Osip Mandelstam, Joseph Brodsky, Pjotr Morjak



Gedichten




OSIP MANDELSTAM (1891-1938)



DE SCHELP

Je zult het zonder mij wel klaren,
nacht; uit de kolk van het bestaan
spoel ik, een schelp, maar zonder parels,
onnuttig op je oever aan.

Je golven schuimen onverschillig,
je dreunt je monotone lied,
toch zul je luisteren, gewillig,
naar wat de schelp aan leugens biedt.

In ’t zand zul jij je naast hem strekken,
de schelp omhullen met je kleed,
hem in doen slapen én weer wekken
met jouw geduchte deining, zee.

Je zult de broze schelp z’n wanden,
gelijk het huis van een leeg hart,
vullen met mist en regenflarden,
met schuimgeruis en windgeraas.

1911



Osip Mandelstam, hoogdruk van Sietse H. Bakker
Je gedaante, pijnlijk, deinend, wenkend,
loste langzaam in de nevel op.
Zomaar, zonder er bij na te denken
zei ik bij vergissing ‘Here God!’

Gods naam vloog gelijk een vogel
uit mijn ademende borstkas weg.
Er is niets dan dichte nevel voor hem,
achter hem een kooi, ontstellend leeg.

1912


Mijn droge, droge leven
gaat nu in vlammen heen,
en alles wat ik heden
bezing is hout, geen steen.

Ja, hout is lichter, ruwer;
vervaardigd uit één stuk –
de spanen van de roeier,
de kern van elke eik.

Ga krachtig door met heien
en, hamers, doe uw plicht,
daar in de houten hemel
zijn dingen o zo licht.

1915


JOSEPH BRODSKY (1940 – 1996)



…M’n ratelende, mompelende stem
maakt jou van streek, zet je onnodig klem,
en m’n vermoeide, matte ironie
dek jij te laat toe met melancholie.
Mocht je zo goed zijn, het verleden kwijt,
elders en – sorry! – in een andere tijd,
m’n naam weer als vanouds te fluisteren,
zal ik als lijk nog naar je luisteren.

23 januari 1962


SONNET

Op stukken braakland hoor ik weer opnieuw,
boven geblaf van buldogs uit, je droeve stem.
Ik zoek in buitenwijken het vertrouwde spoor
en net als vroeger tref ik dennennaalden aan
en vuurtjes smeulend tussen opgestoven sneeuw.
Niets geeft de weg naar jouw adres zo goed aan als
die echoënde kreet, die door het duister waart
als een doorzichtige, kristallen druppel gif.

Ook ik verwelkom nu het aangebroken jaar
op braakliggend terrein en dans in stilte rond.
De oude kaarsen doven langzaam in me uit
en langs m’n lippen vloeit de wijn van Tristan weg,
en voor het eerst beantwoord ik je roep niet meer.
Sinds kort kan ik zelfs in het pikkedonker zien.

1962


M’n woorden sterven, voor zover ik weet.
De tijd zal m’n geploeter nivelleren,
wegzetten als iets wat er niet toe deed,
en zal ten slotte gnuivend zegevieren.
In het verleden en in deze tijd,
in oorden waarvan astronauten dromen,
op zeeën – alom stuit ik op dit feit,
kan ik slechts tot dit harde oordeel komen.
Een dichter moet de kloof die er bestaat
tussen lichaam en geest zien te verkleinen.
Talent is, zeg, een naald. De stem een draad.
De dood maakt aan het naaiwerk weer een einde.

1963


EX ORIENTE

Precies als Titus Livius zat hij
neer in z’n tent, probeerde te ontkomen
aan al het zand. Verfrommeld lag nabij
z’n perkamenten hand een brief uit Rome.
De zon stak. Zoveel dagen achtereen
had hij zich voortgesleept door dorre streken
dat zelfs z’n oogopslag nu tanig scheen,
en ook het laatste speeksel was geweken.
De zon stak en het kwik steeg er gestaag.
Het stoof en zand kwam voor de ingang samen,
terwijl hij maar bleef zitten met de vraag
waar toch dat vocht vandaan kwam voor z’n tranen.

1963


De lege omgekeerde vissersboten
lijken op bivakmutsen van piloten,
doen mij weer denken aan de oorlogstijd
met dat ik gretig naar de golven kijk.
Terwijl ze enkel maar de echo vormen
van net niet helemaal geslaagde flarden
van het stormachtige hoerageroep
waardoor er gisteren een sloep omsloeg.

Norenskaja, 1965


pjotr morjak (1954)



MOSKOU-AMSTERDAM

Je vliegt naar huis met afscheidswoorden in je hoofd
en raakt per strekkende seconde meer beroofd
van wat ten langen leste dierbaar was geworden
in dat massief van straten, pleinen, mensenhorden.
Je doolde als een blinde door dat labyrint,
tot er een Ariadne kwam, jou goedgezind.

Nu ligt die grootse metropool als Naxos klein
en overzichtelijk beneden. Ach, het gaat
zoals het gaat. Wat rest is, ragfijn als een draad,
een reeks herinneringen... Onderweg te zijn
naar vrienden, vaderland en eigen woonhuis
is bitterzoet voor wie het voorbeeld volgt van Theseus.


TREINREIZIGER

De aarde weet niets van ’t beton
dat in de aarde ligt verzonken.
’t Beton weet niets af van de mast
die oprijst, in ’t beton geklonken.
De mast weet niets af van de kabel
die door de mast gedragen wordt.
De kabel weet niets van de trein
die door de kabel wordt gevoed.
De trein weet niets af van de man
die in de trein naar buiten kijkt
en als geen andere passagier
de sobere samenhang begrijpt.


ZOMER ’62


Het gouden zongezwier,
een oogenblik,
hoog maakt stil plezier
de leeuwerik.

Herman Gorter

Op zoek naar wat voorbije jaren brachten
zie ik weer wagens van het hooiland komen.
Zwoegend tussen zware houten disselbomen
trekken trage paarden torenhoge vrachten.

Boeren op de bok als veldmaarschalken. Tijd
sleep groeven in hun koppen, scherp als voren
in vette omgeploegde aarde. Verse sporen
glijden van de wielen langzaam achteruit.

Hooi ligt op de karren meters opgetast,
het lijkt te willen reiken naar de wolken
en naar zwaluwen die het azuur bevolken
op grote afstand van de okergele last,

waar jongens zoeken naar een wankel evenwicht.
Ik ben weer één van hen – een luttel ogenblik
weer balancerend in het gouden zonnelicht.
Hoog maakt luid plezier de blonde leeuwerik.


HUIS

We zullen wonen in een zonnig toevluchtsoord,
een warme schuilhoek aan een zuidelijke zee.
Je zult mijn vrouw zijn, trouw als eens Penelope.
En alles wat ons vredig samenzijn verstoort
zal buiten blijven. Opgezwollen duisternis
belaagt de muren, maar het gele licht erbinnen is
zo sterk als staal en stortbeton. Het zwiept en kraakt
rond onze burcht – cyclopen zijn vertoornd ontwaakt.
Ons huis houdt stand. En moe van wind en golfgedruis
leg ik mijn boog neer, grendel deuren en blijf thuis.


ZWAAN OP HET WATER


’k Zag zo-even een sneeuwwitte zwaan op het water.
’k Zie hem nu zwart op wit, kijk, hierboven, het staat er,
op papier, op een scherm, een herinnering voor later.


Vertaling Peter Zeeman





<

TSL 96

>