Dat vooraanstaande en alom gewaardeerde Russen als Soevorov, Koetoezov,
Karamzin, Alexander I, Gribojedov en
Poesjkin vrijmetselaar waren, laat onverlet dat in Osorgins tijd daarover bij
vele Russen onbegrip, vooroordelen en
verwarring heersten. Volgens Osorgins
biografe Ljoedmila Polikovskaja was
Osorgin de belangrijkste Russische vrijmetselaar van de vorige eeuw. Tijdens
zijn verblijf in Italië werd hij in 1914 lid
van de Grote Vrijmetselaarsorde Venti
Settembre. Later richtte hij in Parijs verschillende loges op, waaronder een speciaal voor Russische emigranten. Met zijn
eenvoudige uitleg over vrijmetselarij wist
hij bij veel Russen meer begrip te kweken. Het streven van vrijmetselaars is het
in broederschap bouwen aan de Tempel
van Deugd en Wijsheid voor een betere
wereld, essentieel daarbij is de gewetensvolle zoektocht van de geest naar
de waarheid, in het besef dat die niet te
vinden is. ‘Voor het aardse leven is er de
bewegende, levende kracht van de zon:
we zijn allemaal kinderen van die ene
moeder aarde en die ene vader zon,’ legt
Osorgin uit. Vooralsnog zou het einde een
‘geheimzinnig en gezichtsloos spel zijn
van kosmische en biologische krachten’.
In Volny kamensjtsjik (De roman van een
vrijmetselaar) beschrijft Osorgin met humor en empathie de zielservaringen van
de geëmigreerde Russische postbode
Jegor Jegorovitsj Tetjochin die in Parijs
met vrouw en kind een vrij kleurloos bestaan leidt, totdat hij wordt uitgenodigd
om kennis te maken met de vrijmetselarij
en een nieuwe wereld ontdekt.
De schrijver Osorgin werd geboren in
Perm als Michail Andrejevitsj Iljin. Het
pseudoniem Osorgin, ontleend aan de
achternaam van zijn oma aan vaderskant,
koos hij in Italië. Hij was de jongste van
vijf kinderen, zijn vader was jurist en zijn
met vele talenten begaafde moeder had in
Warschau een school voor adellijke meisjes doorlopen. Uit zijn biografie blijkt dat
het een harmonisch gezin was, onvertogen woorden of ruzie waren niet aan de
orde. Michail groeide op in een houten
huis te midden van de idyllische drie-eenheid van bergen, water en bos. Zijn vader
bracht hem bewondering bij voor de natuur, van ‘een teer stengeltje tot een robuuste boomstam’ en leerde hem tijdens
het plukken van bessen, paddenstoelen
enzovoort er voorzichtig mee om te gaan.
Als heel kleine jongen wist Michail een
vosje uit een strik te bevrijden. Schrijven
over de natuur in een fijnzinnige Toergenjev-achtige stijl zal, net als het motief
van een sfeervol huis, altijd weer terugkomen in zijn oeuvre.
Door de doctrinaire strengheid en
de vrijheidsbeperking op het gymnasium in Perm kreeg hij een aversie tegen
religie, en had al vroeg door dat vrijheid
het hoogste goed is. Het gezin ging wel
naar de kerk, maar daarop werd geen
dwang uitgeoefend. En Michail, die van
vrouwen hield en driemaal getrouwd is
geweest, ging daar vooral heen om naar
meisjes te kijken. Tussendoor observeerde hij de priesters en zag hoe een van hen
tijdens de dienst met zijn likkepot een
laatste restje wijn uit de kelk verschalkte,
en een andere een snuifje tabak uit een
vieze zakdoek plukte. Zulke waarnemingen zullen niet bevorderlijk zijn geweest
voor de behoefte deel uit te maken van
de Russische kerk, als gevolg waarvan
Osorgin zich later een ‘blije atheïst’ zal
noemen.
Het literatuuronderwijs op het gymnasium hield op bij Gogol, al het andere
zou ‘onbekend of schadelijk’ zijn. Maar
tegendraads als Osorgin en zijn vrienden waren, lazen ze elkaar in hun vrije
tijd voor uit werken van Dostojevski,
Tolstoj en zelfs Tsjechov; ze ontdekten
Shakespeare, Dickens, Byron, Goethe en
van de Franse schrijvers Émile Zola, Guy
de Maupassant en Anatole France. Alleen
al door het lezen van Dostojevski kregen
ze besef van het verschil tussen arm en
rijk en het onrecht dat daar het gevolg
van was. Unaniem waren ze het er toen al
over eens dat er iets moest veranderen in
de maatschappij.
