Jenny Stelleman



Anna Petrovna Boenina (1774-1829), de eerste Russische professionele schrijfster




Anna Boenina staat te boek als de ‘eerste professionele schrijfster in Rusland’. Dat dit enige kanttekeningen behoeft maak ik hier gaandeweg duidelijk aan de hand van achtergrondinformatie over het toenmalige literaire veld. Geld verdienen met het schrijven en uitgeven van literaire werken, voorwaarden om een schrijver professioneel te kunnen noemen, daarvan was destijds geen sprake. Boenina was als schrijfster actief in de eerste twee decennia van de negentiende eeuw, vlak voordat de grote coryfeeën van de Gouden Eeuw zoals de dichter Poesjkin hun glorieuze intrede in de literatuur zouden maken en de boekenmarkt zich in een rap tempo ontwikkelde.

Rond 1800 werd maar weinig gepubliceerd, dit kwam vooral door de reactionaire houding van Pavel I, de zoon van Catharina de Grote, die heerste van 1796 tot 1801. Toen hij in 1801 werd vermoord kwam zijn zoon Aleksander op de troon. Samen met zijn broer was hij opgevoed door zijn grootmoeder en dit droeg bij aan een gunstiger klimaat voor de kunst. In 1807 waren er tien drukkerijen van de staat en acht privé-drukkerijen en acht boekhandels in Sint-Petersburg. Per jaar werden misschien 300 boeken gedrukt, waarvan de helft in het Russisch, wat weinig is in vergelijking met Frankrijk waar dit aantal opliep tot 4500 per jaar. Lezen werd langzamerhand wel steeds populairder, ook in de provincie, waar handelaren boeken verkochten. Slechts een klein deel van de lezers was van adel en had onderwijs genoten, een groter deel bestond uit de lagere klasse, met name uit klerken, gouvernantes, vertalers, bediendes in dienst van de adel, vooral degenen die bij de opvoeding van kinderen betrokken waren. Deze lezers wilden voornamelijk vertalingen van westerse literatuur: komedies, sprookjes, en avonturenromans. Pas in de jaren dertig ontstond er een echte markt voor Russische literatuur, dus toen Boenina niet meer echt actief was.

Geletterde vrouwen waren van adel en lazen voornamelijk voor hun plezier. Van hogerhand werd vrouwen voorgeschreven om geschiedenisboeken, religieuze teksten en adviesboeken te lezen, maar liever lazen zij romans in het originele Frans of in vertaling.

Mannelijke schrijvers waren eigenlijk ook geen professionals, Karamzin was een van de eersten, maar was ook in staatsdienst. Toch beschouwden de mannen de vrouwelijke schrijvers meer als amateurs (dilettant) dan zij dat zichzelf deden.

Mannen hadden in de regel zelf geld genoeg en schreven populaire romans en vertaalden waar vraag naar was. De adel hield zich bezig met de hogere genres en met name poëzie. Zij publiceerden soms in eigen beheer of namen genoegen met het voorlezen op huiselijke bijeenkomsten, want eigenlijk was er nog geen echte markt voor hun werk. Schrijven werd beschouwd als tijdverdrijf, hobbyisme, en was verbonden met de opvoeding net zoals dansen en schilderen. Kortom, literatuur werd bedreven in het privé-domein en niet in het openbaar. Veel schrijvers combineerden een literaire carrière met een baan in dienst van de staat om zichzelf te kunnen onderhouden, maar dit was niet voor vrouwen weggelegd. Het publiceren van poëzie was toen dus nog helemaal niet de gewoonte.

