Lidija Tsjoekovskaja. Het open woord. Vertaling
Emma de Klerk. A.A. Hoogteiling, Amsterdam
2023, 182 p.
Lidija Tsjoekovskaja is nu een min of meer
vergeten schrijfster en activiste die in de jaren
zeventig regelmatig in de actualiteit kwam
door protestacties in de Sovjet-Unie tegen de
censuur, de repressie, de restalinisering, het
uitsluiten van dissidente schrijvers, waarin
ze het soms alleen en altijd moedig en onverschrokken
opnam tegen de knechting van het
vrije woord na de dood van Stalin.
Van haar zijn twee literaire werken vertaald
in het Nederlands: Duik in het diepe
(1973) en Het verlaten huis (1965), allebei
waardevolle werken omdat ze geschreven zijn
op het ogenblik dat de gebeurtenissen plaatsvonden
en niet vele jaren later, met allerlei
gedachten-achteraf, maar met de inzichten op
het moment zelf. Dat is in de Sovjetliteratuur
zeldzaam. Beroemd is ze ook geworden door
haar herinneringen aan haar vriendschap met
de grande dame van de Russische literatuur
van de twintigste eeuw, Anna Achmatova:
Ontmoetingen met Anna Achmatova 1938-
1962 (1982).
Maar haar publicistische werk, haar geschriften,
acties, protestbrieven ten gunste van
de dissidenten en het vrije woord zijn in onze
taal onbekend. Ze werden gebundeld en in het
Russisch uitgegeven in New York in 1976; ze
konden pas in 1991 in Rusland heruitgegeven
worden. Onlangs werden ze vertaald naar het
Nederlands. De lezer zou zich de vraag kunnen
stellen of het nog zin heeft om te herinneren aan
petities en protestbrieven van de jaren zeventig
ten gunste van mensen die al lang niet meer bestaan
en over wie niemand nog spreekt en wier
doelstellingen, zou men denken, inmiddels
toch bereikt zijn? Dit zou deze vertaalbundel veroordelen tot een beperkt lezerspubliek van
slavisten en andere specialisten, maar de opzet
en de ambitie van deze vertaling is veel breder:
wat nu gebeurt in Rusland vertoont zoveel parallellen
met wat Tsjoekovskaja in deze bundel
beschrijft, dat we alleen maar kunnen concluderen
dat de geschiedenis zich herhaalt. En dat
na vijf jaar perestrojka en glasnost, na tien jaar
democratisering onder Jeltsin, na twintig jaar
bewind van Poetin. Dit is het resultaat na een
kwarteeuw vrijheid, de eerste keer in de Russische
geschiedenis dat vrijheid in dergelijke
mate mogelijk was, blijkbaar iets waartoe Russen
niet in staat zijn of wat ze niet aankunnen.
Als je deze teksten van Tsjoekovskaja leest,
slaat de moedeloosheid toe. Ik moest voort durend denken aan dat prachtige chanson van
de populaire bard Aleksandr Galitsj Goudzoekerswals
(‘Staratelski valsok’, waarvan twee
Nederlandse vertalingen bestaan), waarin heel
de problematiek van de ‘schreeuwers’ en de
‘zwijgers’ in de Sovjet-Unie vervat zit: het zijn
goedzoekers, ze weten dat zwijgen goud oplevert.
Onwillekeurig vraag je je ook af bij de
lectuur van deze bundel wat er dan veranderd
is sinds 1991, waarvoor men dertig jaar lang
gevochten heeft in Rusland? Al in de negentiende
eeuw vroeg Aleksandr Herzen zich af :
‘Wie is de schuldige’?
Deze bundel is – helaas – een uiterst actueel
boek en verdient al onze aandacht. Hij
is uitstekend vertaald (door Emma de Klerk)
en van commentaar voorzien, niet overbodig
voor de niet-gespecialiseerde lezer. Ook het
nawoord van Gerrit Jolink over Tsjoekovskaja
(‘Een moedig mens’ , 135-145) en het stuk
van de Amerikaanse slaviste Beth Holmgren
over ‘Vrouwelijke auteurs in de tijd van Stalin’
(151-159) zijn uiterst goed gedocumenteerd en
verhelderend. Bovendien is het boek verzorgd
uitgegeven, in een handig formaat, met een
mooie cover met flappen en in een aangenaam
lettertype.
