking
hebbend op natuurfenomenen of abstracte
verschijnselen die menselijke eigenschappen
hebben. Deze vinden kennelijk hun wortels in
het expressionisme van die vooroorlogse tijd.
Een paar voorbeelden: ‘Door het geknaag van
de maanden en jaren viel het [verleden] uiteen
in de regenboogkleuren van de vergetelheid’,
‘de afgejakkerde tijd sleepte zich voort’, ‘in
die tijd sloop de ellende op krukken door de
wereld’, ‘de herauten van de dromen naderen al’, ‘de wind blaast … het riet kreunt … kreten
van kinderen fladderen in de lucht’, enz.
Het introverte karakter in roerige tijden
werd ook door Hostovský’s, achttien jaar oudere, collegaschrijver Karel Čapek gebruikt
om in zijn werk onverklaarbare voorvallen
door introspectie te trachten te verklaren. Dit
deed hij in zijn romans Hordubal en De meteoor (vertaald door Irma Pieper), die in 1933
en 1934, in dezelfde periode als Hostovský’s
Brandstichter verschenen. In het ene geval
ging het om een raadselachtige moord, in het
andere om de identificatie van iemand die ‘zomaar uit de lucht was komen vallen, wat tot
allerlei speculaties leidde. Alle drie de romans
kunnen worden gezien als een indirecte weerslag van de bedrukte sfeer in het vooroorogse
Tsjecho-Slowakije.
Kees Mercks

Bohumil Hrabal is een auteur die al lang op mijn
leeslijstje stond; dus toen ik de vraag kreeg om
een recensie over twee nieuwe vertalingen van
zijn werken te schrijven, greep ik deze kans
natuurlijk met beide handen aan. Huis te koop
bestaat uit twee korte verhaaltjes waarin Hrabal ons mee terug neemt naar het stalinistische
tijdperk in het voormalig Tsjechoslowakije.
Het eerste verhaal, ‘Gietsels en gietseltjes’,
speelt zich deels af in de Poldi-ijzergieterij
waar Hrabal zelf kort gewerkt heeft. Hij kreeg
daar echter een gietijzeren wiel tegen zijn
hoofd waardoor hij arbeidsongeschikt werd
verklaard. Achteraf bleek dit een geluk bij een
ongeluk te zijn, omdat Hrabal zich vanaf dat
moment volledig kon wijden aan het schrijven.
In ‘Gietsels en gietseltjes’ lopen er twee verhaallijnen door elkaar heen. Het verhaal begint
met een zwaar beschonken meisje dat de kroeg
uit wordt gegooid en vervolgens van een nacht
buiten op straat wordt ‘gered’ door ene Princ
die haar meeneemt naar zijn barak. Deze Princ
is echter verre van een prins op het witte paard
en met hem meegaan bleek achteraf een grote
vergissing te zijn geweest… Deze verhaallijn
wordt steeds onderbroken door een gedachtewisseling over de maatschappij tussen twee arbeiders, een scharrelaar en een filosoof, op de
schrootplaats van de ijzergieterij. Een wellicht wat onwaarschijnlijk duo, samengebracht door
hun vergelijkbare (nood)lot.
Ook in ‘Bedrieglijke spiegels’ lopen er twee
verhaallijnen door elkaar heen. De hoofdpersoon van de eerste is een metselaar die het
standbeeld van de Heilige Thaddeüs repareert
en tegelijkertijd toekijkt hoe het enorme beeld
van zijn geliefde generalissimus, beter bekend
als Stalin, in Letná park wordt opgeblazen.
Het contrast en de ironie tussen het kolossale,
propagandistische standbeeld en de barre realiteit van lange wachtrijen voor basisbehoeften
zorgden ervoor dat het beeld in de volksmond
spottend Fronta na maso (de wachtrij voor
vlees) werd genoemd. In de tweede verhaallijn
probeert de excentrieke kunstenaar, Valerián,
monumentale scènes uit het nationale verleden
te creëren aan de hand van werken van Jirásek.
Dit kan wellicht gezien worden als commentaar van Hrabal op de manier waarop kunst
gebruikt werd om de nationale identiteit te
vormen en te manipuleren.
