Jan Brzechwa (1898 Zjmerynka -1966
Warschau) is bij het grote publiek bekend
om zijn kinderversjes en -verhalen, maar
zelf had hij liever beroemd willen worden
als lyrisch dichter. Daarnaast was hij ook
satiricus, vertaler uit het Russisch, jurist,
advocaat en specialist op het gebied van
(zelfs grondlegger van) auteursrechten.
Brzechwa werd geboren als Jan Wiktor Lesman in tsaristisch Rusland en
groeide op in een Joods- Poolse familie in
de Kresy – het oostelijke Grensland van
Polen dat na de Tweede Wereldoorlog aan
Rusland werd toegewezen. Van jongs af
aan schreef Brzechwa spotrijmpjes en gedichten die al werden gepubliceerd toen
hij nog een tiener was.
Brzechwa was de twintig jaar jongere
neef van de bekende symbolistische dichter Bolesław Leśmian, die in een indertijd
door antisemitische sentimenten beheerste Poolse samenleving zijn (hun) ‘Joods
klinkende’ achternaam Lesman al had
‘verpoolsd’ om bij de Warschause uitgevers in het gevlij te komen. Nadat Brzechwa op achttienjarige leeftijd zijn neef
wat gedichten had opgestuurd, kwam
Leśmian met de artiestennaam Brzechwa
voor hem aanzetten. Leśmian was namelijk niet erg onder de indruk van de gedichten en vreesde dat mensen hen door
elkaar konden halen. ‘Hoe mooi is dat,’
overtuigde Leśmian hem daarom, ‘Brzechwa, het gevederde deel van een pijl.’
Toen Brzechwa in 1918 naar Warschau
kwam, stimuleerde Leśmian hem, gezien
zijn rijmtalent en voorliefde voor spot
en satire, het dichten los te laten en zijn
geluk in het cabaret te beproeven. Brzechwa schreef zo’n vijftien jaar sketches,
liedjes en monologen voor het Warschaus
cabaret.
Toen Brzechwa bijna veertig was,
schreef hij een aantal gedichten ter vermaak van zijn vrienden en om een kleuterjuf te verleiden. Iedereen was zo enthousiast dat Brzechwa ermee naar een uitgever
ging. Eind 1937 verscheen zijn eerste
bundel Tańcowała igła z nitką (‘Naald
danste een dans met draad’). Het was een
groot succes en een jaar later volgde een
tweede: Kaczka dziwaczka (‘De eend zo
vreemd’). Hoewel de bundels op de markt
waren gebracht als kindergedichten, had Brzechwa nooit de intentie gehad ze voor
kinderen te schrijven.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog
schreef Brzechwa een aantal van zijn
meest bekende kinderboeken waaronder Akademia Pana Kleksa (‘De academie
van Meneer Kleks’). Brzechwa vertelde
achteraf dat de oorlog langs hem heen was
gegaan. In die periode was hij namelijk tot
over zijn oren verliefd, maar werd hij tot
tweemaal toe afgewezen. Hij werd zo in
beslag genomen door zijn liefdesverdriet
dat de rest hem ontging. Het leek alsof Brzechwa in een andere realiteit leefde; zijn
talent tot het creëren van andere werelden
beperkte zich dus niet tot papier alleen.
De kindergedichten en -verhalen van
Brzechwa waren humoristisch en zaten
vol verbasterde gezegdes, complete nonsens en woordspelingen. Hij verweefde
sprookjes, magie, fabels en volkswijsheden, en gaf ze een satirische, parodiërende
laag. Het maakte dat zijn gedichten zowel
onder volwassenen als kinderen geliefd
waren (en nog steeds zijn). Door de dubbele laag kan je opmaken dat Brzechwa
zijn gedichten inderdaad niet voor kinderen schreef.
Na de oorlog genoot Brzechwa veel
vrijheid om te schrijven wat hij wilde.
Hij kon in zijn gedichten veel spot en
satire kwijt omdat die vanwege de onschuldige versvorm toch niet door de
censor werd opgemerkt. Tegelijkertijd
kreeg Brzechwa het verwijt dat hij een
opportunist was. Hij werd omschreven
als een man die van het goede leven hield
en om zijn comfortabele levensstijl van
voor de Tweede Wereldoorlog ook erna
voort te kunnen zetten, schreef Brzechwa
lofdichten op de communistische machthebbers. Het was de prijs die hij bereid
was te betalen voor zijn literaire succes;
binnen tien jaar waren er 2,5 miljoen
exemplaren van zijn boeken verkocht,
aanzienlijk meer dan de 15.000 in al de
jaren daarvoor.
Ondanks zijn succes kwam er kritiek
op Brzechwa’s werk. De censor vond bijvoorbeeld dat zijn werk het socialistische
ideaal ondermijnde en conservatieven beschuldigden Brzechwa ervan pornografie
te verspreiden – verborgen in de woordspelingen. Daarnaast kreeg Brzechwa het
verwijt dat zijn gedichten niet pedagogisch waren vanwege de absurdistische
humor, de voor kinderen onbegrijpelijke
woordgrappen, de onduidelijkheid over
wie goed en wie slecht was en het gebrek
aan een moraal. Dat laatste kan inderdaad
niet ontkend worden, al heeft het kinderen
zelf nooit gestoord: al generaties lang zijn
zij – misschien wel juist daarom – dol op
Brzechwa.