Russische vrouwelijke schrijvers (meestal van adel) waren ook altijd amateurs, gezien hun afhankelijke financiële positie. In het onderwijs werd vrouwen ingeprent dat zij bescheiden moesten zijn en geen aandacht op zichzelf mochten richten, aangezien dit hen van hun huishoudelijke taken zou afleiden. Vrouwen waren of vertalers of ze schreven komedies zoals ook Catherina de Grote deed. Proza werd vaak in het Frans geschreven, omdat de vrouwen van adel beter Frans dan Russisch kenden. De dochter van de dichter Soemarokov schreef wel gedichten in de jaren zestig van de achttiende eeuw, maar dan onder een mannelijk pseudoniem en publiceerde in het tijdschrift van haar vader. Op de dichteres Jekaterina Oeroesova na, die de belangrijke auteur Cheraskov goed kende en zo een ingang had, werd er door vrouwen vóór Boenina weinig geschreven. Bijna al deze vrouwen hadden toegang tot het culturele leven doordat ze de vrouw van óf de dochter óf een familielid van een invloedrijk persoon waren. In deze tijd werd werk dat was geschreven door vrouwen beschouwd als charmant en als een manifestatie van patriottisme. Na de eeuwwisseling konden vrouwen zich meer laten gelden op het gebied van cultuur. Dit had te maken met de opkomst van het sentimentalisme, dat de vrouw idealiseerde en dan vooral haar vrouwelijke ‘fijngevoeligheid’, ook wel de feminisatie van de Russische cultuur genoemd.

Nikolaj Karamzin was de voorman van dit sentimentalisme, zijn opponent was admiraal en dichter A. Sjisjkov, die tot de archaïsten behoorde, het Kerkslavisch hoog in het vaandel had en vond dat fijngevoelige taal niets diepzinnigs kon uitdrukken. Dit was in het kort de niet erg gunstige situatie waarin Boenina zich als opkomend schrijfster bevond.



Anna Boenina

Boenina werd geboren in de provincie Rjazan in 1774. Haar familie was weliswaar van lage adel, maar redelijk welvarend. Haar moeder overleed in het kraambed en Boenina werd in de loop der jaren bij verschillende familieleden van moeders kant ondergebracht, omdat dochters niet bij hun vader mochten blijven. Ze voelde zich eigenlijk een weeskind. Eenzaamheid is dan ook een thema dat door haar persoonlijke gedichten loopt, die ze zoals ze zelf aangaf al vanaf haar dertiende schreef. Waarschijnlijk heeft ze in de families waar ze was ondergebracht niet meer dan basaal onderwijs gehad. In latere jaren verbleef ze bij haar oudere broer, Vasili, die een uitgebreide bibliotheek had, zijn talen sprak en haar af en toe meenam naar Moskou. Hierna woonde ze bij haar zus in. In 1799 publiceerde ze een kort essay, getiteld Ljoebov (‘Liefde’), waarin ze zich keerde tegen de opvatting van Karamzin dat de vrouw volgzaam moest zijn en zich moest schikken naar de man, wil het huwelijk harmonieus zijn. Ware liefde moest volgens Boenina gestoeld zijn op gelijkheid van de kwaliteiten van man en vrouw en op beider vrije keuze. Het kwam er in het kort op neer dat mannen wat ze van vrouwen eisten ook zichzelf moesten opleggen, pas dan is er sprake van echte gelijkheid. Eigenlijk maakte ze korte metten met de door de sentimentalisten gepropageerde vrouwelijke gevoeligheid, omdat deze de vrouwen ook weer aan banden legde. Het essay werd gepubliceerd onder het pseudoniem a.a.a., waarmee alleen werd aangeduid dat het om een vrouw ging. Dit bespaarde haar familie en misschien ook haarzelf negatieve reacties, die ongetwijfeld bij zo een omstreden onderwerp waren losgekomen.

In 1802 stierf haar vader en kreeg ze een kleine erfenis. Boenina zag haar kans schoon en reisde naar Sint-Petersburg, waar haar jongere broer, Ivan, woonde, zogenaamd om hem te bezoeken. De familie dacht dat ze hier ook naartoe ging om een goede match te maken, maar dat was niet het geval. Zij trouwde nooit en was inmiddels op een leeftijd dat men haar een oude vrijster noemde, ze was achtentwintig.