Vervolgens maken we een kleine sprong in de
tijd en belanden we in Een driebenig paard aan het einde van het communistische tijdperk in
Tsjechoslowakije. Het is een bundel van veertien brieven van Hrabal aan April Gifford, een
Amerikaanse studente Tsjechisch die hij in
Praag had leren kennen en voor wie hij tevens
een zekere affectie voelt. April, ook wel Dubenka (een Tsjechische variant van haar naam)
genoemd, had een rondreis langs een aantal
universiteiten in de VS (door Hrabal de ‘Veredelde Staten’ genoemd) voor hem georganiseerd die plaatsvond in het voorjaar van 1989.
Deze brieven zijn echter nooit verstuurd en
worden door Hrabal als vertelvorm gebruikt.
Vanuit zijn buitenhuisje in Kersko blikt hij
terug op zijn avonturen in die ‘Veredelde Staten’, die verre van vlekkeloos zijn verlopen, tegen de achtergrond van de Fluwelen Revolutie
in zijn vaderland. Hij vergelijkt zichzelf op een
gegeven moment met een driebenig paard en
een betere beeldspraak is er ook eigenlijk niet:
Hrabal in Amerika is net alsof je een driebenig
paard in een porseleinkast hebt gestald. Vooral zijn liefde voor een biertje (te veel) brengt
hem regelmatig in de problemen, zoals het moment dat hij, in een dronken bui, de kussens
van zijn gastvrouw per ongeluk in de fik had
gezet. Hij bereidt zijn lezingen ook nauwelijks
tot niet voor, tot grote ergernis van Zuzana,
zijn literair agente, en lijkt liever in de kroeg
te zitten dan in een collegezaal. De studenten
die zijn lezingen bijwonen, lijken ook hoofdzakelijk geïnteresseerd te zijn in Václav Havel
en de politieke veranderingen in zijn thuisland
en niet zozeer in zijn oeuvre, wat wellicht ook
invloed heeft op Hrabals (gebrek aan) motivatie. Hij wordt hierdoor ook geconfronteerd
met zijn reputatie als collaborateur, omdat hij
de Charta 77 destijds niet ondertekend had.
Het was voor hem namelijk belangrijker dat
hij zijn werken kon blijven publiceren, hoewel
hij daarentegen wel erg enthousiast was over
de Fluwelen Revolutie. Naast zijn escapades
in Amerika, schrijft hij ook regelmatig over
zijn aanloopkatten, met name over het zwarte
katertje, Cassius Clay, zijn overleden vrouw
Pipsi en natuurlijk zijn geliefde stamkroeg De
Gouden Tijger waar je vandaag de dag nog
steeds terecht kunt voor een půllitr Pilsner. De
geanimeerde en humoristische manier waarop
alles beschreven wordt, geeft je het gevoel alsof je zelf ook deelneemt aan Hrabals hobbelige
rit door Amerika, zijn Praagse kroegentochten
en zijn bezoekjes aan Kersko. Mijn complimenten aan de vertaler, Kees Mercks, die natuurlijk onderhand een expert in Hrabaliaans
is geworden, voor deze schitterende vertalingen zodat deze werken ook toegankelijk zijn
voor het Nederlandstalige publiek. Mijn eerste
ontmoeting met deze grote schrijver was in ieder geval een groot succes en ik kijk er al naar
uit om gauw meer van deze hilarische bier- en
kattenliefhebber te lezen.
Lysanne Aarsman

Aleksej Salnikov (1978) heeft zich de laatste
jaren ontwikkeld tot een van de populairste
schrijvers van Rusland. Hij is geboren in Tartu in Estland, woont sinds 1984 in de Oeral,
en sinds 2005 in de belangrijkste stad van het
gebied, Jekaterinboerg, na Moskou en Sint-Peterburg het derde ‘literaire’ centrum van Rusland.
Salnikov debuteerde als dichter, maar is
vooral bekend geworden door een aantal romans, waarvan de bekendste is Petrovy i v
grippe i vokrug nego (‘De Petrovs met griep
en daaromheen’). Het boek is gepubliceerd
in 2016 en kreeg twee jaar later de Nationale
Bestsellersprijs, een van Ruslands hoogste literaire prijzen. De roman is verfilmd door Kirill
Serebrennikov en in verschillende talen vertaald. Als ik goed ben ingelicht werkt Froukje Slofstra aan een Nederlandse vertaling, die
binnenkort zal verschijnen bij Van Oorschot.
