Anna Boenina staat te boek als de ‘eerste
professionele schrijfster in Rusland’. Dat
dit enige kanttekeningen behoeft maak
ik hier gaandeweg duidelijk aan de hand
van achtergrondinformatie over het toenmalige literaire veld. Geld verdienen met
het schrijven en uitgeven van literaire
werken, voorwaarden om een schrijver
professioneel te kunnen noemen, daarvan
was destijds geen sprake. Boenina was als
schrijfster actief in de eerste twee decennia van de negentiende eeuw, vlak voordat
de grote coryfeeën van de Gouden Eeuw
zoals de dichter Poesjkin hun glorieuze
intrede in de literatuur zouden maken en
de boekenmarkt zich in een rap tempo
ontwikkelde.
Rond 1800 werd maar weinig gepubliceerd, dit kwam vooral door de reactionaire houding van Pavel I, de zoon van
Catharina de Grote, die heerste van 1796
tot 1801. Toen hij in 1801 werd vermoord
kwam zijn zoon Aleksander op de troon.
Samen met zijn broer was hij opgevoed
door zijn grootmoeder en dit droeg bij
aan een gunstiger klimaat voor de kunst.
In 1807 waren er tien drukkerijen van de
staat en acht privé-drukkerijen en acht
boekhandels in Sint-Petersburg. Per jaar
werden misschien 300 boeken gedrukt,
waarvan de helft in het Russisch, wat weinig is in vergelijking met Frankrijk waar
dit aantal opliep tot 4500 per jaar. Lezen
werd langzamerhand wel steeds populairder, ook in de provincie, waar handelaren
boeken verkochten. Slechts een klein deel
van de lezers was van adel en had onderwijs genoten, een groter deel bestond
uit de lagere klasse, met name uit klerken, gouvernantes, vertalers, bediendes
in dienst van de adel, vooral degenen die
bij de opvoeding van kinderen betrokken
waren. Deze lezers wilden voornamelijk
vertalingen van westerse literatuur: komedies, sprookjes, en avonturenromans. Pas
in de jaren dertig ontstond er een echte
markt voor Russische literatuur, dus toen
Boenina niet meer echt actief was.
Geletterde vrouwen waren van adel en
lazen voornamelijk voor hun plezier. Van
hogerhand werd vrouwen voorgeschreven
om geschiedenisboeken, religieuze teksten en adviesboeken te lezen, maar liever
lazen zij romans in het originele Frans of
in vertaling.
Mannelijke schrijvers waren eigenlijk
ook geen professionals, Karamzin was een
van de eersten, maar was ook in staatsdienst. Toch beschouwden de mannen de
vrouwelijke schrijvers meer als amateurs
(dilettant) dan zij dat zichzelf deden.
Mannen hadden in de regel zelf geld genoeg en schreven populaire romans en
vertaalden waar vraag naar was. De adel
hield zich bezig met de hogere genres en
met name poëzie. Zij publiceerden soms
in eigen beheer of namen genoegen met
het voorlezen op huiselijke bijeenkomsten, want eigenlijk was er nog geen echte markt voor hun werk. Schrijven werd
beschouwd als tijdverdrijf, hobbyisme,
en was verbonden met de opvoeding net
zoals dansen en schilderen. Kortom, literatuur werd bedreven in het privé-domein
en niet in het openbaar. Veel schrijvers
combineerden een literaire carrière met
een baan in dienst van de staat om zichzelf
te kunnen onderhouden, maar dit was niet
voor vrouwen weggelegd. Het publiceren
van poëzie was toen dus nog helemaal
niet de gewoonte.
Russische vrouwelijke schrijvers
(meestal van adel) waren ook altijd amateurs, gezien hun afhankelijke financiële
positie. In het onderwijs werd vrouwen ingeprent dat zij bescheiden moesten zijn en
geen aandacht op zichzelf mochten richten, aangezien dit hen van hun huishoudelijke taken zou afleiden. Vrouwen waren
of vertalers of ze schreven komedies zoals
ook Catherina de Grote deed. Proza werd
vaak in het Frans geschreven, omdat de
vrouwen van adel beter Frans dan Russisch kenden. De dochter van de dichter
Soemarokov schreef wel gedichten in de
jaren zestig van de achttiende eeuw, maar
dan onder een mannelijk pseudoniem en
publiceerde in het tijdschrift van haar vader. Op de dichteres Jekaterina Oeroesova
na, die de belangrijke auteur Cheraskov
goed kende en zo een ingang had, werd
er door vrouwen vóór Boenina weinig geschreven. Bijna al deze vrouwen hadden
toegang tot het culturele leven doordat ze
de vrouw van óf de dochter óf een familielid van een invloedrijk persoon waren.
