Karol Lesman



De kater van Witkiewicz



Duivelskunstenaar (schrijver, schilder, dramaturg, filosoof, fotograaf, criticus) Stanisław Ignacy Witkiewicz alias Witkacy (1885-1939) schreef in het voorwoord bij Nikotyna, alkohol, kokaina, peyotl, morfina, eter + appendix (1932): ‘Ooit was ik een fighting man, een strijdbaar persoon par excellence, ik had ideeën en ik wilde ervoor vechten, alleen ik wist niet waar en met wie. Ik ben mijn ideeën (de Zuivere Vorm in de schilderkunst en het theater en de hervorming van de artistieke kritiek) niet in het minst ontrouw geworden, alleen ben ik tot de overtuiging gekomen dat ze in elk geval op dit moment voorbarig zijn en misschien is sowieso hun tijd al wel voorbij.’ Het mag duidelijk zijn dat de schrijver van onder andere de roman Nienasycenie (1930, Onverzadigbaarheid, Ned. vertaling 1993) steeds meer gekweld werd door het besef door zijn lezers, maar vooral door de kritiek niet te worden begrepen. Toch heeft dit hem er nooit toe gebracht voorgoed de pen neer te leggen. Vier jaar later bundelde hij bovenstaande ‘essays’ met ander publicistisch werk in een uitgave getiteld Niemyte dusze (1936, ‘Ongewassen zielen’), waarin hij onder andere aandacht besteedde aan de psychologie en het nationale karakter van het Poolse volk dat hij adviseerde zich te onderwerpen aan psychoanalyse als laatste redmiddel tegen een naderend (politiek, maatschappelijk en cultureel) cataclysme. Na eerst zijn landgenoten op hun nationale hoofdzonden te hebben gewezen, wilde hij hen daarvan bevrijden door hun zielen te ‘wassen’ om zo in een ultieme poging zijn gram te halen en met het nodige sarcasme het in de Poolse samenleving aangetroffen onbegrip te bestrijden.

Hoewel het in de inleiding verwoorde uitgangspunt van de schrijver: ‘Ik verklaar officieel dat ik serieus ben in dit schrijven en dat ik eindelijk iets rechtuit nuttigs wil doen…’ wellicht iets anders doet vermoeden, krijgt de lezer toch de indruk dat hier naast sarcasme ook enige ironie in het spel is. Enerzijds was Witkacy (een samentrekking van de eerste lettergreep van zijn achternaam en de laatste twee van zijn tweede voornaam, dit om te voorkomen dat men hem zou verwarren met zijn beroemde vader, de schilder en cultuurcriticus Stanisław Witkiewicz [1851-1915]) namelijk een verklaard tegenstander van de psychoanalyse en anderzijds is hij de in deze brochure door hem zo bekritiseerde (meer of minder) verdovende middelen altijd blijven gebruiken. Bijvoorbeeld tijdens het schilderen van portretten (welke vorm van schilderkunst hij overigens niet als ware kunstuiting maar als utilitaire bezigheid, namelijk als pure broodwinning beschouwde). Als hij klaar was met schilderen/tekenen gaf hij op het doek/het pastel niet alleen nauwgezet aan in welk type (realistisch, abstract enzovoort) het portret was geschilderd/getekend en wanneer, met vermelding van maand (Romeins cijfer), dag (Arabisch cijfer) en soms zelfs uur. Maar ook vermeldde hij meestal wat hij tijdens het schilderen/tekenen had gebruikt. Bijvoorbeeld: Cof (coffeïne), kawa (koffie), her (herbata, thee; soms uitgebreid met de toevoeging ‘Chinese’ of ‘darjeeling’ of de bizarre transcriptie Empedete [van un peu de thé] voor: ‘een beetje thee’). De meeste aandacht kregen echter de wat sterkere genotmiddelen. Zo noteerde Witkiewicz trouw het aantal dagen dat hij wel of geen alcohol (C, van C2H5OH) had gedronken en in welke hoeveelheden en welke alcohol, soms bier (pyfko staat er dan, ‘een biertje’, een witkaciaanse variatie op het gangbare Poolse woord voor bier: piwo). nπ5 (de π is afgeleid van pić = drinken) betekende: ‘vijf dagen niet gedronken’. Even consequent registreerde hij hoeveel dagen hij niet had gerookt, bijvoorbeeld NP4 (van palić = roken) betekende: ‘vier dagen niet gerookt’. Naast het gebruik van nicotine en alcohol wordt ook dat van meer verdovende middelen (cocaïne, peyote, morfine, ether) specifiek vermeld. Met name veel baat beweert Witkacy te hebben bij het gebruik van peyote, deze uit een Mexicaanse cactus verkregen drug. Meer nog dan alcohol leverde peyote in de zin van metafysische beleving een intensivering van visuele en intellectuele ervaringen op en verder had het een fenomenale uitwerking op zijn fysieke mogelijkheden. Hij kreeg er een snellere hand door, waardoor hij automatische bewegingen maakte die een mens onder normale omstandigheden niet kon voortbrengen.

Een van de onaangename bijwerkingen van het gebruik van alcohol is de ’s anderendaags optredende ‘kater’. Een van Witkiewicz’ grootste ergernissen, in elk geval op taalkundig gebied, was het ontbreken van een adequaat Pools woord voor deze miserabele gesteldheid. Het Poolse woord is rechtstreeks afgeleid van het Duitse Katzenjammer: kac. Witkacy (zou de gedeeltelijke klankovereenkomst van invloed geweest bij deze ergernis?) heeft veel moeite gedaan om een nieuw woord te introduceren. Maar zelfs het veelvuldig door hem gebezigde glątwa, dat van alle door hem voorgestelde nieuwe woorden nog de meeste kans maakte, is nooit een gangbare Poolse uitdrukking geworden. Datzelfde geldt overigens in onze taal voor de Nederlandse vertaling ervan: ‘glonder’.