Aan de Universiteit van Moskou studeerde Osorgin rechten en medicijnen,
hoewel er door de dood van zijn vader
veel minder geld was. Om enigszins in
zijn onderhoud te voorzien kon hij, dank
zij zijn broer Sergej die feuilletonist was
bij Permskië goebernskie vedomosti
(‘Nieuwsberichten van de governementsstad Perm’), voor deze krant stukjes
schrijven: Moskovskië pisma (‘Brieven
uit Moskou’). Met zijn eveneens arme
medestudenten leefde hij op brood en
thee, al uit hij zich daarover in zijn herinneringen nogal laconiek: ‘…het was ook
poëzie en wij konden in tegenstelling tot
velen nog altijd terecht bij kennissen en
familie’, zoals in zijn geval bij zijn zus
Olga die met haar man in Moskou woonde. Later schreef hij in Parijs over haar de
roman Povest o sestre (Mijn zuster).
Osorgin rondde zijn studie af in 1902
en vestigde zich in Moskou als advocaat. Algauw bleek dat het hem niet ontbrak aan humor. Als beginnend advocaat
kreeg hij de lachers op de hand toen hij
verklaarde dat de ziel van een recalcitrante student zo ‘heet’ was geworden
als gevolg van ‘een hoge missie’. De student kreeg 1 roebel boete. Ook liet hij de
advocatenkosten vaak in natura betalen;
zo was er een dief die hem betaalde met
zilveren lepeltjes (sic!). Het getuigt van
voortvarendheid dat hij naast de advocatuur een kleine uitgeverij, ‘Zjizn i Pravda’ (Leven en Waarheid). oprichtte, met
waarschijnlijk als achterliggende gedachte dat dit voor hem als aankomend journalist en schrijver wel handig zou kunnen
zijn

Als student had Osorgin in Perm al
kennisgemaakt met stadsgenoot Aleksandr Malikov, een belangrijk lid van
de SRP (Sociaal-Revolutionaire Partij).
Osorgin werd ook lid van de partij en
trouwde in 1903 met Malikovs dochter
Jekaterina.
De sociaal-revolutionairen waren tegen elke vorm van gezag en streefden
naar verbetering van het lot van arme uitgebuite Russische boeren en later ook van
arbeiders, omdat veel boeren uit armoede
arbeider werden. Oorspronkelijk was de
partij tegen revolutionair geweld, later
riepen de maximalisten binnen die partij
wel op tot gewapende strijd. In Osorgins
romans Svidetel istorii (De terroristen) en
Kniga o kontsach (Doodendans) is te lezen hoe meerdere ‘esery’ (eenheden radicale sociaal-revolutionairen) ontstonden
en hoe zich de strijd ontwikkelde, waarbij het accent toch ligt op de tragiek die
terreur met zich meebrengt. Revolutionairen werden van staatswege ‘illegalen’
genoemd en daar werd door de Ochrana
(de tsaristische politie) jacht op gemaakt.
De Ochrana bezat een uitgebreid netwerk
van verklikkers en spionnen uit alle gelederen van de maatschappij, zelfs uit sociaal-revolutionairen, waar Osorgin later
zelf ook achter zou komen. Elk initiatief
van de sociaal-revolutionairen kon daardoor al bij voorbaat worden onderdrukt.
Frappant is dat het hoofdpersonage Hert
uit De terroristen wordt gearresteerd en
hetzelfde lot ondergaat als de werkelijk bestaand hebbende Russische maximalist
Michail Ivanovitsj Sokolov (1880-1906).
Van meet af aan waren Osorgin en
zijn vrouw zeer betrokken bij de partij.
Tot eind 1905 stelden ze hun huis en
datsja open voor ‘onderduikers’, geheime
comité-vergaderingen en voor de opslag
van propagandadrukwerk, wapens en
munitie.