In deze tijd werd werk dat was geschreven
door vrouwen beschouwd als charmant en
als een manifestatie van patriottisme. Na
de eeuwwisseling konden vrouwen zich
meer laten gelden op het gebied van cultuur. Dit had te maken met de opkomst
van het sentimentalisme, dat de vrouw
idealiseerde en dan vooral haar vrouwelijke ‘fijngevoeligheid’, ook wel de feminisatie van de Russische cultuur genoemd.
Nikolaj Karamzin was de voorman van dit
sentimentalisme, zijn opponent was admiraal en dichter A. Sjisjkov, die tot de archaïsten behoorde, het Kerkslavisch hoog
in het vaandel had en vond dat fijngevoelige taal niets diepzinnigs kon uitdrukken.
Dit was in het kort de niet erg gunstige situatie waarin Boenina zich als opkomend
schrijfster bevond.

Boenina werd geboren in de provincie
Rjazan in 1774. Haar familie was weliswaar van lage adel, maar redelijk welvarend. Haar moeder overleed in het kraambed en Boenina werd in de loop der jaren
bij verschillende familieleden van moeders kant ondergebracht, omdat dochters
niet bij hun vader mochten blijven. Ze
voelde zich eigenlijk een weeskind. Eenzaamheid is dan ook een thema dat door
haar persoonlijke gedichten loopt, die ze
zoals ze zelf aangaf al vanaf haar dertiende schreef. Waarschijnlijk heeft ze in de
families waar ze was ondergebracht niet
meer dan basaal onderwijs gehad. In latere jaren verbleef ze bij haar oudere broer,
Vasili, die een uitgebreide bibliotheek had,
zijn talen sprak en haar af en toe meenam
naar Moskou. Hierna woonde ze bij haar
zus in. In 1799 publiceerde ze een kort
essay, getiteld Ljoebov (‘Liefde’), waarin
ze zich keerde tegen de opvatting van Karamzin dat de vrouw volgzaam moest zijn
en zich moest schikken naar de man, wil
het huwelijk harmonieus zijn. Ware liefde
moest volgens Boenina gestoeld zijn op
gelijkheid van de kwaliteiten van man en
vrouw en op beider vrije keuze. Het kwam er in het kort op neer dat mannen wat ze van vrouwen eisten ook zichzelf moesten opleggen, pas dan is er sprake van echte gelijkheid. Eigenlijk maakte ze korte metten met de door de sentimentalisten gepropageerde vrouwelijke gevoeligheid, omdat deze de vrouwen ook weer aan banden legde. Het essay werd gepubliceerd onder het pseudoniem a.a.a., waarmee alleen werd aangeduid dat het om een vrouw ging. Dit bespaarde haar familie en misschien ook haarzelf negatieve reacties, die ongetwijfeld bij zo een omstreden onderwerp waren losgekomen.
In 1802 stierf haar vader en kreeg ze een kleine erfenis. Boenina zag haar kans schoon en reisde naar Sint-Petersburg, waar haar jongere broer, Ivan, woonde, zogenaamd om hem te bezoeken. De familie dacht dat ze hier ook naartoe ging om een goede match te maken, maar dat was niet het geval. Zij trouwde nooit en was inmiddels op een leeftijd dat men haar een oude vrijster noemde, ze was achtentwintig.