Stanisław Ignacy Witkiewicz



Alcohol (C2H5OH)



Er is al zoveel over die onzalige alcohol geschreven dat je er niet goed van wordt als er in deze kwestie weer eens ‘de pen wordt opgenomen’, zoals (overigens in negatieve zin) in een zeker interview Ferdynand Goetel heeft gezegd. Wat te doen: iets dient over dit onderwerp te worden gezegd als men in de loop van vijftien jaar ‘plenty’ hectoliters van dit vocht heeft gedronken en enige kennis bezit over de zowel positieve als negatieve effecten ervan.1

Ik ben voor absolute prohibitie, maar ik moet toegeven dat alcohol soms, hoewel je uiteindelijk ook geheel zonder kunt, een heleboel zowel innerlijke als ook uiterlijke misverstanden oplost. Wat mij betreft mag hij, althans voorlopig, uitsluitend worden toegestaan aan kunstenaars en literatoren die met absolute zekerheid weten dat zij in korte tijd geheel kunnen ‘opbranden’ en onherroepelijk zonder de hulp van alcohol niets waardevols zouden kunnen presteren. Maar dit probleem ten aanzien van de onbelangrijkheid van de literatuur die in onze tijd steeds meer op apegapen ligt (daarover elders uitgebreider) en het einde van de kunst dat zelfs voor de grootste giganten van het optimisme geen mythe2 meer is, verliest aan – reeds schijnbare – kwaadaardigheid. Wat heeft iemand eraan en waarom zouden zelfs kunstenaars zich met verdovende middelen moeten vergiftigen, als niemand op hun laatste formele stuiptrekkingen zit te wachten. En op andere terreinen zorgt alcohol zo niet onmiddellijk dan toch in de loop van al een paar jaar voor zulke negatieve psychische effecten, dat de reactie van elk zichzelf respecterend mens en elke zichzelf respecterende samenleving absolute (zelfs het kleinste pintje uitgesloten!!) abstinentie en prohibitie zou moeten zijn. En laten zogenaamde ‘gematigde’ (dat zijn de ergste) alcoholici ophouden over een toegenomen behoefte aan andere verdovende middelen, over ‘het gezonde’ van kleine doses, over de noodzaak van het gebruik van namaakproducten en meer van dat soort flauwekul. Op die manier zou geen enkel groots idee ooit in praktijk zijn gebracht. Alleen een haarscherpe probleemstelling door een kleine groep mensen maakt een langzame filtering van veranderingen in de krachteloze lichamen van samenlevingen mogelijk. Maar vervolgens kan alleen een georganiseerde actie desnoods gedeeltelijk de goede gevolgen consolideren en een geconcentreerd idee in desem oplossen, aanvankelijk zwak maar waarvan de kracht onafgebroken zal groeien naarmate er voortdurend en inspannend wordt gehandeld. Een met matiging geponeerde kwestie is op voorhand gedoemd te mislukken. De wereld gaat schoksgewijs vooruit (in bepaalde sferen respectievelijk achteruit) en zonder revolutie in de breedste betekenis van het woord zouden we nog steeds in een tijdperk van totemisme, magie en kannibalisme leven. Misschien dat we gelukkiger zouden zijn geweest, wie weet? Maar als de samenleving het individu nu eenmaal heeft geknecht, moet zij dat ook maar snel helemaal doen. Het bedrieglijke tijdperk van democratische pseudovrijheden loopt op zijn einde. Het begrip democratie was het laatste masker voor zieltogende, oude, in staat van verval verkerende waarden. Daarom ben ik van mening dat ook al is Europa op het gebied van zenuwen behoorlijk geschokt en mismaakt uit de oorlog gekomen er, ondanks de crisis die dat voor korte tijd zou kunnen veroorzaken, gestreefd zou moeten worden naar volledige prohibitie op psychologisch vlak en niet naar het fysiologische bewust maken van al zijn burgers. Zelfs als een nu nog gematigd alcoholisme een schijnbaar positieve invloed kan hebben op een pijnloze mechanisering van de mensheid, dan zal die dit moeten bekopen met een depressie waarvan de gevolgen gedurende honderden jaren zullen moeten worden bestreden, terwijl abstinentie kan worden bereikt dankzij een eenmalige morele en fysieke schok van één generatie.

Het is een feit dat men bij het gebruik van alcohol op een gegeven moment daden kan verrichten die zonder alcohol op dat bepaalde moment onmogelijk zouden zijn. Het gaat erom of binnen het betreffende vak of bij een bepaalde psychische structuur het de moeite waard is een toekomstige ruïne te riskeren voor het achterwege blijven van daden en werken, hetgeen uiteindelijk ook zou kunnen worden bereikt door harder te werken en een grotere inspanning te leveren zonder die hulp.