Totdat in december 1905 de Moskouse gewapende opstand uitbrak,
waarbij meer dan duizend doden vielen
en Osorgin er ten onrechte van werd beschuldigd daarvan de aanstichter te zijn
geweest. Hij werd gearresteerd en hem
hing doodstraf of verbanning boven het
hoofd. Het verblijf in een kelder van de
Taganka-gevangenis zou hij lezend in
een boek van Mark Twain en vaak hardop lachend (om niet te huilen..?) hebben
doorgebracht. Na vijf maanden eenzame
opsluiting werd de aanklacht ingetrokken, ze zou op een vergissing hebben
berust en Osorgin werd op borgtocht vrijgelaten, al bleef hij verdachte. Ondanks
het isolement was de behandeling in de
Taganka niet wreed, de bewakers hadden het goedmoedig over het leven van
alledag en beweerden herhaaldelijk te
hopen op zijn vrijlating. Over de Taganka schrijft Osorgin in milde bewoordingen in Roesskoje bogatstvo (‘Russische
rijkdom’): ‘Kartinok tjoeremnoj zjizni’
(‘Schets van het gevangenisleven’). Ook
Maksim Gorki beschrijft in de roman De
moeder een dergelijke gemoedelijkheid
als de bewakers de moeder troosten en
haar verzekeren dat haar zoon het goed
maakt en snel vrij zal komen.
Daar Osorgin samen met partijgenoot
Boetkevitsj wel degelijk bezig was geweest met de voorbereidingen van de opstand, het onderzoek nog niet was afgerond en hem toch in ieder geval vijf jaar
verbanning boven het hoofd hing, namen
Osorgin en zijn vrouw in de zomer van
1906 via Finland, Denemarken, Duitsland en Zwitserland de wijk naar Italië.
De opluchting moet groot geweest,
ze konden in het plaatsje Sori (vlak bij
Genua) hun intrek nemen in Villa Maria, een leegstaand huis met tien kamers dat
ze met zeven andere ballingen heel goedkoop konden huren. Veel geld hadden ze
niet, ze leefden op macaroni en fruit uit
de gigantische tuin. Met hun lotgenoten
voerden ze eindeloze gesprekken over
de toekomst van hun geliefde Rusland.
Osorgin leerde in korte tijd Italiaans,
cruciaal voor zijn werk als advocaat,
en kon in 1908 buitenlands correspondent worden voor de invloedrijke krant
Roesskië vedomosti (‘Russische nieuwsberichten’), waardoor hij naar Rome
moest verhuizen. Zijn actieve inzet voor
de Sociaal-Revolutionaire Partij nam af.
Bij Jekaterina was dat niet het geval, ze
bleef achter in Sori, werd ziek, het huwelijk ging op de klippen en ze keerde terug
naar Rusland. Zij en Osorgin bleven wel
tot het einde van haar leven (1933) met
elkaar corresponderen.
In Rome verdiende Osorgin behalve
met zijn correspondentschap ook veel
geld als ‘Sinjor Mikele Avvokato’, meer
dan voldoende voor zijn levensonderhoud, en bood ook waar nodig financiële hulp aan Russische emigranten. Volkomen onbaatzuchtig organiseerde hij
voor hen cultuurreisjes door heel Italië,
waarbij hij er zelf vaak geld op toelegde. In Rome maakte hij kennis met de
Russische schrijver Boris Zajtsev (1881-
1972), die in zijn ‘Portreti’ spreekt over
‘onze Russische types met grote hoeden
en baarden zoals de “carbonari” en tussen hen in Sinjor Mikele, ook met een artistieke hoed en een zwierige sjaal…, de
poëzie en de eenvoud van dat leven kan
ik niet vergeten.’ Tam, gde bil stsjastliv
(‘Daar waar ik gelukkig was’) wordt de
titel van het boek dat Osorgin zelf over
Italië schreef.
Op de juridische faculteit van de
Universiteit van Rome ontmoette hij de
nog maar net uit Rusland gearriveerde
Russische studente Rachil Grigorjevna
Ginzboerg (1892-1957), dochter van een
zionist. Opmerkelijk genoeg ging hij, die
zich tot dan toe een ‘blije atheïst’ noemde, over tot het jodendom om in 1910 met
haar te kunnen trouwen. Ze betrokken
onder andere een appartement tegenover
het Colosseum.
De moord in Sarajevo op Frans Ferdinand van Oostenrijk door de Servische
Gavrilo Princip was aanleiding tot de
Eerste Wereldoorlog, waartoe Rusland
als bondgenoot van Servië het initiatief had genomen. Gaandeweg voelden
de meeste geëmigreerde Russen zich in
Italië niet meer zo welkom, en ook Osorgin, die net als de meeste ballingen altijd
heimwee had naar zijn vaderland, wilde
terug. Maar omdat hij nog steeds verdachte was, stuurde hij zijn vrouw vooruit om zijn terugkeer te regelen, wat niet
lukte. Van de consul kreeg hij te horen dat
hij na terugkeer onverwijld voor vijf jaar
naar Siberië moest. Via Roesskië vedomosti bood Vasili Maklakov, advocaat, lid
van het Centraal Comité, gedeputeerde
van de Staatsdoema en vrijmetselaar, uitkomst. Ongehinderd kon Osorgin in het
voorjaar van 1916 naar Rusland gaan.