Maar nu is daar eerst De afdeling (Otdel,
2015), gepubliceerd door de wat schimmige
uitgeverij Glagoslav. De uitgeverij is gevestigd in Oosterhout en Londen en wordt geleid
door de Nederlandse advocaat Maxim Hodak.
Deze richt zich op het uitgeven van, vooral,
hedendaagse literatuur uit de Slavische landen
– in het bijzonder Rusland en Oekraïne – in
Engelse en soms ook Nederlandse vertaling.
Sinds de oprichting in 2011 heeft de uitgeverij
meer dan 150 boeken gepubliceerd, in Nederlandse vertaling onder andere Het groen van
de laurier van Jevgeni Vodolazkin, De bibliothecaris van Michail Jelizarov en Metro 2034
van Dmitri Gloechovski. Die boeken hebben
bij ons weinig aandacht gekregen, misschien
omdat Glagoslav vooral vertalingen in het Engels uitgeeft, misschien ook omdat het uitgeefbeleid geen duidelijke richting heeft: behalve
hedendaagse literatuur worden er, te hooi en te
gras, ook oudere schrijvers (Tsvetajeva, Reymont) en niet-literaire werken (over Jeltsjin,
Chodorkovski, de Sberbank) gepubliceerd.
De afdeling verdient zijn lezers. De roman
biedt een beeld van een verworden maatschappij, een situatie die op dit moment in het huidige Rusland niet echt zo is, maar die er, gezien
de onvoorstelbare vervolgingen gedurende
de Stalinterreur, zo maar weer zou kunnen ontstaan. Hoofdpersoon van het boek is Igor
Petrovitsj, ontslagen als lid van de veiligheidsdienst, maar na enige tijd opnieuw aangeworven om zijn werk bij de organen te hervatten.
Het gebouw waar hij zich moet melden staat
in een buitenwijk en is volledig vervallen,
bepaald geen modern FSB-kantoor. Ook de
eenheid waarin hij terechtkomt blinkt niet uit
door krachtdadigheid en speurzin. Deze is een
samenraapsel van wat vreemde individuen,
die uitvoeren wat hun wordt opgedragen. Al
spoedig wordt Igor geconfronteerd met wat
die opdracht inhoudt. Zijn afdeling wordt eropuit gestuurd om iemand, een ogenschijnlijk
volledig onschuldige burger, te arresteren. Igor
heeft als taak de gearresteerde een aantal absurde vragen voor te leggen. Als dat is gebeurd
en de arrestant door de absurditeit van de vragen wat is gerustgesteld, wordt deze door de
andere leden van de afdeling gedood. Buiten hun werk om leiden Igor en zijn collega’s een
normaal leven. Igor zelf heeft vrouw en kind,
maakt ruzie met zijn vrouw en neemt, als deze
het huis verlaat, een van zijn collega’s tijdelijk
bij hem op. De drank vloeit natuurlijk rijkelijk,
altijd en overal. Om bij te komen van het werk
probeert de afdeling van de plek waar deze is
ondergebracht een centrum van moderne kunst
te maken. Van Twitter en Vkontakte wordt
ruim gebruikgemaakt.
Door het naast elkaar plaatsen van het
krankzinnige, zinloze werk van de afdeling en
de omstandigheden van het dagelijks leven is
De afdeling niet zozeer een satire op de huidige Russische maatschappij, maar laat de roman eerder zien dat die maatschappij ziek is.
De afdeling, die bestaat uit gewone mensen
uit verschillende lagen van de bevolking, kan
rustig haar gang gaan en de moordopdrachten
uitvoeren. Dat kan alleen in een land dat ziek
is. Net als in ‘De Petrovs met griep en daaromheen’ is ook in De afdeling ziekte het centrale
gegeven.
Het idee dat aan De afdeling ten grondslag ligt is heel geslaagd, maar op de uitwerking ervan is wel het een en ander aan
te merken. De roman is te lang en Salnikov
heeft soms de neiging tot misplaatste leukdoenerij. Dat blijkt onder meer uit zijn stijl,
bijvoorbeeld de vergelijkingen die hij gebruikt. ‘Zijn stem klonk ook werkelijk als iets
wat het midden hield tussen een blaasinstrument en het alarmerende trompetter van een
olifantenslurf’; ‘…zakte zijn lichaam in de
vensteropening als een plumpudding in elkaar, alsof de eigenaar ervan een onmiddellijk
werkend spierverslappend middel toegediend
had gekregen’. Maar er zijn ook uitstekende
passages, zoals die waarin de auteur zich opwindt over de grote nadruk op privacy terwijl
er overal camera’s worden opgehangen. En
het boek is heel goed vertaald: voor de vele
vulgarismen heeft de vertaler uitstekende Nederlandse equivalenten gevonden.