Het lijkt erop dat de enige sfeer waarin dat probleem nog (let op dat ‘nog’) de schijn van belangrijkheid heeft het artistieke en literaire scheppen is. Want welbeschouwd zal het gegeven dat een ‘veelschrijver’ of ‘artistieke nar’ (want zo moeten deze verdwijnende soort van ci-devants van geestelijke werknemers in relatie tot de omvang van maatschappelijke veranderingen genoemd worden) vroeg of laat aan zijn einde komt een kleine troost of kommernis zijn, te meer daar wij nooit (in tegenstelling tot andere sferen van het handelen) zullen kunnen voorzien wat hij nog zou kunnen verrichten en of hij op het juiste moment aan zijn einde is gekomen. Deze sfeer kenmerkt het fantastische van de psychologie, onberekenbaarheid en zenuwachtigheid: hier komt het element van de zogenaamde ‘inspiratie’ om de hoek kijken. Ik zeg dit zonder mijn ogen omhoog te richten, volkomen recht voor zijn raap: inspiratie is een feit en wel een feit dat in bepaalde opzichten even gewoon is als eten en drinken. Alleen is het niet mogelijk precies de omstandigheden van het ontstaan ervan te leren kennen: soms kan zelfs een enkel glaasje wodka de oorzaak zijn van het scheppen van waarachtig grootse zaken als point de déclenchement (hier hebben we geen Pools woord voor, en dat is jammer). Alles hangt af van de afstand die er bestaat tussen een bepaald leven en een zeker oeuvre. Ik wil alleen sommige mensen wijzen op het volgende onaangename geval: men zou zichzelf als iemand van de korte afstand kunnen beschouwen en na zich hartgrondig voortijdig te hebben vernietigd zonder de zichzelf en anderen beloofde werken te hebben vervaardigd, oog in oog kunnen staan met krankzinnige verlangens op langere termijn en dan niet meer over voldoende kracht noch adequate innerlijke organisatie beschikken om aan deze te voldoen. Inspiratie doe je ook niet toevallig op, buiten bepaalde grenzen waarbinnen zij zich uit zichzelf aandient. Als iemand in de ruimte die zich tussen deze momenten bevindt het slechts op een pimpelen zet, achter de meiden aan zit, de bioscoop of de dancing bezoekt, zal hij deze gave bijzonder snel verkwanselen. Het enige wat kunstenaars en literatoren rest is het vullen van momenten van creatieve leegheid met intellectuele arbeid. Maar weinigen die dit vandaag de dag kunnen opbrengen. Zij, de arme stakkers, vinden dat saai; zij amuseren zich liever; maar ver zullen ze op die manier niet komen. Dat kun je al zien aan de vorige generatie, en die ‘allerjongsten’ verspillen, lijkt het wel, in een nog hoger tempo hun kracht, en alcohol is hier met nicotine niet zonder reden van de partij. Maar genoeg over hen, het is een uitstervend ras. Het had ook in wat mooier en machtiger vormen kunnen uitsterven, maar ja, het is niet anders. Maar als het gaat om alle andere activisten en werknemers, in hun geval moeten wij ons met alle geweld tegen de alcohol verklaren. Ikzelf heb tot mijn dertigste vrijwel niet gedronken. Later heb ik soms alcohol gebruikt bij het schrijven van een eerste schets voor een toneelstuk. Ik heb beslist niet in staat van dronkenschap geschreven, alleen als gevolg van de wens om in korte tijd het geheel te schetsen moest ik mezelf sterken met een paar wodka’s, gewoon om mezelf wat meer kracht te schenken. Mijn romans zijn in weerwil van wat sommigen beweren compleet Narkotik- und Alkoholfrei. Wel heb ik in staat van dronkenschap getekend, toegegeven, en niet alleen in staat van dronkenschap, maar heb ik ook geëxperimenteerd met alle bekende verdovende middelen en hoewel ik die gesteldheden als zodanig niet erken, heb ik bij het maken van portretten juist in deze gesteldheden op zeer kleine schaal dingen gedaan die ik zeker zonder dat nooit voor elkaar zou hebben gekregen. Ik wil hierbij alleen wel opmerken dat ik deze werken niet beschouw als voltooide kunstwerken, maar wel in hun soort als iets volkomen anders. Het portret als zodanig is een psychologisch spel met behulp van artistieke middelen, maar geen kunstwerk; dat zou het uiteraard onder bepaalde voorwaarden wel kunnen zijn, zoals ook drie appels op een servet of een stierengevecht. Maar genoeg hierover; het is zo saai, ik denk erover me niet langer in te laten met kunst noch theorie.