Perm bleek onherkenbaar veranderd,
zijn geboortehuis is er niet meer, bekenden zijn dood of vertrokken, de meeste
mensen hebben weinig ontwikkeling, ze
ogen triest, zijn slecht gekleed en lopen
veelal nog rond op bastschoenen.
Voor Roesskië vedomosti werd Osorgin als verslaggever uitgezonden naar
het Oostfront, maar hij bleek geen goede
oorlogscorrespondent te zijn: ‘Een dode
vijand is niet alleen een dode vijand maar
ook een dood mens.’ Zijn herinneringen
aan de oorlogstaferelen verwerkte hij
later in zijn roman Sivtsev Vrazjek (‘De
stille straat’).
Kort voor de Oktoberrevolutie van
1917 keerde Osorgin terug naar Moskou,
waar hij naast zijn werk voor Roesskië
vedomosti de redactie voerde over een
serie brochures in Svobodny narod (‘Het
vrije volk’). Tegelijkertijd deed hij ’s
nachts onderzoek naar het doen en laten
van de Ochrana in het voormalige half
afgebrande hoofdkwartier van de tsaristische politie en ontdekte tot zijn verbijstering dat 50 tot 70 procent van de ‘geheime medewerkers’ sociaal-revolutionairen waren, partijgenoten dus. De walging
over de inhoud van de documenten greep
hem letterlijk naar de keel, juist toen hij
door de overheid gesommeerd wordt om
met het onderzoek te stoppen. Toch wist
hij nog vele – ook half verbrande – mappen veilig naar het historisch museum te
brengen.
De communistische revolutie deed
in een klap alles veranderen. Als geen
ander wist Osorgin dat sociale verandering nodig was, en hij was aanvankelijk
blij met de omwenteling, maar onder
voorbehoud dat die niet gepaard mocht
gaan met geweld en bloedvergieten. In
opdracht van Lenin werd in december
1917 de Tsjeka opgericht, een politiedienst die zich moest bezighouden met
het bestrijden van ‘contrarevolutionaire
elementen’. Mensen konden op straat
‘stante pede’ worden doodgeschoten. In
Moskou werd het Loebjanka-gebouw
door de Tsjeka in gebruik genomen, de
kelders van het gebouw werden ingericht als gevangenis. Toen er veel naar
buiten kwam over de gruwelijkheden die
door toedoen van de Tsjeka plaatsvonden, leverde Osorgin daarover kritiek in
talrijke artikelen. In ‘Drat’sja tak dratsja
(‘Knokken maar – knokken’) riep hij
op tot protest tegen het bolsjewistische
regime. Zijn kritiek op het regime uitte
hij ook in een rubriek met een serie dialogen die hij voerde met de volksvrouw
en huishoudster Annoesjka: ‘Soemboer!’
(‘Rotzooi!’) roept Annoesjka, ‘Weg met
de bolsjewieken als die partij mij zes uur
in de rij laat staan voor een brood’, terwijl ze een asbak omkeert en de peuken
onder de divan veegt.
De censuur op publicaties tegen het
bewind werd steeds feller. De Russische
Burgeroorlog brak uit. In deze risicovolle tijd dacht Osorgin met nostalgie terug
aan zijn kindertijd, de Italiaanse jaren, de
rust van de monnik in een Napolitaans
klooster die na elk kwartier in zijn cel
een rondje maakte en altijd dezelfde zin
uitsprak: ‘Beware, er is weer een kwartier van uw leven voorbij.’ Als vlucht uit
de werkelijkheid fantaseerde hij Iz malenkogo domika (‘Uit een klein huisje’),
de beschrijving van een knus ingericht
huisje vol rust en warmte, met een zorgzame fee. Deur op de knip en de wereld
afsnijden. ‘Maar, zegt hij, ‘ik kom terug,
ik moet toch cultuur uitdragen en aangeven hoe het verder moet met Rusland.’