In Sint-Petersburg huurde ze een appartement en leefde van haar erfenis. Dit was bijzonder want geen enkele vrouw uit die tijd woonde toen alleen, laat staan dat ze financieel onafhankelijk was. Alle vrouwen hadden toestemming van hun vader of hun man nodig om bijvoorbeeld onderwijs te volgen of te gaan schrijven. Boenina’s vader was overleden en het was naar alle waarschijnlijkheid haar eigen keuze om niet te trouwen en haar eigen pad te volgen. Een oude vrijster van lage adel die alleen woonde, arm was en de ambitie had om te studeren, dit alles was toen maatschappelijk gezien eigenlijk onaanvaardbaar. Maar op deze manier kon ze doen wat ze het liefste wilde: schrijven en studeren. Meteen probeerde ze de lacunes in haar kennis op te vullen door meerdere vreemde talen (Frans, Engels en Duits) te leren en haar kennis van de Russische literatuur op te vijzelen. Haar leraar was P.I. Sokolov, lid van de Russische Academie. Deze privé-lessen kostten haar bijna haar hele bescheiden vermogen, waardoor ze gedwongen was op een of andere manier geld te verdienen. Haar broer Ivan, een marineofficier, die bij de culturele elite populair was door zijn komische gedichten, introduceerde haar in literaire kringen. Ook haar connectie met Sokolov bracht haar in aanraking met belangrijke mannen van de Russische Academie, waaronder de eerdergenoemde schrijver A. Sjisjkov, die haar zijn leven lang onder zijn hoede nam. Deze vorm van patronage was toen heel gebruikelijk en Sjisjkov had nog veel meer van dit soort protegees. Steun door middel van patronage kwam vaak in de vorm van een eenmalige gift, een sieraad of een toelage en was een beloning voor gedichten, vaak odes, waarin representanten van de elite, de militaire orde of wetenschappers geprezen werden. Toen Boenina met schrijven begon werd dit steeds minder gebruikelijk en waren het alleen familieleden van de tsaar, die deze giften en toelages uitdeelden.
Boenina schreef ondertussen gedichten, waaronder een ode aan Aleksander I, maar daarnaast verzen met een meer persoonlijke inslag, ze schreef ook proza en ze vertaalde, onder andere L’Art poétique van Boileau. Vanaf 1806 publiceerde ze enkele gedichten in Moskouse tijdschriften, waaronder de Moskovski koerjer (‘De Moskouse koerier’) en de Moskovski zritel (‘De Moskouse toeschouwer’). Beide tijdschriften waren gelieerd aan de sentimentalisten, die, zoals hierboven al gezegd, het vrouwelijke element in de literatuur wilden bevorderen. Belangrijker dan deze publicaties was echter de uitgave van haar vertaling van Charles Batteux’ verhandeling over Les beaux arts réduits à un même principe in 1808; hieraan had ze twee jaar gewerkt. Vertalen was toen voor vrouwen een legitieme manier om een plek in de literatuur te veroveren. Tegelijkertijd was dit werk niet zo maar een vertaling, want hiermee toonde Boenina aan dat ze de actuele literaire theorie beheerste. Er bestonden al meerdere vertalingen van deze verhandeling met voorbeelden van Latijnse gedichten. Haar vertaling was een verkorte versie met voorbeelden uit de Russische dichtkunst. In haar voorwoord tot deze verhandeling, getiteld Pravila poèzii (‘De regels van de dichtkunst), voegde ze uitdrukkelijk toe dat deze vertaling vooral bedoeld was voor vrouwen. Veel vrouwen waren vreemde talen niet machtig en juist voor hen, die zich aan poëzie wilden wagen, vormde deze uitgave een belangrijke basis. Heel uitzonderlijk richtte Boenina zich hiermee op een aparte categorie lezers en stimuleerde zo aankomende vrouwelijke dichters. Helemaal in lijn met de toenmalige sociale orde dat vrouwen alleen kinderen moesten opvoeden en het huishouden moesten regelen, merkte Boenina fijntjes op dat vrouwen misschien in hun schaarse vrije avonduren dit boekje ter hand zouden kunnen nemen. Haar naam als vertaler werd niet vermeld, maar uit het voorwoord werd duidelijk dat het hier een vrouw betrof. Ze stuurde de vertaling naar Maria Fjodorovna, de moeder van Aleksander I, die in feite alle liefdadigheidsinstellingen onder haar hoede had. Deze kende haar een toelage toe en zorgde ervoor dat het boek op haar kosten gedrukt kon worden. De protectie van Boenina’s leermeester P.I. Sokolov heeft hierbij ongetwijfeld een rol gespeeld. Er werden uiteindelijk 225 exemplaren gedrukt ten behoeve van onderwijsinstellingen. De toelage opende de weg om een bundel van haar eigen gedichten te laten uitgeven.