In Sint-Petersburg huurde ze een appartement en leefde van haar erfenis. Dit was bijzonder want geen enkele vrouw uit die tijd woonde toen alleen, laat staan dat ze financieel onafhankelijk was. Alle vrouwen hadden toestemming van hun vader of hun man nodig om bijvoorbeeld onderwijs te volgen of te gaan schrijven. Boenina’s vader was overleden en het was naar alle waarschijnlijkheid haar eigen keuze om niet te trouwen en haar eigen pad te volgen. Een oude vrijster van lage adel die alleen woonde, arm was en de ambitie had om te studeren, dit alles was toen maatschappelijk gezien eigenlijk onaanvaardbaar. Maar op deze manier kon ze doen wat ze het liefste wilde: schrijven en studeren. Meteen probeerde ze de lacunes in haar kennis op te vullen door meerdere vreemde talen (Frans, Engels en Duits) te leren en haar kennis van de Russische literatuur op te vijzelen. Haar leraar was P.I. Sokolov, lid van de Russische Academie. Deze privé-lessen kostten haar bijna haar hele bescheiden vermogen, waardoor ze gedwongen was op een of andere manier geld te verdienen. Haar broer Ivan, een marineofficier, die bij de culturele elite populair was door zijn komische gedichten, introduceerde haar in literaire kringen. Ook haar connectie met Sokolov bracht haar in aanraking met belangrijke mannen van de Russische Academie, waaronder de eerdergenoemde schrijver A. Sjisjkov, die haar zijn leven lang onder zijn hoede nam. Deze vorm van patronage was toen heel gebruikelijk en Sjisjkov had nog veel meer van dit soort protegees. Steun door middel van patronage kwam vaak in de vorm van een eenmalige gift, een sieraad of een toelage en was een beloning voor gedichten, vaak odes, waarin representanten van de elite, de militaire orde of wetenschappers geprezen werden. Toen Boenina met schrijven begon werd dit steeds minder gebruikelijk en waren het alleen familieleden van de tsaar, die deze giften en toelages uitdeelden.

Boenina schreef ondertussen gedichten, waaronder een ode aan Aleksander I, maar daarnaast verzen met een meer persoonlijke inslag, ze schreef ook proza en ze vertaalde, onder andere L’Art poétique van Boileau. Vanaf 1806 publiceerde ze enkele gedichten in Moskouse tijdschriften, waaronder de Moskovski koerjer (‘De Moskouse koerier’) en de Moskovski zritel (‘De Moskouse toeschouwer’). Beide tijdschriften waren gelieerd aan de sentimentalisten, die, zoals hierboven al gezegd, het vrouwelijke element in de literatuur wilden bevorderen. Belangrijker dan deze publicaties was echter de uitgave van haar vertaling van Charles Batteux’ verhandeling over Les beaux arts réduits à un même principe in 1808; hieraan had ze twee jaar gewerkt. Vertalen was toen voor vrouwen een legitieme manier om een plek in de literatuur te veroveren. Tegelijkertijd was dit werk niet zo maar een vertaling, want hiermee toonde Boenina aan dat ze de actuele literaire theorie beheerste. Er bestonden al meerdere vertalingen van deze verhandeling met voorbeelden van Latijnse gedichten. Haar vertaling was een verkorte versie met voorbeelden uit de Russische dichtkunst. In haar voorwoord tot deze verhandeling, getiteld Pravila poèzii (‘De regels van de dichtkunst), voegde ze uitdrukkelijk toe dat deze vertaling vooral bedoeld was voor vrouwen. Veel vrouwen waren vreemde talen niet machtig en juist voor hen, die zich aan poëzie wilden wagen, vormde deze uitgave een belangrijke basis. Heel uitzonderlijk richtte Boenina zich hiermee op een aparte categorie lezers en stimuleerde zo aankomende vrouwelijke dichters. Helemaal in lijn met de toenmalige sociale orde dat vrouwen alleen kinderen moesten opvoeden en het huishouden moesten regelen, merkte Boenina fijntjes op dat vrouwen misschien in hun schaarse vrije avonduren dit boekje ter hand zouden kunnen nemen. Haar naam als vertaler werd niet vermeld, maar uit het voorwoord werd duidelijk dat het hier een vrouw betrof. Ze stuurde de vertaling naar Maria Fjodorovna, de moeder van Aleksander I, die in feite alle liefdadigheidsinstellingen onder haar hoede had. Deze kende haar een toelage toe en zorgde ervoor dat het boek op haar kosten gedrukt kon worden. De protectie van Boenina’s leermeester P.I. Sokolov heeft hierbij ongetwijfeld een rol gespeeld. Er werden uiteindelijk 225 exemplaren gedrukt ten behoeve van onderwijsinstellingen. De toelage opende de weg om een bundel van haar eigen gedichten te laten uitgeven.