De sterkste tekst in deze bundel is de brief
die Tsjoekovskaja schreef aan Michail Sjolochov,
kersverse Nobelprijswinnaar (1965),
nadat hij zich uitgesproken had over de veroordeling
van de dissidente schrijvers Sinjavski en
Daniël, omdat ze hun werken in het buitenland
hadden gepubliceerd. Sjolochov vond hun veroordeling
tot zeven en vijf jaar dwangarbeid
aan de lichte kant en vond dat ze gerust tegen
de muur gezet hadden kunnen worden. Tsjoekovskaja
stelt terecht dat dit standpunt van een
collega-schrijver hoogst dubieus is, een schrijver
moet het toch opnemen voor zijns gelijken
en opkomen voor de mens (38). In haar kritiek
op Sjolochovs schandalige uitspraak lanceert
ze een zin die de kern van al haar betogen samenvat
: ‘Ideeën moeten beantwoord worden
met ideeën en niet met opsluiting en dwangarbeid.’
(41) Dit is de essentie van alles wat ze
de Sovjetautoriteiten verwijt: ze praten niet,
ze discussiëren niet, ze voeren niet eens een
‘ideeënstrijd’ (69), ze beweren maar, ze roepen
en schelden, maar leggen niet uit, gaan niet in
discussie met de veroordeelde, meestal citeren
ze de ideeën van de aan de kaak gestelde schrijvers
(bijvoorbeeld Solzjenitsyn) niet, wellicht
bang dat ze de lezer zouden kunnen informeren
en hen wel eens warm zouden kunnen maken
voor nieuwe ideeën. Symptomatisch was in dit opzicht de campagne tegen Nobelprijswinnaar
Pasternak. De Sovjets waren razend toen hij in
1958 de Nobelprijs kreeg, nadat zijn in de Sovjet-
Unie verworpen roman Dokter Zjivago in
Italië gepubliceerd was en wereldwijd opzien
baarde. Overal in het land en in de pers werd
niet de roman besproken, geanalyseerd, werd
niet op onjuistheden of zwakheden gewezen,
maar werd de auteur zwart gemaakt. De opgejaagde
schrijver reageerde met het gedicht
De Nobelprijs: ‘Welk vergrijp dwingt mij me
te verschuilen, / Ben ik soms een schurk, een
bajesklant ? / Heel de wereld heb ik laten huilen
/ Om de schoonheid van mijn vaderland.’
Er verschenen talrijke lezersbrieven in de pers
van de volgende strekking: ‘Ik heb de roman
van de verrader Pasternak niet gelezen, maar
het is een slecht boek en de judas verdient het
uit het land gezet te worden.’ Het oordeel van
Tsjoekovskaja over Sjolochov is niet mals: ze
noemt hem ‘een verrader van de Sovjetliteratuur’
(41).
De steeds weer terugkomende beschuldiging
luidde dat de dissident ‘anti-sovjet’ was,
maar wat betekende dat? Tsjoekovskaja vraagt
herhaaldelijk nu eens toe te lichten wat daar eigenlijk
onder verstaan werd of diende te worden
(25-28) en omdat ze geen antwoord kreeg,
moest ze tot de conclusie komen dat het waarschijnlijk
‘anti-Stalin’ (91) betekende.
De protestbrieven van Tsjoekovskaja staan
vol oneliners en aforismen. Een kleine bloemlezing
: ‘Waar blijven toch degenen die dit
alles [de terreur van de Stalintijd] veroorzaakt
hebben ?’ (50) of ‘Laat uit de dood van onschuldigen
geen nieuwe executies voortkomen,
maar een heldere gedachte. Ik wil dat de machine
wordt gevonnist.’ (52) Ze citeert de grote
criticus van het tsaristische regime Aleksandr
Herzen, die vanuit Londen schreef: ‘Zonder het
vrije woord zijn er geen vrije mensen en zonder
vrije meningsuiting is geen macht in staat
tot binnenlandse hervormingen.’ (55) ‘Zwijgen
steunt het despotisme’ (ook van Herzen). En
Poesjkin parafraserend: ‘Je kunt tegelijkertijd
een genie en een misdadiger zijn. Een genie
en een verrader. Een genie en een leugenaar.’
(104) Actueel is ook de uitspraak: ‘De “eenvoudige
man” is helemaal niet eenvoudig, en
al helemaal niet dom, maar hij is onwetend.’
(105)
Deze en veel andere uitspraken meer mogen
duidelijk maken dat de brieven van Tsjoekovskaja
in het Rusland van nu niet gepubliceerd
zouden kunnen worden. Tien jaar geleden ontmoette
ik op een conferentie in Petersburg een collega uit Siberië, die ik al twintig jaar niet
gezien of gesproken had. Nog voor we goed
en wel elkaar de hand geschud hadden, zei hij
tegen mij: ‘Het is nu slechter dan onder Brezjnev.’