Welnu, wie kent niet de vreemdheid van de eerste momenten van de kennismaking met alcohol. Ik zal hier nu een analyse van deze momenten achterwege laten, om niemand op een idee te brengen. Het tot alcoholisme vervallen vindt vele malen sneller plaats dan de gewenning aan nicotine. Ik was een heel erg beginnend dronkaard, toch kan ik erover meepraten. Alcohol werkt vele malen sterker dan nicotine, geeft zogenaamde ‘vleugels’ aan gedachten en gevoelens. Alles lijkt gemakkelijk en dichtbij, tot en met de moeilijkste dingen, het lijkt of reiken alleen volstaat. Een mens reikt en zelfs bij de eerste, tweede keer blijft er iets in zijn hand achter. Hij reikt voor de derde en de vierde maal en er blijft steeds minder achter. Maar de aardigheid van het gemakkelijk reiken is groot en zo ‘verreikt’ de mens zich snel, zodat er later niets meer voor hem over is, terwijl het reiken voortduurt en niet verder komt dan plannen maken. Alcoholici leven bij de gratie van plannen maken; ze houden op met het beoordelen van de objectieve resultaten van hun eigen schijninspanning. Want de inspanning is schijn en met elke keer van zich verlaten op de hulp van het ‘doorzichtige goedje’ verzwakt het vermogen om een werkelijke wilsdaad op te brengen, welke de basis kan vormen voor verdere actie. Alcohol vernietigt deze basis, waarbij hij de verslaafde gewent aan het vervangen van de authentieke wil door een prothese. Daar waar nicotine slechts een hulpmiddel is, drogeert, maar je uiteindelijk alles zelf moet doen, daar geeft alcohol de illusie van iets te scheppen en daarin ligt het grotere gevaar ervan. Het is echter alleen een illusie: hij stelt in staat het gegeven materiaal te combineren, maar schept geen nieuwe dingen, tenzij er technische kwesties aan de orde zijn, zoals een bepaalde geraffineerde beheersing van de handen (of andere ledematen) bij het maken van een snelle schets (en dat speciaal bij het tekenen volgens de natuur), het improviseren bijvoorbeeld op de piano, bij het biljartspel (kleine doseringen!!), bij geïmproviseerde dans en andere minder hoogstaande handelingen. Maar onherroepelijk fataal is hij overal waar het aankomt op opereren met begrippen. Hij vergemakkelijkt verbindingen, hij kan helpen bij het ad hoc construeren van een humoristisch verhaal bijvoorbeeld, maar hij helpt niet waar een capaciteit van hogere centra in het geding is, bij het componeren van poëzie, toneelstukken en romans, ook al zijn de twee eerste fenomenen kunstvormen en de derde niet: hun materiaal vormen begrippen. Gevoelsmatige associaties volgen elkaar snel op en zonder al te veel inspanning, en vaak laten zich uit hen, als uit materie, nog nuchter hogere waarden destilleren, maar als het aankomt op het ‘concipiëren’ op zich, dan is de werking van alcohol een drogbeeld, met name voor schizoïde types. Een pycnicus zal nog gemakkelijker uit de weg kunnen met een cerebrale kortsluiting, vanwege de lagen lipoïden waarmee zijn zenuwen en gangliën zijn bedekt. Maar zelfs voor een beginnende ‘schizio’ is alcohol fataal. Hij legt de zenuwen bloot die weliswaar trillen en sidderen, doch als de onderdelen van een klepperende rammelkast en niet met de gezonde polsslag van een machtige machine. Maar het acute genot is groter: de alcohol verdrijft de saaiheid, dat integraal deel van waarlijk grootse creativiteit, amuseert te veel met de eigen daad van het scheppen en laat geen mogelijkheid voor controle van de resultaten door een algemeen optimistische toon van het geheel van het proces; dit geldt niet alleen voor het werk maar voor alles. Hij staat namelijk niet toe de negatieve kanten te zien van geen enkel verschijnsel, maakt een eventuele kritische houding onschadelijk, gebiedt in verrukking te komen voor de schandelijkste flauwekul, dwingt tot het zien van verholen constructies waar sprake is van vuilnisbakkenchaos, desorganisatie en verrotting. Vandaar dat alcohol de oorzaak is van het ontstaan van de zowel bij ons als in Rusland algemeen verspreide psychologie van het ‘miskende genie’, wie weet wel als gevolg van het overmatig gebruik van deze drank. Dit zijn allemaal, zou je kunnen zeggen, positieve doch tijdelijke gevolgen van alcohol. Nicotine geeft een zwakke reactie, alcohol een ronduit monstrueuze. Als een voorlopig licht symptoom van abstinentie doet zich de volgende dag de zogenaamde Katzenjammer voor ofwel in het Pools ‘glonder’. Aan de hand daarvan kun je het eindstadium in de kiem zien, dat bij sommigen al een jaar of twee optreedt sinds het moment dat men alcohol overmatig is gaan gebruiken, afhankelijk van de kracht van het zenuwstelsel en andere organen. Die gesteldheid moet worden overgoten met een nieuwe dosering, zo niet onmiddellijk (wat in sommige gevallen, indien de dosering niet te groot is en niet het begin van een nieuw slempen, gunstig is), dan wel na enige tijd. Aangezien een dergelijke vergiftiging drie tot vier dagen duurt en als gevolg daarvan zelfs na het verdwijnen van de symptomen de karakteristieke verveling van alcoholici teweegbrengt: alles lijkt niet je dat, de verre horizon is vernageld, het gevoel dat wat ook maar wordt aangevangen moet eindigen in een nederlaag, verrot pessimisme, de indruk dat het leven kort is, niets is de moeite waard om aan te vangen – ach, wat zou het, dan leef ik maar vijf jaar minder en kaboem – we nemen er nog een – gewoonlijk komt er dan iemand langs die in eenzelfde staat verkeert, wat het beginnen van een nieuwe serie aanzienlijk zal vergemakkelijken en daarmee basta: de betreffende persoon bevindt zich reeds op een hellend vlak. Oude illusies keren terug: het is helemaal niet zo slecht, vanaf morgen begin ik een nieuw leven, we gaan immers niet meer drinken. Het was enkel de bedoeling datgene te zien wat er zich op de bodem bevindt. Er bevindt zich daar nog iets, dus natuurlijk woedt en borrelt het onder invloed van wodka en het deint, en de gewone regenplas van de alledaagsheid lijkt een dreigende, schitterende zee en de erop drijvende afvalresten imiteren grote schepen die schatten aanvoeren naar onbekende kusten. Maar weinigen zullen na drie beurten stoppen. Voornamelijk (en dat is het type van de Russische dronkaard) bereik je de absolute bodem, waarbij men zich niet tevreden stelt met het woelen van het oppervlak van de eigen poel. Daar komt het inzicht tot stand in de leegheid en de noodzaak van het verder slempen, tot aan het volledige verlies van elke waardering, tot aan het verachtelijke, tragische poedelen in de eigen mislukking, waarna de uiteindelijke tevredenheid volgt. Sommigen drinken juist die ‘paar wodkaatjes’ en daarna doen ze sowieso nog iets; dit is het type dat op de langere termijn gevaarlijker is, het zijn kandidaten voor daagse alcoholici. Anderen gieten zich helemaal vol en moeten een paar maanden, weken, vervolgens dagen pauzeren. Maar uiteindelijk convergeren die twee ‘ontwikkelingslijnen’ zich naar een gemeenschappelijke richting: de eersten vergroten hun dosis van een ‘paar wodkaatjes’ tot een twintig-, dertigtal en meer, terwijl de anderen de intervallen van grotere zogenaamde ‘collisies’ verkleinen. Beiden dreigt eenzelfde resultaat: idiotie, wilsuitval, onmacht, onvermogen om wat dan ook te doen. Uiteraard zullen de optimisten tegen me zeggen dat ze een ‘oom’ hadden die als een kranig, rossig oud mannetje op de leeftijd van tweeënnegentig jaar aan zijn einde is gekomen, die elke dag voor het middageten en het avondeten een ‘literaatje’ vel ‘engelsje’ zuivere wodka dronk, of een oma die zich van ’s morgens vroeg met ‘kruidendrankjes’ besprenkelde, ofwel om de twee uur een klein met een, overigens onschadelijk, grassprietje gekleurd wodkaatje naar binnen goot. Hierop zeg ik tegen deze lieden: uitzonderingen betekenen niets en het oude mannetje zou misschien nog wel veel kraniger zijn geweest en oma zou niet op de leeftijd van vijfentachtig jaar zijn gestorven, maar honderd jaar zijn geworden. Oudere mensen beweren vaak dat ze te lang leven: dus misschien zou het beter zijn als ze zopen? Wie weet? Ik ga hier nu niet in op deze neo-pseudo-malthusiaanse problemen. In Australië eet men oude mensen en overtollige kinderen op als gevolg van het nomaden- en daklozenleven van de door degeneratie uitstervende volkeren aldaar. Ethiek is een relatieve kwestie: ze komt neer op de verhouding van het individu tot een maatschappelijke groep die afhangt van duizend variabele factoren. En trouwens, het principe van de onschadelijkheid van alcohol is alleen van toepassing op ultra-pyknici en kan niet in aanmerking worden genomen als het gaat om de tonus en polsslag van de hele samenleving, ondanks het feit dat volgens mij de pyknici in de algehele ontwikkeling de bovenhand krijgen boven de in verval rakende schizoïde types die hun perihelium tegen het einde van de achttiende eeuw zijn gepasseerd. Lees sowieso Kretschmer, beste lezers, dat zal jullie goeddoen, hoewel een zekere criticus, dhr. Furmański, de voorkeur geeft aan en zelfs een lans breekt voor De wildevrouw (ik weet niet eens van wie dat is), na het lezen van mijn roman die als nevendoel het aanzetten van de goegemeente tot een grotere overintellectualisering van zelfs de alledaagse dag zou moeten hebben.