Dat werd Neopytnaja Moeza (‘De onervaren Muze’), dat werd gepubliceerd in 1809 en meteen werd opgemerkt. Het tweede deel, hoewel in het voorwoord niet gerept werd over een eerste deel, volgde in 1812. Op het moment van uitgave van het eerste deel van Neopytnaja Moeza had Boenina al een behoorlijke reputatie opgebouwd, de bescheidenheid die de titel liet zien was alleen maar een constructie om manlijke collega’s niet te provoceren. Het boek was voorzien van een titelblad, waarop een vrouw met een lier is afgebeeld met als onderschrift ‘de Lier (de poëzie) redde mij van de verdrinkingsdood’. Hieruit blijkt al hoe belangrijk dit werk voor Boenina was. Op het titelblad stond weer a.a.a., als aanduiding van de opnieuw bescheiden schrijfster, maar op de tweede bladzijde stond haar naam voluit. In dit deel had ze lyrisch werk verzameld dat al eerder in tijdschriften gepubliceerd was, maar ook (soms door haar vertaalde) gedichten die nog niet gepubliceerd waren. De vertalingen van Boileau en Batteux werden ook opgenomen, waarschijnlijk omdat haar naam niet in de eerdere uitgave genoemd was, maar zeker ook om haar vakmanschap en eruditie te benadrukken. Zoals de titel al aangaf en conform de toenmalige voorschriften, presenteerde Boenina zich als een bescheiden en onervaren dichter, die haar manlijke voorgangers eert door middel van gedichten die aan hen zijn opgedragen. Vooral Derzjavin, maar ook I.I. Dmitriëv en I.A. Krylov kregen deze eer. Deze constructie was toen dé manier voor vrouwen om een voet tussen de deur te krijgen. Het lyrische ‘ik’ is in al deze gedichten vrouwelijk, het maakt niet uit of het fabels, sprookjes of vertalingen betreft.
De dichtbundel werd alom geprezen, vrouwen werd aanbevolen deze meermaals te lezen want het werk ging over vrouwen en was voor vrouwen en door een vrouw geschreven. Naar aanleiding van deze publicatie werd Boenina de Russische Sappho genoemd, een eretitel. In een andere recensie worden haar dichtkunst en haar intellect (!) geprezen en wordt haar aangeraden de weg van haar beroemde voorgangers, zoals Derzjavin, te vervolgen.
Boenina had haar bundel nu opgedragen aan Jelizaveta Andrejevna, de vrouw van Aleksander I. Deze gaf haar een met briljanten versierde lier en een jaarlijkse toelage van vierhonderd roebel. Ook Maria Fjodorovna gaf haar opnieuw een toelage. Boenina’s inmiddels opgebouwde reputatie werd nog versterkt door haar lidmaatschap van Beseda. Sjisjkov organiseerde al langer bijeenkomsten onder de naam ‘beseda’ (gesprek/discussie), maar richtte officieel in 1810 Beseda ljoebitelej roeskogo slova (‘Het genootschap voor liefhebbers van de Russische taal’) op waarbij het doel van de bijeenkomsten was om de vaderlandsliefde door middel van de Russische taal en literatuur te bevorderen. Het aantal leden was gesteld op
maximaal vierentwintig en was eigenlijk
ingericht naar het model van de Russische Academie, waarmee de relatie met
de staat werd onderstreept. De hiërarchie
binnen de organisatie volgde de rangentabel, waarbij de ouderen het voor het zeggen hadden en de jongeren voornamelijk
moesten volgen. De dichters Derzjavin en
Sjisjkov zelf waren de coryfeeën binnen
dit gezelschap. De belangrijkste leden
hadden hun eigen vaste protegés. Beide
voornoemde dichters zorgden ervoor dat
Boenina in 1811 als erelid bij Beseda werd toegelaten. Vrouwen konden geen
lid worden, maar alleen erelid, omdat zij
in tegenstelling tot mannen geen rang
konden hebben. Verder waren zij eigenlijk gelijkwaardig: zij selecteerden zelf
wat zij uit eigen werk wilden voordragen.
Daarbij gold wel dat hun werk vele malen kritischer werden beoordeeld dan dat
van mannen; vaak werd hun werk ook
gecorrigeerd. Sjisjkov zorgde ook voor
een uitgave, Tsjetenia (‘Lezingen’), waarin hij lezingen publiceerde. Zoals gezegd
was Boenina een van zijn vele protegees.
