In tsaristische en Sovjetgevangenissen en
kampen speelde seksualiteit vanzelfsprekend een rol. Veelal werden mannen en
vrouwen apart van elkaar gevangengehouden, wat de rol van homoseksuele (daaronder begrepen lesbische) verhoudingen in
de hand werkte. Dit thema wordt besproken in het hoofdstuk ‘Gomoseksoealizm
v tjoerme’ (‘Homoseksualiteit in de gevangenis’) in het boek van Vladimir Kozlovski, Argo roesskoj gomoseksoealnoj
soebkoeltoery: materialy k izoetsjenijoe
(Slang in de Russische homoseksuele subcultuur: teksten ter bestudering; Chalidze
Publications, Benson, Vermont U.S.A.
1986), pp. 87-118, waarvan pp. 87-110
mannelijke gevangenissen betreffen en
pp. 111-118 vrouwelijke. In deze gevangenissen werd veel kampjargon gebruikt;
zie de verklarende woordenlijst vanaf p.
119. Kozlovski presenteert zijn exposé als
bijlage bij het hoofdstuk ‘Strannyi narod’
(‘Vreemd volk’) uit het boek Mordovski marafon (Mordviense marathon) van
Edoeard Koeznetsov (1979), dat eveneens
in Kozlovski’s boek is opgenomen. Deze
hieronder nader besproken primaire bronteksten zijn gebaseerd op wetenschappelijke bronnen, (emigranten)literatuur,
(emigranten)tijdschriften, verslagen van
ooggetuigen, interviews, ten dele gepubliceerd in de (opmaat naar de) vrijere jaren
negentig. Zo zijn de bronteksten ook opgenomen in Andrej Boelkin, Zapiski goloebogo (‘Aantekeningen van een gay’)
(samizdat uitgave, Moskou, Polen, 1998;
zonder voetnoten).
De genoemde bronnen omvatten een
onthutsende beschrijving van homoseksualiteit in gevangenissen en kampen in de
tsaristische en Sovjettijd. Deze bijdrage
is beperkt tot enkele elementen die terugkeren in verschillende soorten gevangenissen en kampen door de tijd heen. Voor
meer volledige informatie zij de lezer verwezen naar de teksten van Kozlovski en
Koeznetsov.
Uit de bronteksten blijkt dat homoseksualiteit in gevangenissen en kampen
veel voorkwam, mede gezien de behoefte aan intimiteit in een setting met enkel
mensen van hetzelfde geslacht. Zo schrijft
V. Aleksandrov1 in 1904 ‘(…) als homoseksuele betrekkingen in betere kringen
al zo alarmerend wijdverspreid zijn ten
gevolge van seksuele excessen, als er in
besloten onderwijsinstituten en in kloosters al tegen dit kwaad gestreden moet
worden, dan is het logisch dat gevangenissen de gunstigste voedingsbodem vormen voor de groei van deze uitwas.’ In de
Sovjettijd betrof dit niet alleen ‘gewone’
gevangenen, maar ook politieke gevangenen, ofschoon dit laatste door een aantal
schrijvers werd gebagatelliseerd. Zie bijvoorbeeld Anatoli Martsjenko, Moi pokazania (Wat ik zeggen wou; Alexander
Herzenstichting, Amsterdam, 1967), die
op pp. 291-292 schrijft: ‘In de kriminele
kampen, onder de kriminele misdadigers,
floreert homosexualiteit. Hiermee houden zich, bijna zonder uitzondering, alle kriminele misdadigers bezig, ondanks het
feit, dat volgens de wet homosexualiteit
strafbaar is.’ en ‘In het algemeen dringt
homosexualiteit ook tot politieke kampen
door – samen met de kriminele misdadigers, die daar terecht komen. Maar de
positie van pederasten is hier volkomen
anders dan in de kriminele kampen. Zij
worden door iedereen veracht, daarentegen mag de leiding ze. (…) in de politieke kampen zijn weinig pederasten, men
kent ze allemaal bij name, de gevangenen
kennen ze beter dan de leiding, en mijden
ze.’ Aleksandr Gidoni bekritiseert deze
houding van Martsjenko als schijnheilig,
omdat hij homoseksuele contacten wijt
aan criminelen, terwijl zulke contacten
in zowel ‘gewone’ als politieke kampen
voorkwamen, zij het met enige nuanceverschillen. (Kozvlovski, p. 109-110)
In algemene zin wordt homoseksualiteit beschouwd als afwijking, als verderfelijk, als zonde, et cetera. Deze grondhouding betreft echter vrijwel uitsluitend
degene die de passieve rol vervult; deze is
‘de paria, de onaanraakbare’. Degene die
de actieve rol vervult heeft wel status. De
actieve homoseksueel ‘kan in het gevangenismilieu rekenen op algemeen respect
en verkrijgt zelfs een bepaalde “autoriteit”
als bekend wordt (…) dat hij iemand “gebruikt” (…).’