Willem G. Weststeijn
Artur Solomonov (1976) is een schrijver en
toneelcriticus die met zijn recente toneelstuk
Hoe we Stalin ten grave droegen (2019) ook
internationaal veel bekendheid heeft gekregen.
Dat het stuk in Moskou kon worden opgevoerd
vlak voor de Russische inval in Oekraïne is
opmerkelijk. Nog opmerkelijker is dat het nog
steeds kan worden gespeeld en niet van het
repertoire is gehaald, want het is duidelijk anti-Stalin, wat tegen het zere been van Poetin is.
Het laat zien dat Poetin meent weinig te duchten te hebben van de Russische intelligentsia,
in het besef dat die, anders dan in de Sovjettijd,
nauwelijks enige invloed heeft. De cultuur, de
literatuur, telt niet meer mee en mag dus voor
een groot deel haar eigen gang gaan. Het Russische volk wordt ingepakt door slimme propaganda en door de mogelijkheid voldoende
spullen te kunnen kopen; meer heeft het niet
nodig. Cultuur is overbodig; een bekend geluid
in bepaalde politieke kringen.
Wat Solomonov beoogt met zijn stuk is
aan te geven dat Stalin zeventig jaar geleden
weliswaar is overleden, maar in feite nog helemaal niet dood is. Integendeel, hij wordt in
Rusland weer in toenemende mate vereerd;
dat hij tijdens de verschrikkelijke periode
waarin hij optrad als alleenheerser miljoenen
de dood heeft ingejaagd lijkt geheel vergeten.
Ook in de gewijzigde omstandigheden van tegenwoordig en misschien wel van altijd laat
men zich gemakkelijk inpakken door druk van
bovenaf en wordt er meegedaan in plaats van
verzet gepleegd.
Het stuk, door de auteur als ‘tragische farce’
gekenschetst, laat perfect zien hoe dat in zijn
werk gaat. Een theatergroep wil een kritisch
stuk over Stalin op de planken brengen en hem
daarmee definitief begraven. Bij een try-out
voor publiek en pers blijkt de president van het
land mee te kijken. Hij is niet tevreden met de
voorstelling, waarop de regisseur besluit het
stuk aan te passen, zodat hij niet bang hoeft te
zijn voor represailles van de kant van de regering. Bij de aanpassing – hij speelt zelf de rol
van Stalin – wordt de regisseur een soort dictator. Ook de andere personages, die onder andere
de rollen van Lenin, Chroesjtsjov en Beria spelen, beginnen steeds meer te lijken op de personen die ze uitbeelden. Het resultaat is een situatie waarbij, net als in de ‘echte’ Stalintijd, de
angst zegeviert, men elkaar niet meer vertrouwt
en accepteert wat er van hogerhand wordt opgelegd. Met andere woorden: Stalin wordt en is
niet werkelijk ten grave gedragen, hij leeft gewoon voort. Men buigt even gemakkelijk voor
Stalin als voor Poetin als voor welke dictator
dan ook. Een uitstekend deel in de reeks Russisch Theater van de Leidse uitgeverij Plantage.
Willem G. Weststeijn

‘Wat vermag de literatuur in een wereld die
zowel kleiner lijkt te worden als oneindig lijkt
uit te dijen?’ is de ondertitel van De tedere verteller (2020), de essaybundel waarin de Poolse
Nobelprijswinnares Olga Tokarczuk bespiegelingen op de actualiteit en het schrijverschap
samen laat ballen tot een hartenkreet voor verandering. De literatuur dient voor Tokarczuk
als een agora waar de wereld in al haar complexiteit getoond kan worden met meerstemmige vertellingen die elkaar contrasteren en
aanvullen. Het klassieke gebruik van het eerste-persoons narratief, stelt Tokarczuk, zorgt
ervoor dat we ons in ‘onze gevangenissen van
het ik’ begeven en dat we ons maar slecht kunnen verplaatsen in al het andere wat zich buiten onszelf afspeelt, zoals de niet-menselijke
wereld. ‘Door onszelf te verlaten, hebben we
misschien een kans om iets te worden wat ons
tegendeel is’ redeneert Tokarczuk. Hiervoor
schept ze het principe van ‘de tedere verteller’
die ontvankelijk is voor het andere buiten de
grenzen van het Zelf.