Dat werd Neopytnaja Moeza (‘De onervaren Muze’), dat werd gepubliceerd in 1809 en meteen werd opgemerkt. Het tweede deel, hoewel in het voorwoord niet gerept werd over een eerste deel, volgde in 1812. Op het moment van uitgave van het eerste deel van Neopytnaja Moeza had Boenina al een behoorlijke reputatie opgebouwd, de bescheidenheid die de titel liet zien was alleen maar een constructie om manlijke collega’s niet te provoceren. Het boek was voorzien van een titelblad, waarop een vrouw met een lier is afgebeeld met als onderschrift ‘de Lier (de poëzie) redde mij van de verdrinkingsdood’. Hieruit blijkt al hoe belangrijk dit werk voor Boenina was. Op het titelblad stond weer a.a.a., als aanduiding van de opnieuw bescheiden schrijfster, maar op de tweede bladzijde stond haar naam voluit. In dit deel had ze lyrisch werk verzameld dat al eerder in tijdschriften gepubliceerd was, maar ook (soms door haar vertaalde) gedichten die nog niet gepubliceerd waren. De vertalingen van Boileau en Batteux werden ook opgenomen, waarschijnlijk omdat haar naam niet in de eerdere uitgave genoemd was, maar zeker ook om haar vakmanschap en eruditie te benadrukken. Zoals de titel al aangaf en conform de toenmalige voorschriften, presenteerde Boenina zich als een bescheiden en onervaren dichter, die haar manlijke voorgangers eert door middel van gedichten die aan hen zijn opgedragen. Vooral Derzjavin, maar ook I.I. Dmitriëv en I.A. Krylov kregen deze eer. Deze constructie was toen dé manier voor vrouwen om een voet tussen de deur te krijgen. Het lyrische ‘ik’ is in al deze gedichten vrouwelijk, het maakt niet uit of het fabels, sprookjes of vertalingen betreft.

De dichtbundel werd alom geprezen, vrouwen werd aanbevolen deze meermaals te lezen want het werk ging over vrouwen en was voor vrouwen en door een vrouw geschreven. Naar aanleiding van deze publicatie werd Boenina de Russische Sappho genoemd, een eretitel. In een andere recensie worden haar dichtkunst en haar intellect (!) geprezen en wordt haar aangeraden de weg van haar beroemde voorgangers, zoals Derzjavin, te vervolgen.

Boenina had haar bundel nu opgedragen aan Jelizaveta Andrejevna, de vrouw van Aleksander I. Deze gaf haar een met briljanten versierde lier en een jaarlijkse toelage van vierhonderd roebel. Ook Maria Fjodorovna gaf haar opnieuw een toelage. Boenina’s inmiddels opgebouwde reputatie werd nog versterkt door haar lidmaatschap van Beseda. Sjisjkov organiseerde al langer bijeenkomsten onder de naam ‘beseda’ (gesprek/discussie), maar richtte officieel in 1810 Beseda ljoebitelej roeskogo slova (‘Het genootschap voor liefhebbers van de Russische taal’) op waarbij het doel van de bijeenkomsten was om de vaderlandsliefde door middel van de Russische taal en literatuur te bevorderen. Het aantal leden was gesteld op maximaal vierentwintig en was eigenlijk ingericht naar het model van de Russische Academie, waarmee de relatie met de staat werd onderstreept. De hiërarchie binnen de organisatie volgde de rangentabel, waarbij de ouderen het voor het zeggen hadden en de jongeren voornamelijk moesten volgen. De dichters Derzjavin en Sjisjkov zelf waren de coryfeeën binnen dit gezelschap. De belangrijkste leden hadden hun eigen vaste protegés. Beide voornoemde dichters zorgden ervoor dat Boenina in 1811 als erelid bij Beseda werd toegelaten. Vrouwen konden geen lid worden, maar alleen erelid, omdat zij in tegenstelling tot mannen geen rang konden hebben. Verder waren zij eigenlijk gelijkwaardig: zij selecteerden zelf wat zij uit eigen werk wilden voordragen. Daarbij gold wel dat hun werk vele malen kritischer werden beoordeeld dan dat van mannen; vaak werd hun werk ook gecorrigeerd. Sjisjkov zorgde ook voor een uitgave, Tsjetenia (‘Lezingen’), waarin hij lezingen publiceerde. Zoals gezegd was Boenina een van zijn vele protegees. Hij las niet alleen haar werk voor op de bijeenkomsten van Beseda, maar becommentarieerde het zowel in het openbaar als in hun persoonlijke correspondentie. Hij moedigde haar aan om haar eigen gedachten op papier te zetten en als dit niet lukte er met hem over te spreken. Zelfs Karamzin die met zijn sentimentalisme en feminisatie van de taal tot een ander kamp dan Sjisjkov en eigenlijk ook Boenina behoorde, oordeelde dat ‘niet één vrouw zo sterk schreef als Boenina’, terwijl hij eigenlijk alle vrouwelijke schrijvers als dilettanten beschouwde.