Hij las niet alleen haar werk voor op de
bijeenkomsten van Beseda, maar becommentarieerde het zowel in het openbaar
als in hun persoonlijke correspondentie.
Hij moedigde haar aan om haar eigen gedachten op papier te zetten en als dit niet
lukte er met hem over te spreken. Zelfs
Karamzin die met zijn sentimentalisme en
feminisatie van de taal tot een ander kamp
dan Sjisjkov en eigenlijk ook Boenina
behoorde, oordeelde dat ‘niet één vrouw
zo sterk schreef als Boenina’, terwijl hij
eigenlijk alle vrouwelijke schrijvers als
dilettanten beschouwde.
In 1811 publiceerde Boenina een verhalenbundel Selskië vetsjera (‘Avonden
op het platteland’). De bundel bestond
uit twee verhalen en was opgedragen aan
haar broer Pjotr. Opnieuw spelen vrouwen
de hoofdrol. Hoe deze bundel ontvangen
werd, is onbekend. Verhalen die zich op
het platteland afspeelden en waarin het leven van vrouwen in de provincie centraal
stond werden pas na 1840 erg populair
onder vrouwelijke schrijvers, maar waren
dat tevoren nog niet echt.
Het jaar daarop verscheen het tweede
deel van Neopytnaja Muza. Net als haar
proza-uitgave vond dit deel tot verdriet
van Boenina weinig weerklank. Waarschijnlijk was de dreigende oorlog met
Frankrijk de reden dat men hier nu minder
oog voor had. Maar ook haar gedicht Padenië Faetona (‘De val van Faëton’) dat
hier was opgenomen, was zeker een aanleiding. Dit lange gedicht was al eerder
voorgelezen bij Beseda en critici hadden
het van meerdere correcties voorzien. Velen zagen in Faëton een beeld van Boenina zelf, een vrouw die dezelfde hoogte
nastreefde en een gelijke van de zonnegod
Apollo, lees de manlijke hoogstaande
dichters, wilde zijn. In het gedicht strijden twee gemoedstoestanden met elkaar:
de hybris en de angst, uiteindelijk wint de
ambitie het van de angst en beseft Faëton dat als hij valt dan het liefst van grote
hoogte, en zo geschiedde. Hoewel Boenina normaal gesproken met een vrouwelijk
lyrisch ‘ik’ werkte, was dit juist nu niet
het geval, toch wilden alle mannen haar
onvrouwelijke ambitie hierin herkennen.
Dit had ook te maken met het feit dat ze
haar eigen versie nu publiceerde zoals die
was en de correcties dus niet had overgenomen. Dit kwam haar op bestraffende
woorden van Sjisjkov te staan, hij vond
dat ze niet zo ijdel en arrogant moest zijn,
wilde ze alom respect krijgen.
Dit is eigenlijk al een voorbeeld van
meer eigengereidheid in deze bundel
waar bescheidenheid, ondanks de titel,
veel minder te zien was. Misschien kwam
dit ook voort uit het feit dat zij inmiddels ziek geworden was. Veel bronnen
spreken van borstkanker, maar dit lijkt
volgens de recentste onderzoekers niet
erg waarschijnlijk: dan had ze nog maar
twee jaar geleefd. Waarschijnlijker is dat
ze tuberculose had. Met een zekere dood
voor ogen kon het Boenina misschien ook
allemaal minder schelen om steeds maar
weer te laveren tussen alle door mannen
opgelegde culturele codes en wilde ze ook meer zichzelf laten zien. In deze bundel
toonde ze veel meer haar persoonlijke situatie dan in de eerste en dat was nieuw
voor die tijd. Hierna volgt een voorbeeld,
dat ons in deze tijd meer aanspreekt dan
de gedichten uit de eerste bundel. Omdat
de gedichten nog in het classicisme geworteld zijn en zeer complex zijn en ik
geen poëzie-vertaler ben, zal ik alleen een
korte samenvatting geven.
‘Majskaja progoelka boljasjtsjej’ (‘Een
wandeling van een zieke vrouw in mei’)
is gezet in een viervoetige trochee dat de
gelijkmatige tred van het wandelen weergeeft. (Lermontovs ‘Vychozjoe odin ja
na dorogoe’ (‘Ik ga alleen op weg’) laat
ditzelfde metrum zien.) De wandeling in
de warme lente langs de Neva in Sint-Petersburg vormt de achtergrond van het lyrische ‘ik’. Normaal gesproken werd en
wordt in de poëzie de lente en de natuur
verwelkomd met de belofte van nieuw en
jong leven. Maar hier is in dit gedicht geen
sprake van, nu vormt de lente een grote tegenstelling met de pijn die de zieke ervaart.