Welnu, terug naar de alcohol: alcohol is saai. Dat weten zij die ook maar in lichte mate zijn begonnen met overmatig gebruiken. Het geeft aanvankelijk de illusie van oneindige ruimten van de geest die met behulp ervan kunnen worden bereikt. (Nicotine is ook saai, maar die belooft tenminste bijna niks.) Het lijkt na de eerste glaasjes (sowieso in het leven en vervolgens aan het begin van elke popojka3) alsof alcohol ongelooflijke innovatieve eigenschappen bezit. Alleen het gemak van combineren van bekende elementen geeft de onervaren dronkenman die illusie. En als hij erachter komt dat hij bedrogen is, is het vaak al te laat om weer terug te keren van het eenmaal ingeslagen pad. Met wanhoop in het hart jaagt hij verder over het hellend vlak van zijn nederlaag, waarbij hij zijn angst voor verdwazing en die specifieke zwaarmoedigheid van abstinentie met nieuwe doses ‘vuurwater’ begiet en ondertussen de dosering verhoogt in een poging terug te keren naar die eerste momenten van extase. Tevergeefs. Zoals elk verdovend middel of excitant kent alcohol zijn grenzen. Behalve een zekere dosis geeft hij al niet meer die momenten van de eerste roes, waarmee hij de ongelukkige in zijn, zoals dat in de volksmond heet, schatkamers van twijfelachtige waarde binnentrok. Er komt een einde aan de opwinding: de wanhoop kan uitsluitend overwonnen worden door verdwazing. Maar zelfs ten tijde van zijn grootste ‘interessanterigheid’ kan alcohol de oorzaak zijn voor een volledige vervorming van het leven, van het op een lokaal zijspoor of zelfs dood spoor zetten, direct achter het beginstation en dat onafhankelijk van de slechte uitkomsten op langere termijn, alleen als gevolg van het aan de bedwelmde in een volkomen vals licht tonen van zijn gevoelens, ervaringen en mensen (wat vooral geldt voor vrouwen). En vaak heeft zo’n van de weg raken onder invloed van het tijdelijke effect van C2H5OH later betekenis voor het hele leven en kan leiden tot een verder programmatisch alcoholisme als enig middel om de klappen van het lot op te vangen, om nog maar te zwijgen van de vreselijke ruzies, moordpartijen, enzovoort, zaken waarover al zoveel is geschreven. Maar dat zijn finale of uitzonderlijke verschijnselen. Mij gaat het alleen om het belichten van de beginselen zelf van de verslaving waarin zij verstopt zitten en het tonen van deze ‘glonderige’ gesteldheden waarin we ze in de kiem kunnen observeren. Eenmalig dronken worden en vooral de daaropvolgende ‘glonder’ zijn vaak een weerspiegeling in miniatuur van dat hele later hopeloos verprutste leven.

