Jana van Eeten-Koopmans



Michail Osorgin (1878-1942), het veelbewogen leven van een bevlogen Russische schrijver




Dat vooraanstaande en alom gewaardeerde Russen als Soevorov, Koetoezov, Karamzin, Alexander I, Gribojedov en Poesjkin vrijmetselaar waren, laat onverlet dat in Osorgins tijd daarover bij vele Russen onbegrip, vooroordelen en verwarring heersten. Volgens Osorgins biografe Ljoedmila Polikovskaja was Osorgin de belangrijkste Russische vrijmetselaar van de vorige eeuw. Tijdens zijn verblijf in Italië werd hij in 1914 lid van de Grote Vrijmetselaarsorde Venti Settembre. Later richtte hij in Parijs verschillende loges op, waaronder een speciaal voor Russische emigranten. Met zijn eenvoudige uitleg over vrijmetselarij wist hij bij veel Russen meer begrip te kweken. Het streven van vrijmetselaars is het in broederschap bouwen aan de Tempel van Deugd en Wijsheid voor een betere wereld, essentieel daarbij is de gewetensvolle zoektocht van de geest naar de waarheid, in het besef dat die niet te vinden is. ‘Voor het aardse leven is er de bewegende, levende kracht van de zon: we zijn allemaal kinderen van die ene moeder aarde en die ene vader zon,’ legt Osorgin uit. Vooralsnog zou het einde een ‘geheimzinnig en gezichtsloos spel zijn van kosmische en biologische krachten’.

In Volny kamensjtsjik (De roman van een vrijmetselaar) beschrijft Osorgin met humor en empathie de zielservaringen van de geëmigreerde Russische postbode Jegor Jegorovitsj Tetjochin die in Parijs met vrouw en kind een vrij kleurloos bestaan leidt, totdat hij wordt uitgenodigd om kennis te maken met de vrijmetselarij en een nieuwe wereld ontdekt. De schrijver Osorgin werd geboren in Perm als Michail Andrejevitsj Iljin. Het pseudoniem Osorgin, ontleend aan de achternaam van zijn oma aan vaderskant, koos hij in Italië. Hij was de jongste van vijf kinderen, zijn vader was jurist en zijn met vele talenten begaafde moeder had in Warschau een school voor adellijke meisjes doorlopen. Uit zijn biografie blijkt dat het een harmonisch gezin was, onvertogen woorden of ruzie waren niet aan de orde. Michail groeide op in een houten huis te midden van de idyllische drie-eenheid van bergen, water en bos. Zijn vader bracht hem bewondering bij voor de natuur, van ‘een teer stengeltje tot een robuuste boomstam’ en leerde hem tijdens het plukken van bessen, paddenstoelen enzovoort er voorzichtig mee om te gaan.

Als heel kleine jongen wist Michail een vosje uit een strik te bevrijden. Schrijven over de natuur in een fijnzinnige Toergenjev-achtige stijl zal, net als het motief van een sfeervol huis, altijd weer terugkomen in zijn oeuvre.

Door de doctrinaire strengheid en de vrijheidsbeperking op het gymnasium in Perm kreeg hij een aversie tegen religie, en had al vroeg door dat vrijheid het hoogste goed is. Het gezin ging wel naar de kerk, maar daarop werd geen dwang uitgeoefend. En Michail, die van vrouwen hield en driemaal getrouwd is geweest, ging daar vooral heen om naar meisjes te kijken. Tussendoor observeerde hij de priesters en zag hoe een van hen tijdens de dienst met zijn likkepot een laatste restje wijn uit de kelk verschalkte, en een andere een snuifje tabak uit een vieze zakdoek plukte. Zulke waarnemingen zullen niet bevorderlijk zijn geweest voor de behoefte deel uit te maken van de Russische kerk, als gevolg waarvan Osorgin zich later een ‘blije atheïst’ zal noemen.

Het literatuuronderwijs op het gymnasium hield op bij Gogol, al het andere zou ‘onbekend of schadelijk’ zijn. Maar tegendraads als Osorgin en zijn vrienden waren, lazen ze elkaar in hun vrije tijd voor uit werken van Dostojevski, Tolstoj en zelfs Tsjechov; ze ontdekten Shakespeare, Dickens, Byron, Goethe en van de Franse schrijvers Émile Zola, Guy de Maupassant en Anatole France. Alleen al door het lezen van Dostojevski kregen ze besef van het verschil tussen arm en rijk en het onrecht dat daar het gevolg van was. Unaniem waren ze het er toen al over eens dat er iets moest veranderen in de maatschappij.