In 1811 publiceerde Boenina een verhalenbundel Selskië vetsjera (‘Avonden op het platteland’). De bundel bestond uit twee verhalen en was opgedragen aan haar broer Pjotr. Opnieuw spelen vrouwen de hoofdrol. Hoe deze bundel ontvangen werd, is onbekend. Verhalen die zich op het platteland afspeelden en waarin het leven van vrouwen in de provincie centraal stond werden pas na 1840 erg populair onder vrouwelijke schrijvers, maar waren dat tevoren nog niet echt.

Het jaar daarop verscheen het tweede deel van Neopytnaja Muza. Net als haar proza-uitgave vond dit deel tot verdriet van Boenina weinig weerklank. Waarschijnlijk was de dreigende oorlog met Frankrijk de reden dat men hier nu minder oog voor had. Maar ook haar gedicht Padenië Faetona (‘De val van Faëton’) dat hier was opgenomen, was zeker een aanleiding. Dit lange gedicht was al eerder voorgelezen bij Beseda en critici hadden het van meerdere correcties voorzien. Velen zagen in Faëton een beeld van Boenina zelf, een vrouw die dezelfde hoogte nastreefde en een gelijke van de zonnegod Apollo, lees de manlijke hoogstaande dichters, wilde zijn. In het gedicht strijden twee gemoedstoestanden met elkaar: de hybris en de angst, uiteindelijk wint de ambitie het van de angst en beseft Faëton dat als hij valt dan het liefst van grote hoogte, en zo geschiedde. Hoewel Boenina normaal gesproken met een vrouwelijk lyrisch ‘ik’ werkte, was dit juist nu niet het geval, toch wilden alle mannen haar onvrouwelijke ambitie hierin herkennen.

Dit had ook te maken met het feit dat ze haar eigen versie nu publiceerde zoals die was en de correcties dus niet had overgenomen. Dit kwam haar op bestraffende woorden van Sjisjkov te staan, hij vond dat ze niet zo ijdel en arrogant moest zijn, wilde ze alom respect krijgen.

Dit is eigenlijk al een voorbeeld van meer eigengereidheid in deze bundel waar bescheidenheid, ondanks de titel, veel minder te zien was. Misschien kwam dit ook voort uit het feit dat zij inmiddels ziek geworden was. Veel bronnen spreken van borstkanker, maar dit lijkt volgens de recentste onderzoekers niet erg waarschijnlijk: dan had ze nog maar twee jaar geleefd. Waarschijnlijker is dat ze tuberculose had. Met een zekere dood voor ogen kon het Boenina misschien ook allemaal minder schelen om steeds maar weer te laveren tussen alle door mannen opgelegde culturele codes en wilde ze ook meer zichzelf laten zien. In deze bundel toonde ze veel meer haar persoonlijke situatie dan in de eerste en dat was nieuw voor die tijd. Hierna volgt een voorbeeld, dat ons in deze tijd meer aanspreekt dan de gedichten uit de eerste bundel. Omdat de gedichten nog in het classicisme geworteld zijn en zeer complex zijn en ik geen poëzie-vertaler ben, zal ik alleen een korte samenvatting geven.