In haar eerdere werk resoneren deze beschouwingen. In Oer en andere tijden (1996) beschrijft Tokarczuk hoe de menselijke bewoners
van het fictieve dorpje Oer samenleven met de
lokale flora en fauna. Terwijl de Tweede Wereldoorlog als een schaduw over het dorpje trekt,
beroert Tokarczuk de levens van de koffiemolen, de zwamvlok en de familie Niebieski. Door
ook vanuit niet-menselijke waarnemingen te
verhalen ontstaat er ruimte voor een verhaal dat
verteld wordt vanuit een ander gezichtspunt. In
De rustelozen (2007) laat Tokarczuk de lineaire vertelling helemaal los; het boek bestaat uit
fragmenten die in de vorm van een constellatie de lezer uitdagen te zoeken naar verbanden.
Maar tevergeefs, de fragmenten, soms slechts
observaties van enkele zinnen, vallen juist door
hun ‘verscheidenheid als puzzelstukjes in een
groter geheel’ schrijft Tokarczuk.
Empusion (2022) lijkt in eerste instantie Tokarczuks principe van ‘de tedere verteller’
weinig recht aan te doen. We maken kennis
met Mieczysław Wojnicz, de protagonist
vanuit wiens perspectief de vertelling vorm
krijgt. Wojnicz is een 24-jaar oude student
aan de Technische Hogeschool van Lemberg
die vanwege bepaalde aandoeningen ‘waarvan niet eens hijzelf zozeer op de hoogte
was’ in september 1913 naar het ‘Gasthaus
für Herren’ wordt gestuurd; een sanatorium
in het Pruisische Görbersdorf (het huidige
Sokołowsko). Görbersdorf vormde de blauwdruk voor Davos, waar De toverberg (1924)
gesitueerd is. Hoewel Tokarczuk bladzijden
lang de overpeinzingen en opvattingen van
de negen andere mannelijke kuuroordgasten,
die vaak erg misogyn en benepen zijn, aan de
lezer uiteenzet, leren we vooral Wojnicz goed
kennen. Tokarczuk verhaalt echter in de derde persoon, waardoor ze zich niet beperkt tot Wojnicz’ perspectief alleen. Ook wordt de lezer
meermaals direct aangesproken door een nog
onbekende mysterieuze meervoudsvorm.
Hoewel het verhaal zich aan de vooravond
van de Eerste Wereldoorlog ontspint, komen
dergelijke historische gebeurtenissen niet aan
bod in Empusion; het verhaal is bijzonder intiem. De levens van de gasten is gericht op
genezen en dat betekent vooral veel kalmte,
de natuurbeschrijvingen zijn delicaat en de
heren verdoven zich dagelijks eigenhandig
met een borreltje genaamd Schwärmerei. Van
haast is geen sprake, dus ze vullen hun tijd
met lange wandelingen en gezapige filosofische bespiegelingen op het leven. Vooral de
positie van de vrouw is tijdens het drinkgelag
een populair onderwerp. De heren trekken geregeld van leer over de uitzonderingspositie
van de man, want ‘daar waar bij de man een
wil zetelt, zit bij de vrouw de begeerte’. Ook
concluderen de heren dat het lichaam van de
vrouw in zekere zin ‘tot de gehele mensheid
toebehoort, aangezien zij een vat is waar mensen uitkomen’ en daarom kan zij ‘beter als
voorwerp worden gezien’.
Vrouwelijke kuuroordgasten zijn er, zoals
het een echt object betaamt, niet om de heren
van repliek te dienen. De enige die een flitsbezoek maakt is de vrouw van pensionhouder
Wilhelm Opitz, maar zij verhangt zichzelf al
op een van de eerste bladzijden. Bovendien is
het voor de heren goed toeven in dualismen;
het Verlichtingsdenken viert nog hoogtijdagen in Görbersdorf waarbij de mens, hier synoniem aan de man, cultureel onderlegd is en
ageert vanuit de ratio, terwijl de vrouw aan
de natuur toebehoort ‘met haar ongebreidelde
biologisme’. Tokarczuk doet een beroep op
de verbeeldingskracht van de lezer wanneer
ze Mieczysław in het bos laat stuiten op een
quasi-vrouwelijk personage. Het is een Puppe;
een passief mensachtig wezen bestaande uit
samenraapsels uit het bos, waarbij ‘op de plek
onder de ‘heupen’ waar de benen uiteengingen
een gat gaapte (...) als een vaak gebruikt paadje, gladgemaakt en gepolijst’. Een vergelijking
met de antropomorfe portretten van Giuseppe
Arcimboldo is snel gemaakt.