Aan de Universiteit van Moskou studeerde Osorgin rechten en medicijnen, hoewel er door de dood van zijn vader veel minder geld was. Om enigszins in zijn onderhoud te voorzien kon hij, dank zij zijn broer Sergej die feuilletonist was bij Permskië goebernskie vedomosti (‘Nieuwsberichten van de governementsstad Perm’), voor deze krant stukjes schrijven: Moskovskië pisma (‘Brieven uit Moskou’). Met zijn eveneens arme medestudenten leefde hij op brood en thee, al uit hij zich daarover in zijn herinneringen nogal laconiek: ‘…het was ook poëzie en wij konden in tegenstelling tot velen nog altijd terecht bij kennissen en familie’, zoals in zijn geval bij zijn zus Olga die met haar man in Moskou woonde. Later schreef hij in Parijs over haar de roman Povest o sestre (Mijn zuster).

Osorgin rondde zijn studie af in 1902 en vestigde zich in Moskou als advocaat. Algauw bleek dat het hem niet ontbrak aan humor. Als beginnend advocaat kreeg hij de lachers op de hand toen hij verklaarde dat de ziel van een recalcitrante student zo ‘heet’ was geworden als gevolg van ‘een hoge missie’. De student kreeg 1 roebel boete. Ook liet hij de advocatenkosten vaak in natura betalen; zo was er een dief die hem betaalde met zilveren lepeltjes (sic!). Het getuigt van voortvarendheid dat hij naast de advocatuur een kleine uitgeverij, ‘Zjizn i Pravda’ (Leven en Waarheid). oprichtte, met waarschijnlijk als achterliggende gedachte dat dit voor hem als aankomend journalist en schrijver wel handig zou kunnen zijn



Michail Osorgin

Als student had Osorgin in Perm al kennisgemaakt met stadsgenoot Aleksandr Malikov, een belangrijk lid van de SRP (Sociaal-Revolutionaire Partij). Osorgin werd ook lid van de partij en trouwde in 1903 met Malikovs dochter Jekaterina.

De sociaal-revolutionairen waren tegen elke vorm van gezag en streefden naar verbetering van het lot van arme uitgebuite Russische boeren en later ook van arbeiders, omdat veel boeren uit armoede arbeider werden. Oorspronkelijk was de partij tegen revolutionair geweld, later riepen de maximalisten binnen die partij wel op tot gewapende strijd. In Osorgins romans Svidetel istorii (De terroristen) en Kniga o kontsach (Doodendans) is te lezen hoe meerdere ‘esery’ (eenheden radicale sociaal-revolutionairen) ontstonden en hoe zich de strijd ontwikkelde, waarbij het accent toch ligt op de tragiek die terreur met zich meebrengt. Revolutionairen werden van staatswege ‘illegalen’ genoemd en daar werd door de Ochrana (de tsaristische politie) jacht op gemaakt.

De Ochrana bezat een uitgebreid netwerk van verklikkers en spionnen uit alle gelederen van de maatschappij, zelfs uit sociaal-revolutionairen, waar Osorgin later zelf ook achter zou komen. Elk initiatief van de sociaal-revolutionairen kon daardoor al bij voorbaat worden onderdrukt. Frappant is dat het hoofdpersonage Hert uit De terroristen wordt gearresteerd en hetzelfde lot ondergaat als de werkelijk bestaand hebbende Russische maximalist Michail Ivanovitsj Sokolov (1880-1906).

Van meet af aan waren Osorgin en zijn vrouw zeer betrokken bij de partij. Tot eind 1905 stelden ze hun huis en datsja open voor ‘onderduikers’, geheime comité-vergaderingen en voor de opslag van propagandadrukwerk, wapens en munitie.

Totdat in december 1905 de Moskouse gewapende opstand uitbrak, waarbij meer dan duizend doden vielen en Osorgin er ten onrechte van werd beschuldigd daarvan de aanstichter te zijn geweest. Hij werd gearresteerd en hem hing doodstraf of verbanning boven het hoofd. Het verblijf in een kelder van de Taganka-gevangenis zou hij lezend in een boek van Mark Twain en vaak hardop lachend (om niet te huilen..?) hebben doorgebracht. Na vijf maanden eenzame opsluiting werd de aanklacht ingetrokken, ze zou op een vergissing hebben berust en Osorgin werd op borgtocht vrijgelaten, al bleef hij verdachte. Ondanks het isolement was de behandeling in de Taganka niet wreed, de bewakers hadden het goedmoedig over het leven van alledag en beweerden herhaaldelijk te hopen op zijn vrijlating. Over de Taganka schrijft Osorgin in milde bewoordingen in Roesskoje bogatstvo (‘Russische rijkdom’): ‘Kartinok tjoeremnoj zjizni’ (‘Schets van het gevangenisleven’). Ook Maksim Gorki beschrijft in de roman De moeder een dergelijke gemoedelijkheid als de bewakers de moeder troosten en haar verzekeren dat haar zoon het goed maakt en snel vrij zal komen.