Moedige, onafhankelijke denkers moeten
nu de strijd voeren die vijftig jaar geleden de
dissidenten voerden, maar wel vanuit het buitenland,
de enige plek waar men zonder gevaar
kan spreken – Michail Sjisjkin (Zürich), Viktor
Jerofejev (Duitsland), Aleksandr Skorobogatov
(Antwerpen). L’histoire se répète. Heeft Rusland
dan niets geleerd ?
Deze bundel is uitgegeven in de prachtige
serie «Les bijoux discrets» (‘spraakmakende
juwelen uit de literatuur en kunst’). Het stemt
treurig dat dergelijke juweeltjes geschreven
kunnen (moeten) worden over verschrikkelijke
toestanden. Alleen het woord kan die overwinnen,
zoals Tolstoj het al in 1885 schreef:
‘Ja, het woord is het begin van alles: het woord
is de tempel van de ziel… Het woord is een
godheid die wij kennen, en hij alleen maakt
en verandert de wereld.’ Hij voegt er wel aan
toe: ‘Maar het woord, de geest, heeft jullie
verlaten.’ (121) Tolstoj schreef in 1908 het
pamflet Ik kan niet zwijgen. In de voetsporen
van de grote Tolstoj, wel eens het geweten van
de natie of de ‘tweede tsaar’ genoemd, heeft
Tsjoekovskaja een monument opgericht voor
de ‘slachtoffers van de georganiseerde leugen’
(49) tegen ‘de corruptie van de pen’ (49), tegen
‘de moord op het woord van de waarheid’ (53),
tegen ‘medeplichtigheid door zwijgen’ (55) en
‘de blokkade van het zwijgen’ (128).
Emmanuel Waegemans
Karel Čapek, 9 sprookjes + 1 extra met
illustraties van Josef Čapek. Vertaling en
van een nawoord voorzien: Edgar de Bruin.
Voetnoot, Amsterdam/Antwerpen 2023.
In een fraai door Henrik Barend uitgevoerd
boek met harde kaft, een eigen lettertype en
vele illustraties van Karel Čapeks broer Josef
verscheen heet van de pers bij uitgeverij
Voetnoot 9 sprookjes + 1 extra (Devatero
pohádek a ještě jedna jako přívažek od Josefa
Čapka), namelijk van Josef. De gebroeders
Čapeks deden in 1932 hiermee een poging het
aloude genre van het sprookje nieuw leven in
te blazen. In een artikel van Karel ‘Bijdrage tot
de theorie van het sprookje’ (1930) noemt hij
minstens twee aspecten waarom het sprookje
zo’n aantrekkelijk genre is: het gaat bij elk
sprookje altijd om pure vertelkunst en bij het
klassieke sprookje ook altijd om een afgelegen
plek waar het zich afspeelt, met als stereotiepe
aanvang ‘Er was eens’ en meestal is dat een
koning in een ver rijk. Čapek voldoet in
zijn sprookjes zeker aan het eerste: met veel
plezier stort hij zich in de Lust zu fabulieren,
maakt situatiegrappen, doet quasi-ernstig,
speelt met woorden (reeksen synoniemen,
komische naamgevingen enzovoort), allemaal
eigenschappen die niet alleen het kind
aanspreken maar ook de volwassen lezer.
Tegelijkertijd weten beide auteurs het
genre te vernieuwen door er eigentijdse
elementen aan toe te voegen: detectives die
een wonderlijke kat moeten opsporen en
de hele wereld afreizen, waarbij en passant
ook Nederland wordt aangedaan. Dit sluit
overigens aan bij Karels journalistieke
reisverhalen (onder andere naar Nederland),
maar er is ook een sprookje over een dokter
en over een postbode of een waarin de politie
centraal staat. En wat betreft die verre plekken:
er zijn ook sprookjes die zich gewoon ‘thuis’,
in eigen land, afspelen en waarin behalve
koningen, prinsessen, tovenaars, rovers
en (warm)watermannen ook personages
voorkomen uit de huiselijke sfeer, soms zelfs
met aanwijsbare autobiografische bronnen.
Deze vernieuwing van het sprookje
ging in de pas (in 1918) gestichte republiek
Tsjechoslowakije hand in hand met de drang
om een eigen burgerlijke cultuur te creëren,
burgerlijk in de goede betekenis van het
woord, een die niet langer medebepaald werd
door de Duitstalige cultuur van vroeger, maar
een die stoelt op eigen waarden: op de eigen
taal en op de Tsjechische humaniteit, zoals die
ook bij de eerste president Masaryk, met wie
de gebroeders Čapek nauwe banden hadden,
hoog in het vaandel stond.
Tot slot een pluim voor de vertaler
Edgar de Bruin die bij het vertalen voor tal
van vertaalproblemen kwam te staan, deze
adequaat oploste en die een inzichtelijk
nawoord aan de sprookjes toevoegde.
Kees Mercks