Jan Brzechwa
Vijf kindergedichten
luie oen
Op de bank zit ’n luie oen,
De hele dag maar niks te doen.
Neem me niet kwalijk, nou moe!
Hoezo? Alsof ik niks doe?
En wie zit op de bank te zitten?
En wie loopt door zijn haar te spitten?
En wie at vandaag zijn eerste ontbijt?
En wie raakte ook zijn laarzen nog kwijt?
En wie liep er rond met een snottebel?
Nou – Nou? Zie je wel!’
Op de bank zit ’n luie oen,
De hele dag maar niks te doen.
ʻPardon? Dronk ik dan geen levertraan?
Ben ik dan niet naar de kapper gegaan?
Waste ik dan niet mijn oren?
Heb ik dan geen knoop verloren?
Stak ik mijn tong niet uit vandaag?
Heet dat nou niks? is wat ik vraag.’
Op de bank zit ’n luie oen,
De hele dag maar niks te doen.
Geen schooldag voor hem, want hij had geen zin,
Geen huiswerk gemaakt, want tijd evenmin,
Geen veters gestrikt, want teveel gedoe,
Geen ʻDag’ in de morgen, want ’t maakte hem moe,
Geen drinken voor Fikkie, want ’t te ver naar de kraan,
Geen voer voor ’t pietje, want zijn tijd ging eraan.
Hij zou wat gaan eten – smakte slechts met zijn mond,
Hij zou naar bed gaan – te laat – viel in slaap op de grond.
Hij droomde dat hij keihard zwoegde op een plan.
Die droom was zo vermoeiend, hij werd er wakker van.
de pad
Juffrouw pad
Was afgemat
Dus aan de arts in de kliniek
Vertelde ze; ik ben wat ziek.
De arts zette zijn leesbril op,
Hij was wat oud, een grijze kop,
Toen testte hij haar uitgebreid,
En dit kon hij uiteindelijk kwijt:
ʻU bent te veel aan ’t transpireren,
U moet geen water absorberen,
U moet vocht zien te ontwijken,
U moet niet bij de pomp neerstrijken,
U moet regen echt vermijden,
U moet niet door plassen rijden,
U moet niet gaan zwemmen in ’t meer,
U moet u niet wassen keer op keer,
U moet niet elke dag in bad,
U moet op uzelf, u moet juffrouw pad,
Net zolang blazen, puffen en pogen,
Om tot op het bot op te drogen!’
Pad keerde terug uit de kliniek,
Dacht bij zichzelf: ʻIk ben echt ziek,
En ’n zieke doet wat van de arts moet,
Dus ik moet droog – dan komt het goed!’
Pad poogde maar en ze poogde,
Ze droogde zich lang en ze droogde,
Tot ze verdorde en er langzaamaan,
Slechts gruis over was van d’r paddenlichaam.
En de arts trok zijn wenkbrauw omhoog:
ʻAchter haar oren is zij nu wel droog.’
de vlieg
Iedereen neemt weleens een bad,
En schoon zijn leek ook vlieg wel wat.
Dus zondag badderde ze in teer,
En maandag in bouillon een keer,
Op dinsdag in een kool-stoofpot,
Woensdag dan weer in perzikcompote,
Donderdag leek tartaarsaus haar fijn,
Vrijdag een bad vol rode wijn,
Zaterdag nam ze een bloedsoep-bad…
Maar wat ze nou aan al dat badderen had?
Wat ze eraan had? Het bracht haar slechts leed,
Want van al dat vuil plakte ze compleet,
Maar toch kwam het niet in haar op,
Om eens te badderen in sop.
pim-pam-pet
En van je pim-pam-pet, rode taboeret,
Daar op die taboeret, was een mand gezet,
Een mand met een reinette, door een worm bezet,
Die worm was zeer net, gekleed in ’n groen korset.
ʻMijn opa en opoe en vader en ook moe,
eten steeds maar appels,’ sprak de worm ons toe,
ʻMaar basta! ’t is nu klaar!’, ’k heb genoeg gehad!
Ik wil eens een croquet!” En hij ging richting stad.
Een week lang onderweg, was appels nog steeds zat,
Dus vloog hij naar een kroeg, de eerste op z’n pad.
In kroegen werkt een waard – ook hier dus, uiteraard;
Hij liep naar worm toe en gaf hem toen de kaart,
En op de kaart – wat erg! – beken maar, ’t is te zot:
Was appelsoep gezet en appeltjescompote,
Appeltjes gesmoord en appeltjes gebakken,
Een stukje appeltaart en appelcake in plakken!
Och wormpje, zie nou toch! Waar blijft nu jouw croquet?
Och wormpje pim-pam-pet, rode taboeret.
hondenverdriet
De oever van de blauwe vliet biedt
Ruimte voor klein leed en verdriet.
Het eerste verdriet komt doordat
Het altijd maar vechten is met de kat,
Het tweede – dat een vlieg je oor in vloog,
Het derde – nat water wordt maar niet droog,
En verder, dat nooit de kip zich laat vangen,
En dat je niet in de tuin rond mag hangen,
Dat happen niet mag naar buurmans sloffen,
Dat er geen worst uit de lucht neer komt ploffen,
Maar het laatste leed draait om het feit,
Dat de hond te voet rent, terwijl de mens rijdt.
Maar schotel het hondje wat melk voor
En van ’t verdriet bij de vliet verdwijnt elk spoor.
Vertaling Małgosia Briefjes