Daar Osorgin samen met partijgenoot Boetkevitsj wel degelijk bezig was geweest met de voorbereidingen van de opstand, het onderzoek nog niet was afgerond en hem toch in ieder geval vijf jaar verbanning boven het hoofd hing, namen Osorgin en zijn vrouw in de zomer van 1906 via Finland, Denemarken, Duitsland en Zwitserland de wijk naar Italië. De opluchting moet groot geweest, ze konden in het plaatsje Sori (vlak bij Genua) hun intrek nemen in Villa Maria, een leegstaand huis met tien kamers dat ze met zeven andere ballingen heel goedkoop konden huren. Veel geld hadden ze niet, ze leefden op macaroni en fruit uit de gigantische tuin. Met hun lotgenoten voerden ze eindeloze gesprekken over de toekomst van hun geliefde Rusland.

Osorgin leerde in korte tijd Italiaans, cruciaal voor zijn werk als advocaat, en kon in 1908 buitenlands correspondent worden voor de invloedrijke krant Roesskië vedomosti (‘Russische nieuwsberichten’), waardoor hij naar Rome moest verhuizen. Zijn actieve inzet voor de Sociaal-Revolutionaire Partij nam af.

Bij Jekaterina was dat niet het geval, ze bleef achter in Sori, werd ziek, het huwelijk ging op de klippen en ze keerde terug naar Rusland. Zij en Osorgin bleven wel tot het einde van haar leven (1933) met elkaar corresponderen.

In Rome verdiende Osorgin behalve met zijn correspondentschap ook veel geld als ‘Sinjor Mikele Avvokato’, meer dan voldoende voor zijn levensonderhoud, en bood ook waar nodig financiële hulp aan Russische emigranten. Volkomen onbaatzuchtig organiseerde hij voor hen cultuurreisjes door heel Italië, waarbij hij er zelf vaak geld op toelegde. In Rome maakte hij kennis met de Russische schrijver Boris Zajtsev (1881- 1972), die in zijn ‘Portreti’ spreekt over ‘onze Russische types met grote hoeden en baarden zoals de “carbonari” en tussen hen in Sinjor Mikele, ook met een artistieke hoed en een zwierige sjaal…, de poëzie en de eenvoud van dat leven kan ik niet vergeten.’ Tam, gde bil stsjastliv (‘Daar waar ik gelukkig was’) wordt de titel van het boek dat Osorgin zelf over Italië schreef.

Op de juridische faculteit van de Universiteit van Rome ontmoette hij de nog maar net uit Rusland gearriveerde Russische studente Rachil Grigorjevna Ginzboerg (1892-1957), dochter van een zionist. Opmerkelijk genoeg ging hij, die zich tot dan toe een ‘blije atheïst’ noemde, over tot het jodendom om in 1910 met haar te kunnen trouwen. Ze betrokken onder andere een appartement tegenover het Colosseum.

De moord in Sarajevo op Frans Ferdinand van Oostenrijk door de Servische Gavrilo Princip was aanleiding tot de Eerste Wereldoorlog, waartoe Rusland als bondgenoot van Servië het initiatief had genomen. Gaandeweg voelden de meeste geëmigreerde Russen zich in Italië niet meer zo welkom, en ook Osorgin, die net als de meeste ballingen altijd heimwee had naar zijn vaderland, wilde terug. Maar omdat hij nog steeds verdachte was, stuurde hij zijn vrouw vooruit om zijn terugkeer te regelen, wat niet lukte. Van de consul kreeg hij te horen dat hij na terugkeer onverwijld voor vijf jaar naar Siberië moest. Via Roesskië vedomosti bood Vasili Maklakov, advocaat, lid van het Centraal Comité, gedeputeerde van de Staatsdoema en vrijmetselaar, uitkomst. Ongehinderd kon Osorgin in het voorjaar van 1916 naar Rusland gaan.