Ze is helemaal alleen, vraagt God om haar
te helpen, maar zegt meteen daarna dat
God zich van haar heeft afgekeerd. Ze is
vervreemd van alles en iedereen, ze wil
geen warmte, ze wil ook geen lente, en zeker geen zomer, want in haar borst brandt
de pijn. Ze zoekt schaduw, verkoelende
winden en water en wil het liefst daardoor
verzwolgen worden, want alleen de dood
brengt verlichting. Maar de wind die even
opkomt zet niet echt door, het water blijft
rimpelloos, de wolken laten zich niet zien.
Deze ‘ik’ komt in opstand tegen de ziekte
die haar treft en strijdt tegen de natuurlijke
orde, die totaal onverschillig blijft. De natuur wordt aangeroepen om alle registers
van kou en wind open te trekken, maar
er gebeurt niets, hetzelfde gebeurt met de
stad waar ze loopt. Ze ziet weliswaar de
schoonheid van de stad, maar het kalme
ordelijke Sint-Petersburg trekt zich, net
als de natuur, niets aan van haar heftige
uitroepen en laat haar ook alleen, net als
de maan die ‘met gewichtigheid’ zijn baan
om de aarde trekt. Ditzelfde beeld van een
onverschillig Petersburg ten aanzien van
het lyrische ‘ik’, zien we veel later ook terug in de Stichi o Peterboerge (‘Gedichten
over Petersburg’) van Anna Achmatova.
Inmiddels was er oorlog uitgebroken,
landgoederen van Boenina’s familie waren door de Fransen geplunderd. Na geld
te hebben ingezameld vertrok ze in 1813
voor een jaar naar Rjazan om haar familie
te helpen. Maar haar ziekte bepaalde steeds
meer haar leven. De tsaar stond garant
voor de beste dokters en zorgde tezamen
met andere weldoeners ervoor dat ze naar
Brighton en Bath in Engeland kon gaan
om te kuren. Ze verbleef daar twee jaar,
van 1815 tot 1817, in grote armoede, want
er was te weinig geld om echt te kunnen
kuren. In deze periode moest ze haar trots
opzijzetten en vroeg ze heel vaak al haar
weldoeners, en met name Sjisjkov, rechtstreeks om financiële bijdragen. Toen ze
terugkeerde naar Rusland was ze niet veel
beter geworden, de baden hadden niet echt
geholpen. Uit deze periode waarin ze veel
heimwee had gehad stamt haar gedicht
‘Na razloekoe’ (‘Over het vertrek’). Het
werd gepubliceerd in 1819. Het gedicht is
eigenlijk een variatie op ‘Partir c’est mourir un peu’, een populaire uitdrukking die
toen eigenlijk nog niet bestond.1 De eerste,
de achtste en de laatste, zestiende, strofe
begint dan ook met dezelfde regel ‘Vertrek
is een vorm van een wrede dood’ en wat
later en letterlijker: een vertrek lijkt op de
dood. Maar dan komt in de achtste strofe
een beeld dat de dood zelf eigenlijk niet zo
vreselijk is, want daarna houdt alles op en
kan hij ons niet meer kwellen. Hoe anders
is dat met een vertrek of een scheiding die
ons wel blijft kwellen, dit noemt Boenina ‘de hel van de ziel’. Bij het laatste uur
van vertrek wordt het donker in het hart,
stokt de adem, de stem kan geen woord
uitbrengen. De ander is er in gedachten, in
het hart, maar de ‘ik’ kan hem niet meer
zien. ‘Ik zoek… maar alles is verlaten, ik
roep... maar alles is doods als in het graf’.
Alles wat rest is een intens verlangen.
Soms denkt ze dat ze de ander kan zien,
maar dat is schijn en bedrog; de ander is
er niet. En daarom, zegt de laatste strofe,
‘is vertrek een vorm van een wrede dood/
maar honderd maal erger dan de dood/
Jij (het vertrek) doodt ons honderd maal/
in elke minuut van ons bestaan’. Net als
in het vorige gedicht verstaat Boenina de
kunst om alle emoties en de verslagenheid
in een mens prachtig te verwoorden, dat
maakt haar bijna tot een moderne dichter
waarin ik soms iets van Tsvetajeva meen
te herkennen.