‘Majskaja progoelka boljasjtsjej’ (‘Een wandeling van een zieke vrouw in mei’) is gezet in een viervoetige trochee dat de gelijkmatige tred van het wandelen weergeeft. (Lermontovs ‘Vychozjoe odin ja na dorogoe’ (‘Ik ga alleen op weg’) laat ditzelfde metrum zien.) De wandeling in de warme lente langs de Neva in Sint-Petersburg vormt de achtergrond van het lyrische ‘ik’. Normaal gesproken werd en wordt in de poëzie de lente en de natuur verwelkomd met de belofte van nieuw en jong leven. Maar hier is in dit gedicht geen sprake van, nu vormt de lente een grote tegenstelling met de pijn die de zieke ervaart. Ze is helemaal alleen, vraagt God om haar te helpen, maar zegt meteen daarna dat God zich van haar heeft afgekeerd. Ze is vervreemd van alles en iedereen, ze wil geen warmte, ze wil ook geen lente, en zeker geen zomer, want in haar borst brandt de pijn. Ze zoekt schaduw, verkoelende winden en water en wil het liefst daardoor verzwolgen worden, want alleen de dood brengt verlichting. Maar de wind die even opkomt zet niet echt door, het water blijft rimpelloos, de wolken laten zich niet zien. Deze ‘ik’ komt in opstand tegen de ziekte die haar treft en strijdt tegen de natuurlijke orde, die totaal onverschillig blijft. De natuur wordt aangeroepen om alle registers van kou en wind open te trekken, maar er gebeurt niets, hetzelfde gebeurt met de stad waar ze loopt. Ze ziet weliswaar de schoonheid van de stad, maar het kalme ordelijke Sint-Petersburg trekt zich, net als de natuur, niets aan van haar heftige uitroepen en laat haar ook alleen, net als de maan die ‘met gewichtigheid’ zijn baan om de aarde trekt. Ditzelfde beeld van een onverschillig Petersburg ten aanzien van het lyrische ‘ik’, zien we veel later ook terug in de Stichi o Peterboerge (‘Gedichten over Petersburg’) van Anna Achmatova.

Inmiddels was er oorlog uitgebroken, landgoederen van Boenina’s familie waren door de Fransen geplunderd. Na geld te hebben ingezameld vertrok ze in 1813 voor een jaar naar Rjazan om haar familie te helpen. Maar haar ziekte bepaalde steeds meer haar leven. De tsaar stond garant voor de beste dokters en zorgde tezamen met andere weldoeners ervoor dat ze naar Brighton en Bath in Engeland kon gaan om te kuren. Ze verbleef daar twee jaar, van 1815 tot 1817, in grote armoede, want er was te weinig geld om echt te kunnen kuren. In deze periode moest ze haar trots opzijzetten en vroeg ze heel vaak al haar weldoeners, en met name Sjisjkov, rechtstreeks om financiële bijdragen. Toen ze terugkeerde naar Rusland was ze niet veel beter geworden, de baden hadden niet echt geholpen. Uit deze periode waarin ze veel heimwee had gehad stamt haar gedicht ‘Na razloekoe’ (‘Over het vertrek’). Het werd gepubliceerd in 1819. Het gedicht is eigenlijk een variatie op ‘Partir c’est mourir un peu’, een populaire uitdrukking die toen eigenlijk nog niet bestond.1 De eerste, de achtste en de laatste, zestiende, strofe begint dan ook met dezelfde regel ‘Vertrek is een vorm van een wrede dood’ en wat later en letterlijker: een vertrek lijkt op de dood. Maar dan komt in de achtste strofe een beeld dat de dood zelf eigenlijk niet zo vreselijk is, want daarna houdt alles op en kan hij ons niet meer kwellen. Hoe anders is dat met een vertrek of een scheiding die ons wel blijft kwellen, dit noemt Boenina ‘de hel van de ziel’. Bij het laatste uur van vertrek wordt het donker in het hart, stokt de adem, de stem kan geen woord uitbrengen. De ander is er in gedachten, in het hart, maar de ‘ik’ kan hem niet meer zien. ‘Ik zoek… maar alles is verlaten, ik roep... maar alles is doods als in het graf’. Alles wat rest is een intens verlangen.

Soms denkt ze dat ze de ander kan zien, maar dat is schijn en bedrog; de ander is er niet. En daarom, zegt de laatste strofe, ‘is vertrek een vorm van een wrede dood/ maar honderd maal erger dan de dood/ Jij (het vertrek) doodt ons honderd maal/ in elke minuut van ons bestaan’. Net als in het vorige gedicht verstaat Boenina de kunst om alle emoties en de verslagenheid in een mens prachtig te verwoorden, dat maakt haar bijna tot een moderne dichter waarin ik soms iets van Tsvetajeva meen te herkennen.