Ondertussen wordt Wojnicz ’s nachts
hoorndol van een geluid dat lijkt op gekoer op
de bovenverdieping. Wanneer het hem te veel
wordt, besluit hij de voormalige kamer van
mevrouw Opitz te gaan inspecteren. Hier ligt
Tokarczuk een tipje van de sluier op over de
‘aandoening’ van Wojnicz. Hij blijkt, zo vertelt dokter Semperweiß hem, meer gemeen te
hebben met de Puppe in het bos: ‘u vertegenwoordigt een tussenwereld’. Niet alleen zijn
lichaam verraadt dit, maar ook zijn fascinatie
voor mevrouw Opitz’ kamer. Door mysterieuze momenten als deze werkt de roman langzaamaan toe naar een ontknoping. Hoewel
Tokarczuk de ‘wijsheden’ van de heren veel
ruimte laat innemen, onthult ze dat de menselijke ervaring alleen geen allesomvattende
waarheden over de wereld kan vaststellen.
‘We moeten ons openstellen voor andere dimensies dan de menselijke ervaring’ stelt de
theosoof Walter Frommer.
De heren stellen zich echter niet open voor
niet-menselijke ervaringen en dit komt hen
duur te staan. Ze denken zich in alle rust in
het sanatorium en in de bossen op te kunnen
houden, maar hun aanwezigheid brengt Gaia
in disbalans en zodoende slaat het levend
organisme terug. Voor deze slotparagrafen
brengt Tokarczuk de wij-vorm weer ten tonele. Dit abrupt vocaal geworden organisme
creëert gemeenschappelijkheid voor een situatie die ‘ons’, de eenentwintigste-eeuwse
mens, nog te veel ontgaat. Staat het principe
dat we de rol van deze wij-vorm aan het einde
van de roman pas begrijpen voor het feit dat
de verwoesting van de natuurlijke wereld om
ons heen zich nog te zeer buiten ons blikveld
begeeft? Tokarczuk zinspeelt in Empusion op
deze gedachte, maar concretiseert haar in De
tedere verteller wanneer ze schrijft over het
ontvankelijk zijn voor alles wat er zich buiten
onszelf afspeelt. Na het lezen van Empusion
kan dit devies geïnterpreteerd worden als een
aanmoediging om te breken met het traditionele verhaal, waar de mens nog té comfortabel
in het middelpunt staat, om de niet-menselijkheden waarmee wij deze Aarde delen te leren
kennen. En zo blijkt dat Tokarczuk van haar
wereldbeeld toch geen afstand heeft gedaan in
Empusion. Ze contrasteert het slechts aan een
mannelijke microkosmos anno 1913.
Mari Janssen
’s Nachts veranderde de kleine woning in de
Goldhammerstraat in het Poolse Tarnów in
een slaapkamer. Drie bedden namen de enige
kamer in beslag en een vierde bed, voor de ouders, de keuken. In het midden stonden de
stoelen en de tafel, daar kon je je onderweg
naar de wc – een stinkend buitenhok – makkelijk aan stoten. De joodse familie Stramer
woonde er samen met een hond en poes, met
hun achten: behalve de ouders, vier zonen en
twee dochters. Toch was dit een typisch Pools
huis uit het begin van de vorige eeuw. De joden vormden in Tarnów veertig procent van de
bevolking.
Vader Nathan was na enkele jaren teruggekeerd uit New York om de mooie Rywka
te trouwen. Zijn meer succesvolle broer bleef
achter in New York en
stuurde hem regelmatig
door vloeipapier paars
geworden dollarbiljetten
en onderhield zo Nathan
die vaak en graag in het
voor niemand verstaanbare Engels vloekte.
De dollars hielpen bij
zijn vaak aanvankelijk
enthousiaste plannen
die keer op keer in een
– hilarisch beschreven
– fiasco eindigden. Bij
elke desillusie eindigde
Nathan weer een tijdje
ontgoocheld in bed met
‘buikgriep’.