Boenina werd ook wel de Russische
Sappho genoemd. In principe was dit een
eretitel waarmee mannen hun respect ten
aanzien van vrouwelijke schrijvers uitdrukten. Er zijn meerdere gedichten aan
haar gewijd waarin haar dichtkunst als
ook haar intellect geroemd werd. Vaak
was het wel zo dat de manlijke dichters
zich vervolgens zelf op de borst sloegen
omdat ze haar talent zelf al voorzien hadden. Maar er was veel ook kritiek, die zich
aanscherpte bij de jongere generatie dichters die zich verzameld hadden in de literaire groep Arzamas, zoals Zjoekovski,
K.N. Batjoesjkov en later ook Aleksander
Poesjkin. Omdat zij in de classicistische
stijl schreef en soms ook Kerkslavische
woorden gebruikte, klonken haar gedichten na Karamzins taalhervormingen
al heel snel ouderwets. Arzamas had
veel kritiek op de in hun ogen stokoude
mannen van de Beseda-groep. Dikwijls
schreven ze spotgedichten over een vermeende affaire van Boenina met Sjisjkov
en organiseerden ze een ‘uitvaartdienst
van een levende dode’, waarmee Boenina werd bedoeld, die toen natuurlijk naar
Engeland afgereisd was. In een gedicht uit
1815 refereerde Batjoesjkov aan de zelfmoord van Sappho (Boenina):
Jij bent Sappho, en ik ben Phaon,
daarover twist ik niet
Maar tot mijn verdriet
Weet jij de weg naar de zee niet
Met het verdrinken in de rivier van de vergetelheid voegde Batjoesjkov een meer
dan ironische connotatie aan de erenaam
toe. Hij vond sowieso dat vrouwen die
schrijven een schande voor hun familie
en de mannen (!) waren en vergeleek hun
literaire werk met het baren van jankende
kinderen. Al deze kritiek van deze jonge
dichters, die later de zogeheten Gouden
Eeuw representeerden en in de Russische
canon zijn opgenomen heeft er misschien
toe bijgedragen dat Boenina daadwerkelijk in de vergetelheid geraakt is.
Na haar terugkeer uit Engeland
schreef ze nog maar weinig en vertaalde alleen nog maar, hiermee kon ze haar
brood verdienen. Haar ziekte verergerde
en slokte al haar energie op. De Russische
Academie van wetenschappen gaf in de
jaren 1819-1821 haar verzamelde gedichten in drie delen uit. Armoede en ziekte
maakten haar echter steeds meer hulpbehoevend. In 1824 verliet ze het dure-Sint
Petersburg en ging ze bij een nicht wonen
in Oeroesova in Rjazan. Een jaar later
overleed Aleksander I en iets later ook
zijn vrouw, waardoor Boenina haar relatie met het hof verloor. De nieuwe tsaar
Nicolaas I kende ze niet goed genoeg om
bij hem aan te kloppen. Ze was nu meer
dan ooit afhankelijk van het uitgeven van
haar vertalingen. Nog op verzoek van
Jelizaveta Aleksejevna was ze begonnen
aan een vertaling van een aantal Sermons
(‘Preken’) van Hugh Blair, die toentertijd
heel populair waren en in bijna alle Europese talen al vertaald waren. Toen een
van de vijf delen vertaald was, schakelde
Boenina in 1827 Sjisjkov in om de uitgave gepubliceerd te krijgen. Dit lukte niet
meteen, maar pas in 1829. Wel kreeg ze
een voorschot, wat haar financieel redde,
want veel mensen hadden al voor deze
vertaling ingetekend. De recensies waren
overigens negatief: de taal vond men te
ouderwets met een teveel aan Kerkslavische woorden, iets wat toen voor religieuze teksten helemaal niet zo gek was. Haar
ziekte kwelde Boenina inmiddels zo erg
dat ze alleen op haar knieën kon zitten om
de pijn te kunnen verdragen. Uiteindelijk
kwam de dood, die in haar beleving eindeloos op zich liet wachten, als een verlichting en stierf ze op 16 december 1829.
Ze was 54.