We gaan verder: slechts tot op zekere hoogte prikkelt alcohol de verbeelding en vormt schijnbaar nieuwe combinaties van begrippen, produceert een fluïdum van empathie tussen in wezen onverenigbare types en vergemakkelijkt de gevoelsmatige overeenstemming, daarbij tijdens de werking gesprekken en belevenissen tot op de rand van extase versterkend. Altijd na het ontwaken uit extase en met name tijdens de daarna onvermijdelijk optredende ‘glonder’ ziet men de waardeloosheid van beleefde toestanden en gesproken woorden; helaas is het vaak te laat om een en ander nog terug te draaien en drinkt men daarna opnieuw om een terugkeer te bewerkstelligen naar het ‘kunstmatig paradijs’ waarin het gevoel van de zinloosheid van de kosmos verdwijnt en alles noodzakelijk lijkt in zijn volmaaktheid als door middel van een algemene formele conceptie verbonden elementen van een heus kunstwerk. Deze illusoire vorm krijgt de amorfe brij van het leven vaak aangereikt van een bedrieglijke trooster: de alcohol. Deze vorm trekt met de damp van spiritus als een nevel op, ofschoon hij nog maar een paar uur daarvoor het voorkomen had van een constructie van gewapend beton: de werkelijkheid spert zijn geleiachtige, stinkende muil naar ons open en staart ons aan met zijn spottende, door de wilde wanhoop van het bedrog uitgelopen ogen; dat alles gekarakteriseerd tot monsterachtigheid onder invloed van algehele ontwaarding en innerlijke verrimpeling als gevolg van een postalcoholische ‘glonder’. Maar aanvankelijk is met behulp van grotere doseringen van het gif een terugkeer naar de oude extase nog altijd mogelijk en kan men een desnoods armzalige illusie van het leven hebben. Van ‘popojka’s’ blijven echter herinneringen over aan een betere wereld, hoewel het ten tijde van abstinentie steeds moeilijker wordt uitkomsten van een zogenaamde ‘hoge vlucht’ naar een voorwaar onaardse perfectie te verwerkelijken. Tegenzin, woede om het minste of geringste, het rottige behandelen van de naasten en meest welwillenden, ja zelfs de meest geliefde mensen, het onvermogen om de aandacht vast te houden, het voortdurend zoeken naar onverschillig welk gezelschap, zure en bittere onrust, slapeloosheid ’s nachts en een zware slaap in de ochtend, waaruit het maar moeilijk is wakker te worden, in plaats van de blijdschap om het wakker worden vrees voor het leven, afname van zowel civiele als militaire moed en een ondraaglijke zwaarte in het hoofd bij elke intellectuele inspanning: ziedaar de eerste symptomen (voorlopig nog zwakke) van een naderend einde van de eerste akte van het treurspel. Dan kun je nog zonder al te veel inspanning terug. Maar wie weet die op te brengen. Op dat punt zijn het allemaal uilskuikens, de verstandigsten onder jullie: zelfs de aanblik van een uitgegroeide lever maakt jullie nog niet eens bang. Zulke symptomen dienen ‘overgoten’ te worden, dat is jullie enige uitweg. Maar later (die eerste periode is individueel wat lengte betreft: bij de een kan ze een jaar duren, bij de ander twintig) komt de tijd dat een dosis alcohol die het organisme zonder sterke vergiftiging aankan niet langer volstaat om de hierboven genoemde staten te overwinnen. Erger nog: na een korte tijd waarin symptomen van alcoholische saaiheid optreden en die zo tragisch is voor de echte, waarlijk aan zijn geliefde vocht gehechte alcoholicus (hij voelt zich dan op zijn minst als een bedrogen minnares) treedt een periode in van versterking van kwalijke gesteldheden onder invloed van een overmatig gebruik van C2H5OH. Het is de tijd waarin men onvoorwaardelijk zou moeten stoppen met drinken, aangezien in het geval van een verder voortploeteren in zijn verslaving niet alleen een steeds slechtere ‘glonder’ en leed van geringere aard voor de omgeving dreigen, maar ook strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor verschillende, niet alleen morele, beschadigingen van diezelfde omgeving. Dan begint de periode van de woede: de alcohol heeft de bodem bereikt, maar op de bodem zien we slechts een door het voortdurend op eigen vermogen terend leven gecreëerde leegte, een systematisch overgoten verval van de geest en het volkomen vertrouwen op een oplossing van deze problemen door middel van ‘een paar wodkaatjes’. Een alcoholicus wordt al kwaad van een paar glaasjes. Eerdere ‘cordiale’ belevenissen alsook een idealisering van mens en wereld onder invloed van het met een afgrijselijk goedje begieten van de gangliën zijn verdwenen. Al wat kwalijk is komt naar boven uit de mens die immers slechts een gedresseerd rund is en niet meer dan dat. De rol van temmer wordt gespeeld door de samenleving die zelfs in weerwil van haar verreikende instincten (het is een creatie die sinds mensenheugenis haar formele instincten bezit, te beginnen bij het tijdperk van totemistische clans) een gematigd alcoholisme tolereert voor ambulante doelen van bevrediging van metafysisch-runderachtige gesteldheden van haar ‘burgers’. En dus veranderen vrienden in vijanden, wier slechte behandeling begint met het hun zeggen van zogenaamde ‘bittere waarheden’, welke hun voor eigen bestwil alleen een mordicus dronkaard niet zal besparen, die schijnbare verdediger van de waarheid en vijand van elk mogelijk zelfbedrog, hij die tot over zijn oren bedrogen wordt door zijn verslaving, dat onzalig restant van een mens dat het recht niet heeft een nuchter individu in de ogen te kijken. De heiligste gevoelens veranderen in symbolen van teloorgang, hij spaart zijn naasten niet en zelfs die worden voor hem de belangrijkste oorzaken van zijn ongeluk en ontbinding. Dus vooral lijden vaak (niet altijd) van de prins geen kwaad wetende vrouwen. Hij behandelt hen honds, tot slaan (en slachten) aan toe, overtuigd als hij is van zijn onvoorwaardelijke superioriteit. En daarna komt de samenleving die een ‘grote individualist’ heeft vermoord. En dat soort symptomen doet zich niet alleen bij armoedzaaiers voor, maar ook aan de top van de samenleving, zelfs bij objectieve voorspoed. Want aan alcohol ontsproten megalomanie en egoïsme kennen geen grenzen van verzadiging. Het dorpshoofd van een klein dorp zal zijn heerszucht niet bevredigen voordat hij op zijn minst een Siamese koning is, een onbeduidende veelschrijver moet en zal een grote en over de hele wereld beroemde auteur worden, het eerste het beste officiertje een groot leider na wiens stamp met de laars miljoenen mensen de dood zullen vinden, een klein uitbatertje een grote transactor van de hypermammon die dan pas de mensheid onder zijn weldaden zal bedelven. De wereld is te klein voor zo’n meneer. Hij zou alles op willen vreten, alles uit willen kotsen en nog een keer op willen vreten, en in plaats van tanden in zijn muil heeft hij slechts een walgelijke tong en giftig speeksel waarmee hij uit afgunst alles bespuugt wat tot voor kort nog heilig voor hem kon zijn en vandaag de dag slechts het object is van de ongezonde lust van een impotente geblaseerde. De nietigste symptomen van soortgelijke aard die men kan tegenkomen in de smerigste kroegen op de hoek (per se op de hoek; kroegen houden van hoeken) tot en met de paleizen en plaatsen van samenkomst van de allergrootste mogols en hoge pieten die het in een bepaald land voor het zeggen hebben, zouden het definitieve signaal moeten zijn voor de alcoholicus om onherroepelijk te stoppen met drinken en zich via een foltering van enkele maanden abstinentie uit de tentakels van een hem leegzuigende poliep te bevrijden. Maar hij kent maar één redding: zich teut zuipen met een volledige afstomping tot gevolg, voor zover de officier van justitie niet in een eerder stadium bij hem heeft aangeklopt. En dan is het einde daar. Geheel genezen kan zo’n vod zelfs nog onschadelijk leven (hij zal niets goeds noch kwaads kunnen presteren), hij is inmiddels een volslagen slapjanus, of hij moet kunstenaar (brrr!) zijn. Dan kan hij nog op de puinhopen van zijn persoonlijkheid zijn laatste meeslepende sprong naar het niets maken. Maar er zijn kunstenaars die in creatief opzicht ten onder gaan en je hebt er die juist alleen hun eigen nietigheid verdrinken, afgezien van het vreemde soort van hen die zichzelf als mensen in samenhang met hun creativiteit creëren.