In Stramer volgen
vele portretten van de
opgroeiende kinderen en
hun ouders elkaar op. Het
zijn levendige, humoristische beschrijvingen van
hun interesses, verliefdheden en schoolproblemen. De ‘economie van
de liefde’ door een van
hen bedacht, is bijvoorbeeld hoe je een meisje
kunt versieren zonder daar al te veel geld aan
te hoeven spenderen.
De kinderen Stramer gingen verschillende
kanten op, zoon Salem (de grootvader van de
schrijver) en zijn broer Hesio kozen tot groot
ongenoegen van hun vader, voor het communisme. ‘Drommen jonge mensen kwamen op
bedevaart naar de Goldhammerstraat 20 met
de vraag wat ze moesten doen om communist
te worden. “Je verstand verliezen” zei Nathan
en hij deed de deur voor hun neus dicht.’
De diverse activiteiten vonden ondergronds plaats en daarom wisselden de kameraden minstens elke week van schuilnaam, wat vaak tot verwarring leidde, vooral ook als ze
zelfs hun eigen naam vergaten! En er werd
regelmatig geld ingezameld voor de Partij.
‘Alleen het blikje was anders dan anders. Qua
vorm leek het op het keren kajemet, een blikje dat in veel Joodse huizen hing. Daar werd
geld in gegooid om “het ooit door God aan
Abraham beloofde land” van de Arabische eigenaren te kopen. Misschien had iemand zo’n
blikje van thuis meegebracht. Zou hij het van
tevoren hebben geleegd?’ Voor veel Poolse Joden voor de oorlog leek het communisme een
weg naar assimilatie. Het beloofde gelijkheid
en sociale rechtvaardigheid.
Vanwege hun
communistische
activiteiten belandden Hesio en Salem
beiden een paar jaar
in de gevangenis.
Toen Salek later naar
Spanje ging om tegen Franco en het
fascisme te vechten,
ontmoette hij er een
internationale groep
van socialisten, communisten en idealisten. Aanvankelijk
werd er vooral veel
gelachen en gefeest
en werd niemand
getraind om wapens
te gebruiken, aangezien die niet voorradig waren. Nadat hij
er twee vrienden had
verloren en Salek
werd gevraagd om
berichten te censureren besloot hij dat dit hele avontuur nogal absurd was. Toch bleven velen de officiële koers
verdedigen toen de druk vanuit de Poolse communistische partij en Moskou sterker werd,
ook al vonden er in Moskou processen plaats,
waarbij vroegere ‘trouwe kameraden’ werden
veroordeeld.
In Tarnów waren er gelovige en niet-gelovige joden, die ook niet altijd door één deur
konden, vooral niet als ze voor het communisme kozen: ‘rot op naar de Sovjets’ versus ‘en
jullie naar Palestina. Zwoegen in de kibboets’;
er werd zowel Jiddisch als Pools gesproken,
maar de Poolse taal werd steeds meer dominant, ook onder de seculiere joodse bevolking,
‘óok Joden willen het Jiddisch vergeten, we
zijn nu in Polen’.
In de jaren dertig werd de sfeer ook in Polen langzaam maar zeker steeds grimmiger: op
school kreeg dochter Wela van haar onderwijzeres te horen ‘in Hitlerland zou het lachen je
wel vergaan, Wilhelmina’, wat gegiechel van
haar medeleerlingen opleverde. De pesterijen
van Poolse nationalisten en later Duitsers namen toe, de repressie werd steeds erger. Alles
kwam Nathans hoop is dan nog dat broer Ben
in New York een reddingsboei voor de hele familie kan uitgooien maar dat blijkt niet meer te
gaan lukken.
Over (de meesten van) de Stramers is er
een vervolg geschreven. Het boek is inmiddels
in Polen verschenen en ik kijk uit naar de vertaling.
Eerder deze maand schreef vertaalster Charlotte Pothuizen me: ‘… toen ik van de winter
in Warschau was, mocht ik met Łoziński mee
naar een toneelvoorstelling gebaseerd op het
vervolg van Stramer, ‘De Stramers’ (Stramerowie). Zijn ouders waren erbij, maar ook twee
kinderen van Hesio (van verschillende moeders). Dat was wel heel ontroerend.’
Eveline Citron-Schlatmann