Perm bleek onherkenbaar veranderd, zijn geboortehuis is er niet meer, bekenden zijn dood of vertrokken, de meeste mensen hebben weinig ontwikkeling, ze ogen triest, zijn slecht gekleed en lopen veelal nog rond op bastschoenen.

Voor Roesskië vedomosti werd Osorgin als verslaggever uitgezonden naar het Oostfront, maar hij bleek geen goede oorlogscorrespondent te zijn: ‘Een dode vijand is niet alleen een dode vijand maar ook een dood mens.’ Zijn herinneringen aan de oorlogstaferelen verwerkte hij later in zijn roman Sivtsev Vrazjek (‘De stille straat’).

Kort voor de Oktoberrevolutie van 1917 keerde Osorgin terug naar Moskou, waar hij naast zijn werk voor Roesskië vedomosti de redactie voerde over een serie brochures in Svobodny narod (‘Het vrije volk’). Tegelijkertijd deed hij ’s nachts onderzoek naar het doen en laten van de Ochrana in het voormalige half afgebrande hoofdkwartier van de tsaristische politie en ontdekte tot zijn verbijstering dat 50 tot 70 procent van de ‘geheime medewerkers’ sociaal-revolutionairen waren, partijgenoten dus. De walging over de inhoud van de documenten greep hem letterlijk naar de keel, juist toen hij door de overheid gesommeerd wordt om met het onderzoek te stoppen. Toch wist hij nog vele – ook half verbrande – mappen veilig naar het historisch museum te brengen.

De communistische revolutie deed in een klap alles veranderen. Als geen ander wist Osorgin dat sociale verandering nodig was, en hij was aanvankelijk blij met de omwenteling, maar onder voorbehoud dat die niet gepaard mocht gaan met geweld en bloedvergieten. In opdracht van Lenin werd in december 1917 de Tsjeka opgericht, een politiedienst die zich moest bezighouden met het bestrijden van ‘contrarevolutionaire elementen’. Mensen konden op straat ‘stante pede’ worden doodgeschoten. In Moskou werd het Loebjanka-gebouw door de Tsjeka in gebruik genomen, de kelders van het gebouw werden ingericht als gevangenis. Toen er veel naar buiten kwam over de gruwelijkheden die door toedoen van de Tsjeka plaatsvonden, leverde Osorgin daarover kritiek in talrijke artikelen. In ‘Drat’sja tak dratsja (‘Knokken maar – knokken’) riep hij op tot protest tegen het bolsjewistische regime. Zijn kritiek op het regime uitte hij ook in een rubriek met een serie dialogen die hij voerde met de volksvrouw en huishoudster Annoesjka: ‘Soemboer!’ (‘Rotzooi!’) roept Annoesjka, ‘Weg met de bolsjewieken als die partij mij zes uur in de rij laat staan voor een brood’, terwijl ze een asbak omkeert en de peuken onder de divan veegt.

De censuur op publicaties tegen het bewind werd steeds feller. De Russische Burgeroorlog brak uit. In deze risicovolle tijd dacht Osorgin met nostalgie terug aan zijn kindertijd, de Italiaanse jaren, de rust van de monnik in een Napolitaans klooster die na elk kwartier in zijn cel een rondje maakte en altijd dezelfde zin uitsprak: ‘Beware, er is weer een kwartier van uw leven voorbij.’ Als vlucht uit de werkelijkheid fantaseerde hij Iz malenkogo domika (‘Uit een klein huisje’), de beschrijving van een knus ingericht huisje vol rust en warmte, met een zorgzame fee. Deur op de knip en de wereld afsnijden. ‘Maar, zegt hij, ‘ik kom terug, ik moet toch cultuur uitdragen en aangeven hoe het verder moet met Rusland.’ Indrukwekkend genoeg vond hij nog tijd om mee te werken aan de oprichting van een schrijversbond en een vereniging voor journalisten. Maar in het journalistencafé ontmoette hij de schrijver Konstantin Paustovski, die in zijn memoires een somber beeld van Osorgin geeft:



Van alle volkssocialisten die op de redactie werken, sloten wij… alleen vriendschap met de schrijver Michail Osorgin. Uit de emigratie teruggekeerd, voelde hij zich wat verloren en raakte moeilijk wijs uit de gebeurtenissen, hetgeen zich weerspiegelde in zijn zielige helle ogen. […] Uit zijn hele gestalte sprak een nauw verholen weemoed die zelfs in zijn moede stem doorklonk. Hij verlangde naar Italië waar hij vele jaren had doorgebracht. In Rusland leefde hij als in een droomwereld. Wij probeerden soms hem ertoe over te halen naar Italië terug te keren… Osorgin placht daarop schuldbewust te antwoorden: ‘Begrijpen jullie toch dat ik Rus ben en zielsveel van Rusland houd. Maar ik ken mijn vaderland op het ogenblik niet terug.’