Indrukwekkend genoeg vond hij nog
tijd om mee te werken aan de oprichting
van een schrijversbond en een vereniging voor journalisten. Maar in het journalistencafé ontmoette hij de schrijver
Konstantin Paustovski, die in zijn memoires een somber beeld van Osorgin
geeft:
Tegelijk met het verbod op de vrije pers
werden kranten en tijdschriften een voor
een opgeheven, winkels hielden op te
bestaan. Wegens geldgebrek kwam er
in 1918 ook een einde aan het journalistencafé. Verbitterd over het opheffen
van Roesskië vedomosti, maar toch met
de drang om niet bij de pakken neer te
zitten, gingen Osorgin en zijn vrienden
op zoek naar een bron van inkomsten.
Onder leiding van de filosoof Berdjajev en met medewerking van onder anderen
Boris Zajtsev en Aleksej Remizov opende hij een boekwinkel, die tot 1922 heeft
bestaan en een uitwijkplaats werd voor
intellectuelen. Afgezien van de inkoop,
verkoop en uitleen van boeken wisten
Osorgin en zijn vrienden ook manuscripten veilig te stellen, kleine brochures
te drukken en leerboekjes voor scholen
uit te geven. Door het toenemend gebrek
aan voedsel werd er vaak in natura betaald; voor de hongerige bezoekers werden er ook maaltijden gekookt.
Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog en de Russische Burgeroorlog was
er economische chaos en gebrek aan alles ontstaan, wat uitliep op de hongersnood van 1921. Osorgin sloot zich aan
bij de door Maksim Gorki opgerichte
Pomgol (Pomosjtsj golodajoesjtsjim =
hulp aan hongerenden) dat samenwerkte met Nansens Internationaal Comité
voor Hulp aan Rusland (ICRR). Met allerlei liefdadigheidsactiviteiten haalde
Pomgol zoveel geld op dat er al snel een
trein vol aardappelen, rijst en groente
vertrok naar Povolzje (Siberië) waar de
hongersnood vijf miljoen levens heeft
gekost. Zelfs die activiteiten vielen bij
de overheid niet in goede aarde en de
hele groep werd gearresteerd en in de
Loebjanka gevangengezet. Weer hing
Osorgin de doodstraf boven het hoofd.
In zijn herinneringen schrijft hij daarover: ‘Het was een Cursus Drie maanden
rotten in een beschimmelde cel’. Aan de
ontberingen hield hij lichamelijke klachten over. Desondanks schreef hij erover
dat ontberingen de waardigheid van de
persoonlijkheid verhogen, de schadelijke illusie over de samenloop van recht
en vrijheid tenietdoen en een gezond en
blijmoedig scepticisme verstevigen want
anders zou verder leven als optimist onmogelijk zijn.
Door bemiddeling van Nansen kon
Osorgin de Loebjanka-gevangenis na
drie maanden verlaten, maar hij werd
vrijwel direct daarna op de trein naar
Krasnokoksjajsk in Siberië gezet. Onderweg kreeg hij echter zoveel fysieke
ellende te verduren dat hem halverwege
de rit werd toegestaan om in Kazan te
blijven.
In de lente van 1922 keerde Osorgin
nog even naar Moskou terug, maar vanuit de overheid waren er al voorbereidingen gaande tot de uitzetting van ‘lastige
intellectuelen’. In de herfst van hetzelfde jaar werden vijftig intellectuelen met
hun gezinnen, onder wie Osorgin en zijn
vrouw, via een van de zogenaamde
filosofen-schepen het land uitgezet. ‘We deden het omdat
er geen reden was om ze
dood te schieten, maar
ze handhaven was
onmogelijk,’ zou
Trotski naderhand
verklaren. Het ingehuurde Duitse
schip Oberboergomistr Halen
bracht hen van
Petrograd via
Stettin (Polen)
naar Berlijn.
Osorgins emigrantenbestaan is
dan definitief begonnen, met als bestemming Parijs. Hij
wijdde zich nog korte
tijd aan politiekgetinte
artikelen over de emigratie
maar begon in toenemende mate
verhalen te schrijven. Hij publiceerde
vanaf 1923 elke week een verhaal in
Poslednië novosti (‘Het laatste nieuws’)
en vestigde zijn roem als romancier met
de volgende werken: Sivtsev Vrazjek
(1928), Povest o sestre (1931), Svidetel
istorii (1932), Kniga o kontsach (1935)
en Volny kamensjtsjik (1936). In 1926
verbleef hij een halfjaar in Italië bij zijn
eveneens geëmigreerde vrienden, de Bakoenins. Omdat Aleksej Iljitsj Bakoenin
(een in Rusland gerenommeerd arts en
achterneef van Michail Bakoenin) in Italië geen emplooi kon vinden en Mussolini er inmiddels aan de macht was, verhuisde de familie Bakoenin in 1926 naar
Parijs. Osorgins tweede huwelijk is dan
al een tijd voorbij en Osorgin trouwde
in hetzelfde jaar met de dochter Tatjana
Aleksejevna Bakoenina (1904-1995).