Ver voordat de vrouwenkwestie in
Rusland een rol ging spelen liet Boenina
zien dat vrouwen echt literaire werken
konden schrijven waarin alle genres en
een veelheid aan thema’s voorkomen. Ook
liet ze zien dat vrouwen zelfstandig en financieel onafhankelijk van hun familie
kunnen opereren. Hiervoor was ze echter
wel afhankelijk van patronage en protectie van anderen. Ze was zich bewust van
het feit dat het literaire veld door mannen
gedomineerd werd, maar vond toch via
veel netwerken en laveren erkenning voor
haar werk. Dat ze later door een jongere
generatie bespot werd, doet hier niets aan
af. Het voorwoord van haar vertaling van
Batteux laat zien dat ze opkomt voor andere vrouwen en hen stimuleert om ook
te gaan schrijven. Ook al is haar literaire
werk gegrondvest op het classicisme en
volgt ze meer de archaïst Sjisjkov dan de
hervormer Karamzin, toch laten de hierboven besproken gedichten zien dat zij
zeker ook een moderne schrijfster is, die
niet schroomt om van persoonlijke problematiek een openhartig thema te maken. Kortom: Boenina is een interessante
schrijfster die haar tijd ver vooruit was,
maar niet de waardering heeft gekregen
die zij verdiende. Pas in 2016, bijna twee
eeuwen na de eerste verschijning, werd de
bundel Neopytnaja Moeza opnieuw uitgebracht.
In bijna alle literatuurgeschiedenissen ontbreekt Boenina’s naam. Net als
zoveel andere schrijfsters werd en wordt
zij (nog steeds) niet gezien. De Russische
literatuurgeschiedenis is voornamelijk de
geschiedenis van mannen. Een verre verwant van haar, de Nobelprijswinnaar Ivan
Boenin, kent natuurlijk iedereen. Het was
Anna Achmatova die Boenina waardeerde
en, zoals we hierboven zagen, zeker ook
door haar beïnvloed is. Via een gecompliceerde genealogische zoektocht wist ze
zeker dat ze met Boenina verwant was. Terecht noemt de dichter Jevtoesjenko
Boenina ‘Anna pervaja, prababka vsjech’
(‘Anna de eerste, de overgrootmoeder van
alle schrijfsters’).
Ik wil eindigen met het meest aangehaalde
gedicht van Boenina namelijk ‘Razgovor
mezjdoe mnojoe s zjensjtsjinami’ (‘Een
gesprek van mij met vrouwen’) uitgegeven in 1821, maar misschien al eerder
geschreven. Het gedicht is heel ironisch
en van een heel ander kaliber dan de twee
vorige gedichten, maar wel even oprecht.
Het is geschreven in de vorm van een dialoog tussen het lyrische vrouwelijke ‘ik’
en een groep niet nader gespecificeerde
vrouwen. De ouderwetse adviesboeken
waren overigens ook altijd in dialoogvorm
geschreven en eigenlijk is ook dit een onderwijzend gedicht waarin de dichteres
haar hachelijke positie als vrouw in het
door mannen gedomineerde literaire veld
laat zien. De vrouwen verlangen van haar
een eigen stem die niet zo scherp is als die
van mannen, door wie ze nooit eens geprezen worden. Als de ‘ik’ antwoordt dat
ze al jaren schrijft, vragen de vrouwen:
‘toch niet in het Russisch, dat vinden we
veel te lastig!’ Dan presenteert de ‘ik’ zich
als een dichter die de natuur bezingt, wat
de reactie uitlokt dat vrouwen (in de stad)
daar dus niets aan hebben. Vervolgens
zegt de ‘ik’ dat ze ook odes schrijft waarin
ze mensen roemt, namelijk mannen die in
oorlogen gevochten hebben, die de wetten
maken, wetenschappers: hen bewijst ze
eer. ‘Maar geen woord over ons’, werpen
de vrouwen tegen, ‘alleen maar lof voor
mannen, krijgen ze dat al niet genoeg?
Wij hebben minder weldoeners dan zij,
wat een verraadster ben je toch!’ Dan laat
Boenina in de laatste strofe zien hoe het
er voor een dichteres echt voorstaat: ‘alles klopt wat jullie zeggen en jullie zijn
beslist niet minder dan mannen, maar het
zijn de mannen die alles bepalen en het
voor het zeggen hebben. De roem van
dichters is in hun handen.’