Boenina werd ook wel de Russische Sappho genoemd. In principe was dit een eretitel waarmee mannen hun respect ten aanzien van vrouwelijke schrijvers uitdrukten. Er zijn meerdere gedichten aan haar gewijd waarin haar dichtkunst als ook haar intellect geroemd werd. Vaak was het wel zo dat de manlijke dichters zich vervolgens zelf op de borst sloegen omdat ze haar talent zelf al voorzien hadden. Maar er was veel ook kritiek, die zich aanscherpte bij de jongere generatie dichters die zich verzameld hadden in de literaire groep Arzamas, zoals Zjoekovski, K.N. Batjoesjkov en later ook Aleksander Poesjkin. Omdat zij in de classicistische stijl schreef en soms ook Kerkslavische woorden gebruikte, klonken haar gedichten na Karamzins taalhervormingen al heel snel ouderwets. Arzamas had veel kritiek op de in hun ogen stokoude mannen van de Beseda-groep. Dikwijls schreven ze spotgedichten over een vermeende affaire van Boenina met Sjisjkov en organiseerden ze een ‘uitvaartdienst van een levende dode’, waarmee Boenina werd bedoeld, die toen natuurlijk naar Engeland afgereisd was. In een gedicht uit 1815 refereerde Batjoesjkov aan de zelfmoord van Sappho (Boenina):

Jij bent Sappho, en ik ben Phaon,
daarover twist ik niet
Maar tot mijn verdriet
Weet jij de weg naar de zee niet

Met het verdrinken in de rivier van de vergetelheid voegde Batjoesjkov een meer dan ironische connotatie aan de erenaam toe. Hij vond sowieso dat vrouwen die schrijven een schande voor hun familie en de mannen (!) waren en vergeleek hun literaire werk met het baren van jankende kinderen. Al deze kritiek van deze jonge dichters, die later de zogeheten Gouden Eeuw representeerden en in de Russische canon zijn opgenomen heeft er misschien toe bijgedragen dat Boenina daadwerkelijk in de vergetelheid geraakt is.

Na haar terugkeer uit Engeland schreef ze nog maar weinig en vertaalde alleen nog maar, hiermee kon ze haar brood verdienen. Haar ziekte verergerde en slokte al haar energie op. De Russische Academie van wetenschappen gaf in de jaren 1819-1821 haar verzamelde gedichten in drie delen uit. Armoede en ziekte maakten haar echter steeds meer hulpbehoevend. In 1824 verliet ze het dure-Sint Petersburg en ging ze bij een nicht wonen in Oeroesova in Rjazan. Een jaar later overleed Aleksander I en iets later ook zijn vrouw, waardoor Boenina haar relatie met het hof verloor. De nieuwe tsaar Nicolaas I kende ze niet goed genoeg om bij hem aan te kloppen. Ze was nu meer dan ooit afhankelijk van het uitgeven van haar vertalingen. Nog op verzoek van Jelizaveta Aleksejevna was ze begonnen aan een vertaling van een aantal Sermons (‘Preken’) van Hugh Blair, die toentertijd heel populair waren en in bijna alle Europese talen al vertaald waren. Toen een van de vijf delen vertaald was, schakelde Boenina in 1827 Sjisjkov in om de uitgave gepubliceerd te krijgen. Dit lukte niet meteen, maar pas in 1829. Wel kreeg ze een voorschot, wat haar financieel redde, want veel mensen hadden al voor deze vertaling ingetekend. De recensies waren overigens negatief: de taal vond men te ouderwets met een teveel aan Kerkslavische woorden, iets wat toen voor religieuze teksten helemaal niet zo gek was. Haar ziekte kwelde Boenina inmiddels zo erg dat ze alleen op haar knieën kon zitten om de pijn te kunnen verdragen. Uiteindelijk kwam de dood, die in haar beleving eindeloos op zich liet wachten, als een verlichting en stierf ze op 16 december 1829. Ze was 54.