Hiermee in overeenstemming is dat degene die de passieve rol vervult de laagst
mogelijke status heeft. Hij is rechteloos,
is ‘een instrument zonder stem en zonder
rechten voor het bevredigen van seksuele
behoeften; alleen op momenten van seksueel contact kan hij worden aangeraakt’.
In verband daarmee krijgen deze mensen
ook de slechtste slaapplaatsen (bijvoorbeeld onder de houten britsen) en worden
ze verplicht het vuilste en vervelendste
werk te doen. Ook moeten zij apart eten en
mogen ze niet hetzelfde eetgerei als andere gedetineerden gebruiken. Vandaar ook
dat er een gat in de lepels of eetschaaltjes
van degenen die de passieve rol vervullen
wordt gemaakt. Deze mensen mogen zich
niet uitgeven voor een ‘gewone’ gevangene (moezjik), maar moeten hun ‘identiteit’
vermelden. Zij worden veracht en te pas
en te onpas uitgescholden en vernederd.
Overigens moet men in de gevangenissen
oppassen met zijn woordgebruik. Wanneer men iemand (zelfs per ongeluk) uitscheldt met een woord dat wordt geassocieerd met deze passieve rol (bijvoorbeeld
‘soeka’, ‘pider’, ‘kozjol’ of ‘petoech’),
moet dit naar kamp-etiquette gewraakt
worden, anders wordt de betiteling voor
waar aangenomen met alle sociale gevolgen van dien. Het zich niet houden aan de
etiquette wordt afhankelijk van de context
afgestraft met in elkaar geslagen worden,
(groeps-)verkrachting of de dood. Ook
anderszins staan er diverse episodes over
(groeps-)verkrachtingen in de bronteksten. ‘(…) ’s nachts hoorden de gevangenen vaak het schreeuwen van slachtoffers
van groepsverkrachtingen in de barak. In
de regel waren de verkrachters met zijn
vijven: vier hielden het slachtoffer bij
armen en benen vast, nummer vijf verkrachtte hem.’ Als men eenmaal het stigma had van iemand die de passieve rol
vervult, was dat een onuitwisbare schandvlek die met die persoon meereisde, ook
van kamp tot kamp en zelfs tot na gevangenschap.
Het is duidelijk dat niet alleen mensen
die van nature homoseksueel zijn, maar
ook anderen in gevangenissen homoseksuele handelingen uitvoeren. Gezien de lage
status van degenen die een passieve homoseksuele rol vervullen is het met name de
vraag hoe deze mensen deze rol krijgen
toebedeeld. De bronteksten bevatten tal
van voorbeelden van hoe iemand passief
homoseksueel wordt ‘gemaakt’. Hieruit
krijgt men de indruk dat jongeren in het
bijzonder (maar zeker niet exclusief) het
doelwit zijn. Aanleiding kan zijn het niet
kunnen betalen na een verloren (kaart)spel
of het (herhaaldelijk) niet naleven van de
mores in de gevangenis. Ook is het mogelijk dat eten, sigaretten, of kleding et cetera
worden aangeboden in ruil voor seksuele
diensten. Tot de psychologische methodes
behoort het volledig desoriënteren van een
vaak nieuw persoon, waardoor deze zo van slag raakt dat men hem voor seksuele behoeftes kan gebruiken. Ook is het mogelijk
in te spelen op karakterzwakheden en een
spel te spelen dat is gebaseerd op afhankelijkheden en verplichtingen en andere
psychologische ‘trucs’. Dit subtiele psychologische spel lijkt ook op een soort ritueel van de gevangenen, die op deze manier
afleiding en de bevrediging van verlangens
zoeken. Ook de ‘onaanraakbare’ aanraken
kan veroordeling betekenen tot hetzelfde
lot. Andere redenen om iemand passief homoseksueel te maken kunnen zijn dat men
een crimineel een (toekomstige) hoge status (‘vor v zakone’) wil ontnemen, of dat
de kampleiding politieke gevangenen met
(de dreiging van) verkrachting onder druk
wil zetten, dan wel verklikkers wil ronselen. Het is mogelijk je te schikken in je rol
of te kiezen voor een zekere dood, zoals
een jongen die werd neergeschoten tijdens
een bij voorbaat gedoemde ontsnappingspoging.