Wat de arbeidsproductiviteit betreft tijdens de alcoholisatie, deze zal aanvankelijk beslist hoger zijn. Maar alcohol doet vele malen meer een beroep op het zenuwstelsel dan nicotine en de reactie die op een dergelijk beroep volgt zal zo groot zijn, dat hij op langere termijn absoluut niet loont. Er bestaan vele andere middelen die in geval van een schielijke behoefte aan het binnen afzienbare tijd verrichten van een plotselinge en een zwaar maatschappelijke en zelfs fysieke inspanning verlangende arbeid het verschrikkelijke, transparante vocht volledig kunnen vervangen zonder vervolgens een ineenstorting van vermoeide centra tot stand te brengen en vooral zonder gewenning te veroorzaken: cola (en meer in het bijzonder bij een combinatie van fysieke en verstandelijke inspanning), strychnine en bovenal glycerofosfaat ofwel fosfiet. Al deze middelen heeft de schrijver persoonlijk uitgeprobeerd met voortreffelijk resultaat. Ze zijn op een onschuldige manier prikkelend en fosforpreparaten voeden zonder meer de door het werk fosforarme gangliën zonder dat enige opwinding wordt veroorzaakt. Uiteraard zal een gestaag gebruik ervan ook leiden tot negatieve gevolgen: het onvermogen om zonder uitwendige prikkel enige inspanning te verrichten. We hebben het hier over acute gevallen, waaruit men zich met minimale schade voor het organisme dient te redden. De hierboven genoemde specifica worden ook aanbevolen voor mensen die van het roken en drinken proberen af te komen. Het ‘met alcohol’ werken is een roofbouweconomie voor kortere tijd en het daarna optredende onvermogen om zonder uitwendige prikkel een inspanning te leveren wreekt zich op een verschrikkelijke manier en wikkelt de ongelukkige werknemer die de meest fundamentele wet van het functioneren van zijn machine wil bedotten in die vicieuze cirkel waaruit geen andere uitweg meer is dan het zich lam of erger nog krankzinnig zuipen. Een staat van krankzinnigheid die naar het schijnt in ontwikkelde vorm behoorlijk onaangenaam is, kan men observeren in een elegant uitgevoerde miniatuurversie bij een desnoods licht ‘glondertje’ na een kleine, alleraardigste ‘popojka’. Dat trillen van het ganse lichaam waarvan niet bekend is of het wel bij het lichaam zal ophouden, dat zijn eerder trillinkjes van de ziel die niet in staat is de gedislokeerde delen te verzamelen, het onvermogen om te spreken: geprevel zonder kop of staart waarvoor een mens zich, met een pijnlijke blik om zich heen spiedend, quasi redding zoekend in de ongevoelige wereld rondom hem, geneert. Een ongedefinieerde angst voor bepaalde monsterlijke nederlagen die achter elke winkel (per se winkel, er zit iets demonisch in de winkel van een huis, nietwaar?) op de loer ligt en die dat specifieke om zich heen en achterom kijken oproept en een doodse uitdrukking van radeloze bevangenheid. Een onrust die ongecoördineerde bewegingen opwekt: dat karakteristieke ongecoördineerd zwalken en het onmiddellijke ineenzakken met het gevoel dat er nergens vandaan redding valt te verwachten of het moest van een nieuwe dosis alcohol zijn of van kalmeringsmiddelen die immers bij langer gebruik (zelfs bij de meest onschuldige zoals valeriaan, bromural enzovoort) een onophoudelijke verdwazing oproepen en wanneer men met het gebruik ervan stopt: onrust en slapeloosheid waarvoor geen redding is of het moest opname in een inrichting zijn die niet iedereen zich kan permitteren. Op basis van de hierboven beschreven symptomen is de gesteldheid al zichtbaar waarin de alcoholicus zich zou bevinden wanneer hij zou stoppen met drinken: zichtbaar uiteraard in ongelooflijke verkleining. Het is om bang van te worden als je een alcoholicus ziet die systematisch deze elk moment aanwakkerende stand van zaken begiet en die als het ware continu boven een afgrond van de meest afgrijselijke, met een dun laagje nietige damp van alcoholische illusies bedekte geestestoestanden leeft. Maar een specifieke lichtzinnigheid die een langer gebruik van alcohol bovenhaalt, verhindert hem dat kleverige net te ontwarren waaromheen hij zorgeloos kringelt als een regenboogvliegje in de warme stralen van de augustus(per se augustus, anders komen we nergens)zon en waarin hij vroeg of laat zal moeten vliegen om tot het einde van zijn leven soms krachteloos te spartelen in de schijnbaar lichte, maar in wezen sterkere dan stalen lijnen strengen ervan. Het verschrikkelijkste in nicotine en alcohol is dat subtiele, verraderlijke omsingelen van het slachtoffer dat zich misleid door een langere periode van schijnbare vrijheid verheugt over nieuwe indrukken en een façade van kracht, zonder acht te slaan op de karakteristieke waarschuwingssymptomen van een ‘glonder’ en zonder te voelen dat de cirkel steeds nauwer wordt en de eindeloze horizonten die het gif ogenschijnlijk ontsluit zich samentrekken tot een zwart stinkend hol waarin waanzin en ontbinding op de loer liggen. En dan is daar plotseling het besef van het gevaar van de situatie wanneer het voornamelijk al te laat is. Waarna we opgescheept zitten met die duizenden of miljoenen mensen die alleen maar hun leven tot het einde toe ‘afleven’ zonder in wezen te geloven in de zin ervan noch in de zin van het eigen werk en de valse voornemens om zich te beteren. Een samenleving waarin die psychose van het provisorium heerst en die zelfs de mensen die niet door welk gif dan ook vergiftigd zijn deelachtig wordt, heeft geen enkele toekomst voor zich. Opgevoed in een dergelijke atmosfeer zullen zelfs gezonde individuen zich eraan overgeven en niet geschikt blijken voor het leven.