Tegelijk met het verbod op de vrije pers werden kranten en tijdschriften een voor een opgeheven, winkels hielden op te bestaan. Wegens geldgebrek kwam er in 1918 ook een einde aan het journalistencafé. Verbitterd over het opheffen van Roesskië vedomosti, maar toch met de drang om niet bij de pakken neer te zitten, gingen Osorgin en zijn vrienden op zoek naar een bron van inkomsten. Onder leiding van de filosoof Berdjajev en met medewerking van onder anderen Boris Zajtsev en Aleksej Remizov opende hij een boekwinkel, die tot 1922 heeft bestaan en een uitwijkplaats werd voor intellectuelen. Afgezien van de inkoop, verkoop en uitleen van boeken wisten Osorgin en zijn vrienden ook manuscripten veilig te stellen, kleine brochures te drukken en leerboekjes voor scholen uit te geven. Door het toenemend gebrek aan voedsel werd er vaak in natura betaald; voor de hongerige bezoekers werden er ook maaltijden gekookt.

Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog en de Russische Burgeroorlog was er economische chaos en gebrek aan alles ontstaan, wat uitliep op de hongersnood van 1921. Osorgin sloot zich aan bij de door Maksim Gorki opgerichte Pomgol (Pomosjtsj golodajoesjtsjim = hulp aan hongerenden) dat samenwerkte met Nansens Internationaal Comité voor Hulp aan Rusland (ICRR). Met allerlei liefdadigheidsactiviteiten haalde Pomgol zoveel geld op dat er al snel een trein vol aardappelen, rijst en groente vertrok naar Povolzje (Siberië) waar de hongersnood vijf miljoen levens heeft gekost. Zelfs die activiteiten vielen bij de overheid niet in goede aarde en de hele groep werd gearresteerd en in de Loebjanka gevangengezet. Weer hing Osorgin de doodstraf boven het hoofd.

In zijn herinneringen schrijft hij daarover: ‘Het was een Cursus Drie maanden rotten in een beschimmelde cel’. Aan de ontberingen hield hij lichamelijke klachten over. Desondanks schreef hij erover dat ontberingen de waardigheid van de persoonlijkheid verhogen, de schadelijke illusie over de samenloop van recht en vrijheid tenietdoen en een gezond en blijmoedig scepticisme verstevigen want anders zou verder leven als optimist onmogelijk zijn.

Door bemiddeling van Nansen kon Osorgin de Loebjanka-gevangenis na drie maanden verlaten, maar hij werd vrijwel direct daarna op de trein naar Krasnokoksjajsk in Siberië gezet. Onderweg kreeg hij echter zoveel fysieke ellende te verduren dat hem halverwege de rit werd toegestaan om in Kazan te blijven.

In de lente van 1922 keerde Osorgin nog even naar Moskou terug, maar vanuit de overheid waren er al voorbereidingen gaande tot de uitzetting van ‘lastige intellectuelen’. In de herfst van hetzelfde jaar werden vijftig intellectuelen met hun gezinnen, onder wie Osorgin en zijn vrouw, via een van de zogenaamde filosofen-schepen het land uitgezet. ‘We deden het omdat er geen reden was om ze dood te schieten, maar ze handhaven was onmogelijk,’ zou Trotski naderhand verklaren. Het ingehuurde Duitse schip Oberboergomistr Halen bracht hen van Petrograd via Stettin (Polen) naar Berlijn.

Osorgins emigrantenbestaan is dan definitief begonnen, met als bestemming Parijs. Hij wijdde zich nog korte tijd aan politiekgetinte artikelen over de emigratie maar begon in toenemende mate verhalen te schrijven. Hij publiceerde vanaf 1923 elke week een verhaal in Poslednië novosti (‘Het laatste nieuws’) en vestigde zijn roem als romancier met de volgende werken: Sivtsev Vrazjek (1928), Povest o sestre (1931), Svidetel istorii (1932), Kniga o kontsach (1935) en Volny kamensjtsjik (1936). In 1926 verbleef hij een halfjaar in Italië bij zijn eveneens geëmigreerde vrienden, de Bakoenins. Omdat Aleksej Iljitsj Bakoenin (een in Rusland gerenommeerd arts en achterneef van Michail Bakoenin) in Italië geen emplooi kon vinden en Mussolini er inmiddels aan de macht was, verhuisde de familie Bakoenin in 1926 naar Parijs. Osorgins tweede huwelijk is dan al een tijd voorbij en Osorgin trouwde in hetzelfde jaar met de dochter Tatjana Aleksejevna Bakoenina (1904-1995).