Het relaas van de homoseksuele Leningradse schrijver Gennadi Trifonov
(1945-2011), die in de jaren zeventig werd opgepakt voor anti-Sovjet-agitatie meldt eenzelfde inferieure positie. Zo
mochten (passieve) homoseksuelen niet
aan tafel met anderen eten, werd warm
eten hen vaak afgenomen, was er het risico letterlijk te verhongeren en mochten
ze niet in de barakken slapen. Ze kregen
geen medische zorg en hun pakketjes met
voedsel werden afgenomen (‘een van de
zeer zeldzame genoegens van de Sovjet
gevangene’). Sommigen kozen ervoor
hun leven te beëindigen. Trifonov heeft
vier jaar in deze ‘Hel’ moeten zitten.
Een vermeende oplossing was ooit
om homoseksuele mannen te isoleren in
aparte gevangenissen. Dit bleek echter
niet succesvol want meteen werden er
onder de achtergebleven mannen anderen
gevonden om het gemis op te vangen. In
de bronteksten wordt enkele keren gewag
gemaakt van het bestaan van harems en
zelfs een keer van een bordeel in gevangenissen.
Opvallend in de beschrijvingen is ook
de rolverdeling conform het stereotype
man-vrouw. In mannengevangenissen hebben de ‘actieve’ mannen hun traditionele rol, terwijl degenen die de ‘passieve’
rol vervullen veeleer vrouwelijke trekken
(kleding et cetera) hebben.
De eerste beschrijvingen van lesbische verhoudingen in vrouwengevangenissen verschijnen pas aan het eind van
de jaren dertig. Hier ziet men dat actieve
lesbiennes vrouwen zijn die een mannenrol vervullen en zich ook zo kleden,
kappen en gedragen. Een dergelijke lesbienne werd aangeduid met ‘het’ (ono
in het Russisch). Zoals een gevangene
zegt over zichzelf: ‘Ik zie eruit als een
wijf, maar van nature ben ik een kerel
(moezjik)! Ik houd van jonge meisjes.’
De passieven moeten de typische vrouwenrol vervullen. Soms werden de rollen
ook tijdelijk omgedraaid. Ook in de vrouwengevangenissen kwamen zogenaamde
harems voor en in uitzonderlijke gevallen
worden ook andere rituelen beschreven,
zoals een bruiloft tussen een vrouwelijke
bruid en een vrouwelijke bruidegom. Een
voormalig gedetineerde veronderstelt dat
in haar kamp zeker tachtig procent van de
vrouwen seksuele contacten onderhield
met andere vrouwen.
Afsluitend kunnen we concluderen dat
homoseksualiteit in de gevangenissen en
de kampen altijd bestaan heeft. Mannen
die de ‘passieve’ rol vervulden hadden
steeds de laagste posities, ze waren in wezen paria’s en vogelvrij (bij vrouwen is het
beeld op dit punt niet geheel duidelijk).
De bronnen uit de tsaristische periode zijn
niet talrijk. Latere bronnen, onder meer
die van schrijvers zoals Andrej Amalrik
en Joez Alesjkovski en andere ooggetuigen, zijn wellicht mede beïnvloed door de
vrijere seksuele moraal van de jaren zestig
en de openheid van glasnost en perestrojka en gedurende de daaropvolgende jaren
negentig. In deze bronnen worden gedetailleerde, wrange details gegeven, zoals
bijvoorbeeld de hierboven beschreven
methodes om een gevangene tot passief
homoseksueel te maken.