Ver voordat de vrouwenkwestie in Rusland een rol ging spelen liet Boenina zien dat vrouwen echt literaire werken konden schrijven waarin alle genres en een veelheid aan thema’s voorkomen. Ook liet ze zien dat vrouwen zelfstandig en financieel onafhankelijk van hun familie kunnen opereren. Hiervoor was ze echter wel afhankelijk van patronage en protectie van anderen. Ze was zich bewust van het feit dat het literaire veld door mannen gedomineerd werd, maar vond toch via veel netwerken en laveren erkenning voor haar werk. Dat ze later door een jongere generatie bespot werd, doet hier niets aan af. Het voorwoord van haar vertaling van Batteux laat zien dat ze opkomt voor andere vrouwen en hen stimuleert om ook te gaan schrijven. Ook al is haar literaire werk gegrondvest op het classicisme en volgt ze meer de archaïst Sjisjkov dan de hervormer Karamzin, toch laten de hierboven besproken gedichten zien dat zij zeker ook een moderne schrijfster is, die niet schroomt om van persoonlijke problematiek een openhartig thema te maken. Kortom: Boenina is een interessante schrijfster die haar tijd ver vooruit was, maar niet de waardering heeft gekregen die zij verdiende. Pas in 2016, bijna twee eeuwen na de eerste verschijning, werd de bundel Neopytnaja Moeza opnieuw uitgebracht.

In bijna alle literatuurgeschiedenissen ontbreekt Boenina’s naam. Net als zoveel andere schrijfsters werd en wordt zij (nog steeds) niet gezien. De Russische literatuurgeschiedenis is voornamelijk de geschiedenis van mannen. Een verre verwant van haar, de Nobelprijswinnaar Ivan Boenin, kent natuurlijk iedereen. Het was Anna Achmatova die Boenina waardeerde en, zoals we hierboven zagen, zeker ook door haar beïnvloed is. Via een gecompliceerde genealogische zoektocht wist ze zeker dat ze met Boenina verwant was. Terecht noemt de dichter Jevtoesjenko Boenina ‘Anna pervaja, prababka vsjech’ (‘Anna de eerste, de overgrootmoeder van alle schrijfsters’). Ik wil eindigen met het meest aangehaalde gedicht van Boenina namelijk ‘Razgovor mezjdoe mnojoe s zjensjtsjinami’ (‘Een gesprek van mij met vrouwen’) uitgegeven in 1821, maar misschien al eerder geschreven. Het gedicht is heel ironisch en van een heel ander kaliber dan de twee vorige gedichten, maar wel even oprecht. Het is geschreven in de vorm van een dialoog tussen het lyrische vrouwelijke ‘ik’ en een groep niet nader gespecificeerde vrouwen. De ouderwetse adviesboeken waren overigens ook altijd in dialoogvorm geschreven en eigenlijk is ook dit een onderwijzend gedicht waarin de dichteres haar hachelijke positie als vrouw in het door mannen gedomineerde literaire veld laat zien. De vrouwen verlangen van haar een eigen stem die niet zo scherp is als die van mannen, door wie ze nooit eens geprezen worden. Als de ‘ik’ antwoordt dat ze al jaren schrijft, vragen de vrouwen: ‘toch niet in het Russisch, dat vinden we veel te lastig!’ Dan presenteert de ‘ik’ zich als een dichter die de natuur bezingt, wat de reactie uitlokt dat vrouwen (in de stad) daar dus niets aan hebben. Vervolgens zegt de ‘ik’ dat ze ook odes schrijft waarin ze mensen roemt, namelijk mannen die in oorlogen gevochten hebben, die de wetten maken, wetenschappers: hen bewijst ze eer. ‘Maar geen woord over ons’, werpen de vrouwen tegen, ‘alleen maar lof voor mannen, krijgen ze dat al niet genoeg? Wij hebben minder weldoeners dan zij, wat een verraadster ben je toch!’ Dan laat Boenina in de laatste strofe zien hoe het er voor een dichteres echt voorstaat: ‘alles klopt wat jullie zeggen en jullie zijn beslist niet minder dan mannen, maar het zijn de mannen die alles bepalen en het voor het zeggen hebben. De roem van dichters is in hun handen.’






1 Een citaat van de Franse dichter Edmont Haraucourt (1857-1941), de eerste regel van het gedicht ‘Rondel de l’Adieu (1891)



<

TSL 96

>