Wat opvalt bij het lezen van Osorgins
Vospominanija (‘Herinneringen’), is dat
hij nergens rept over de vrouwen in zijn
leven. Dat doet zijn biografe wel. Zij
legt uit hoe toegewijd zijn tweede vrouw
Rachil hem bij elke ‘beproeving’ begeleidde. Toen hij in 1914 vanwege
de Eerste Wereldoorlog Italië
wilde verlaten, stuurde hij
haar vooruit naar Rusland om te proberen
zijn terugkeer veilig te stellen. En
ze ging mee naar
Siberië in die luizige trein met kapotte ramen waarin Osorgin lag
te rillen van de
koorts en de pijn
in zijn rug, mee
met de ‘filosofenboot’, mee naar
Berlijn en Parijs.
Wie wel over haar
schrijft is Zajtsev.
Hij beschrijft in zijn
Memoearnye povesti
(‘Memoireachtige verhalen’) hoe ze ook hem in de
Loebjanka eten bracht en daardoor zijn leven heeft gered, temeer
omdat Zajtsev niemand in de nabijheid
had die dat voor hem kon doen; hij is er
haar zijn leven lang dankbaar voor gebleven. Rachil Ginzboerg verhuisde in
1938 naar Palestina en startte daar een
juridisch kantoor.
Onder auspiciën van de vrijmetselaarsorde Noordster was Osorgin als
lid vanaf 1925 actief voor verschillende
vrijmetselaarsloges in Parijs. Speciaal
voor Russische emigranten richtte hij in
1934 de Noorder Broederschap op, trad
veelvuldig op als redenaar en zorgde elk
voorjaar voor uitgeschreven teksten en
rituelen.
Huizen bleven Osorgin intrigeren, zo
ook in Sivtsev Vrazjek, volgens velen zijn
beste roman. Al in 1929 verscheen er een
tweede druk. In 1930 werd het boek in
Amerika vertaald en kreeg het van The
American Club de Book of the Month
Award. De roman biedt als decor het
sfeervol ingerichte huisje van het rustig
levende gezinnetje van een hoogleraar
in de ornithologie dat zich niet echt bezighoudt met de veranderingen die na de
revoluties hebben plaatsgevonden, maar
daar toch mee wordt geconfronteerd door
bezoekers die er op zondagavond komen
luisteren naar het pianospel van de professor. Sivtsev Vrazjek is een nog altijd
bestaand straatje vlakbij bij de Arbat.
De Award maakt van Osorgin een
man in goeden doen. Hij kocht een stukje
grond in Saint-Geneviève-des-Bois, zo’n
20 km. buiten Parijs, en bouwde er eigenhandig een klein huisje, de waargemaakte
droom van zijn leven. Maar toen in 1940
de Tweede Wereldoorlog uitbrak moesten
hij en zijn vrouw noodgedwongen verhuizen naar Chabris, 200 km. van Parijs.
In 1942 stierf Osorgin aan een hartaanval. Zijn vrouw Tatjana heeft hem meer dan 50 jaar overleefd. Zij wijdde
haar verdere leven aan Osorgins nalatenschap. Na de oorlog wist ze nieuwe boekencollecties aan te leggen voor de door
de nazi’s leeggeroofde Toergenjev-Bibliotheek, die zij gedurende veertig jaar
heeft bestierd.
Een Gedenknaaldje aan de oever van
de Neva herinnert aan de ‘Gedwongen
Emigratie van de Andersdenkende Intelligentsia’ op 26 november 1922.
Door de Russische autoriteiten is Michail Andrejevitsj Osorgin op 26 maart
1993 posthuum gerehabiliteerd.
Van Osorgin zijn in het Nederlands verschenen (in de vertaling van Boris Raptschinsky):
Sivcev Vražek 1929, De stille straat,
1932
Povest’ o sestre 1931, Mijn zuster, 1932
Svidetel’ istorii 1932, De terroristen,
1934
Kniga o konсach 1935, Doodendans,
1935
Vol’nyj kamenščik 1936 De roman van
een vrijmetselaar, 1936