Wat opvalt bij het lezen van Osorgins Vospominanija (‘Herinneringen’), is dat hij nergens rept over de vrouwen in zijn leven. Dat doet zijn biografe wel. Zij legt uit hoe toegewijd zijn tweede vrouw Rachil hem bij elke ‘beproeving’ begeleidde. Toen hij in 1914 vanwege de Eerste Wereldoorlog Italië wilde verlaten, stuurde hij haar vooruit naar Rusland om te proberen zijn terugkeer veilig te stellen. En ze ging mee naar Siberië in die luizige trein met kapotte ramen waarin Osorgin lag te rillen van de koorts en de pijn in zijn rug, mee met de ‘filosofenboot’, mee naar Berlijn en Parijs.

Wie wel over haar schrijft is Zajtsev. Hij beschrijft in zijn Memoearnye povesti (‘Memoireachtige verhalen’) hoe ze ook hem in de Loebjanka eten bracht en daardoor zijn leven heeft gered, temeer omdat Zajtsev niemand in de nabijheid had die dat voor hem kon doen; hij is er haar zijn leven lang dankbaar voor gebleven. Rachil Ginzboerg verhuisde in 1938 naar Palestina en startte daar een juridisch kantoor.

Onder auspiciën van de vrijmetselaarsorde Noordster was Osorgin als lid vanaf 1925 actief voor verschillende vrijmetselaarsloges in Parijs. Speciaal voor Russische emigranten richtte hij in 1934 de Noorder Broederschap op, trad veelvuldig op als redenaar en zorgde elk voorjaar voor uitgeschreven teksten en rituelen.

Huizen bleven Osorgin intrigeren, zo ook in Sivtsev Vrazjek, volgens velen zijn beste roman. Al in 1929 verscheen er een tweede druk. In 1930 werd het boek in Amerika vertaald en kreeg het van The American Club de Book of the Month Award. De roman biedt als decor het sfeervol ingerichte huisje van het rustig levende gezinnetje van een hoogleraar in de ornithologie dat zich niet echt bezighoudt met de veranderingen die na de revoluties hebben plaatsgevonden, maar daar toch mee wordt geconfronteerd door bezoekers die er op zondagavond komen luisteren naar het pianospel van de professor. Sivtsev Vrazjek is een nog altijd bestaand straatje vlakbij bij de Arbat.

De Award maakt van Osorgin een man in goeden doen. Hij kocht een stukje grond in Saint-Geneviève-des-Bois, zo’n 20 km. buiten Parijs, en bouwde er eigenhandig een klein huisje, de waargemaakte droom van zijn leven. Maar toen in 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak moesten hij en zijn vrouw noodgedwongen verhuizen naar Chabris, 200 km. van Parijs.

In 1942 stierf Osorgin aan een hartaanval. Zijn vrouw Tatjana heeft hem meer dan 50 jaar overleefd. Zij wijdde haar verdere leven aan Osorgins nalatenschap. Na de oorlog wist ze nieuwe boekencollecties aan te leggen voor de door de nazi’s leeggeroofde Toergenjev-Bibliotheek, die zij gedurende veertig jaar heeft bestierd.

Een Gedenknaaldje aan de oever van de Neva herinnert aan de ‘Gedwongen Emigratie van de Andersdenkende Intelligentsia’ op 26 november 1922. Door de Russische autoriteiten is Michail Andrejevitsj Osorgin op 26 maart 1993 posthuum gerehabiliteerd.


Van Osorgin zijn in het Nederlands verschenen (in de vertaling van Boris Raptschinsky):

Sivcev Vražek 1929, De stille straat, 1932

Povest’ o sestre 1931, Mijn zuster, 1932

Svidetel’ istorii 1932, De terroristen, 1934

Kniga o konсach 1935, Doodendans, 1935

Vol’nyj kamenščik 1936 De roman van een vrijmetselaar, 1936





<

TSL 96

>