Voor mensen die aanhoudend alcohol gebruiken, in kleine hoeveelheden, is het moeilijk om helemaal te stoppen met drinken, maar des te moeilijker is het voor de zogenaamde Quartalsäufer, de periodieke drinkers, die van tijd tot tijd de noodzakelijke behoefte krijgen om zich helemaal lam te zuipen, zapoja noemen de Russen dat. Ik ben voor een abrupt, onherroepelijk stoppen. Al die geleidelijke ontwenningen zijn slechts een vorm van door ongelukkige zielen die de kracht missen om categorisch een kwestie te stellen gepleegd zelfbedrog. Een chronische alcoholicus heeft er minder moeite mee. Een periodieke zou gedurende zo’n aanval bij het begin van de strijd alle voedzame (fosfieten) en zelfs licht kalmerende (valeriaan, bromural enzovoort) middelen moeten accumuleren: het doel heiligt die kleine momenten van overmaat. Maar vooral moet hij absoluut, indien hij rookt, tegelijkertijd stoppen met roken. Symptomen van abstinentie bij het afzien van nicotine helpen voortreffelijk tegen haar onvergelijkbaar machtigere collega, waarbij een extra motortje wordt aangemaakt voor het creëren van de wil. Sowieso zouden alle programmatische innerlijke zowel als uiterlijke veranderingen bij mensen die roken en drinken moeten beginnen bij het afzien van deze twee schadelijkste, want meest verbreide en in lichtste mate overheersende verdovende middelen. Een volledige overgave aan cocaïne of morfine kan zich alleen de hoogste aristocratie onder de dégénérés veroorloven. Dat zijn tot op zekere hoogte lieden die toch al verloren zijn. Uiteraard dient de strijd tegen deze specifica net zo meedogenloos gevoerd te worden als die tegen tabak en alcohol, aangezien ze bij een verdere degeneratie van de mensheid gedemocratiseerd worden en het object worden van een al even dagelijks gebruik als ‘een sigaretje’ en ‘een wodkaatje’, die twee schijnbare onschuldige ingénues die onder hun maskers van prettige meisjes waffels van de meest verboden prostituees verbergen. Een klein beetje grappig vind ik het alomvattend kabaal wel dat rond de aristocratische ‘witte waanzin’ wordt veroorzaakt tegenover de eindeloze (vooral bij ons, zo lijkt het) toename van winkels met uitnodigende etalages, waarin volkomen straffeloos de twee afgrijselijkste giften worden verkocht die niet alleen een handvol uitstervende onderblijfsels, maar de gehele samenleving en haar meest waardevolle kern waaruit Nieuw Leven moet groeien naar de ondergang leiden. De strijd die ik hier aanvang en waarbij ik me baseer op eigen trieste ervaringen, in de hoop op betering van mijzelf en diegenen die naar me luisteren, kan alleen dan effectief zijn indien een machtige organisatie hierachter gaat staan en de staat deze ondersteunt in plaats van het overgrote deel van zijn inkomsten te laten afhangen van het langzaam vergiftigen van zijn burgers. Misschien dat onder invloed van deze woorden een paar anderszins waardevolle rokers en dronkaards ophouden met roken en drinken tot het einde van hun leven, maar het opvoeden van volgende gezonde generaties zal alleen mogelijk zijn bij invoering van een onvoorwaardelijke prohibitie van tabak en alcohol. I have spoken. Nog één ding: een dronkaard die stopt met drinken zou zich categorisch zelfs ook maar een zogenaamd ‘wijntje’ of ‘biertje’ of ‘portertje’ moeten verbieden. Einde – Schluss. Zelf ben ik alleen vanwege de smaak stapelgek op bier, maar ik kan u mededelen dat ooit een glas porter de oorzaak is geweest van de ondergang van de schrijver na veertien maanden volledige abstinentie. Alleen een echte titan van de wil kan zich smaakpretjes veroorloven op het gebied van spiritualiën. Het is een hellend vlak waarover men heel makkelijk tot op de ‘bodem van de ellende’ kan afglijden, zeker als men in die richting over bepaalde predisposities beschikt, aangezien elke slok niet alleen naar meer smaakt (ook al heeft men van de smaak van wodka alleen al een afkeer, zoals bijvoorbeeld de schrijver), maar ook het bewustzijn helaas steeds kleiner wordt: er volgt afremming, een specifieke stemming van ‘de laatste keer’ die zo aangenaam is voor schizoïde types die maar wat graag in het verwijl leven tussen plan en uitvoering, tussen afkeer en begeerte, op de uiterste grens van de vervulling van de wezenlijkste verlangens. Anders vergaat het de ‘pycnici’, maar ook hun bekomt het niet. À propos: een zekere criticus van mijn roman klaagde over een te grote hoeveelheid psychiatrische termen die ik gebruik. Welnu, ik dacht dat ik erin zou slagen hem (en ook anderen) te interesseren voor zaken die ze niet kennen, maar die ze wel zouden moeten leren kennen. Voor mij is het een schandaal dat het schitterende, baanbrekende werk van Kretschmer Körperbau und Charakter, zoals nog zovele andere waardevolle boeken, tot nu toe niet in het Pools is vertaald. De Russen hebben daarentegen alles wat waardevol is in de wereld in hun eigen taal. Het is iets om de faliekante kolder van te krijgen, als iemand iets zou moeten weten en hij is een verklaarde nitwit zoals het merendeel van onze intelli- en pseudo-intelligentsia.

Een klein college over de theorie van Kretschmer tot besluit. (Opgelet: sommigen zullen me verwijten dat niet alle types aan bod komen, dat het onzorgvuldig is enzovoort, en zullen het vervolgens volkomen verwerpen. Dat is de eerste stap op weg naar classificatie en als iedereen altijd zo veeleisend zou zijn geweest, zou de mensheid nooit een stap vooruit hebben gezet. Maar onze intellectuelen zijn bijzonder veeleisend, alleen niet ten aanzien van zichzelf. Leer en praat daarna zoveel jullie willen. Te geleerde artikelen, te geleerde toneelstukken, te geleerde romans. Alles is voor hen te geleerd, omdat ze niets willen leren, potverdikkeme. Neem bijvoorbeeld de hoeveelheid populariserende werken in Duitsland. Daar weet de eerste de beste arbeider meer dan menige pijler van de kritiek bij ons. En met dat voortdurende verlagen van het niveau naar de smaak van een doorsneepubliek van een zeker tijdperk voeden jullie hele generaties onbenullen op, voor wie ook De Wildevrouw te geleerd zal zijn. Wat er met onze literatuur en theater gebeurt is een schandaal. Ik stel mezelf allerminst voor als het laatste ideaal van een geleerde, maar ik kan zeggen dat ik vrijwel alles heb gedaan om me op een zo hoog mogelijk geestelijk niveau te kunnen handhaven. En dat kunnen sommige zogenaamde ‘pijlers’ niet zeggen. Het kan zijn dat mijn filosofie in bepaalde opzichten onjuist zal blijken. Een gedegen kritiek zal dat uitwijzen. Maar zelfs in dwalende uiteenzettingen van problemen van schrijvende mensen met desnoods alleen een zeker begrip van het wezen van fundamentele filosofische problemen kunnen zich mogelijkheden openbaren van ware uitvindingen voor anderen die in staat zijn een uitweg te vinden uit de door die anderen aangegeven moeilijkheden.)

Wel, Kretschmers stellingen zijn de volgende: de mensheid kan men in principe verdelen in twee types wier psyche nauw verbonden is met de bouw van het lichaam. Elk type heeft zijn twee vrijwel tegengestelde polen. Dit volstaat voor een algehele classificatie voorlopig absoluut. (Kretschmers tweede stelling is de volgende: hij beschouwt het gekkenhuis als een vergrootglas waardoor men naar een maatschappij van normale mensen kan kijken en daar alle menselijke types kan zien die zich daar binnen hun allerlaatste mogelijkheden tot een volkomen karikatuur hebben ontwikkeld.) En dus zijn daar: de asthe–nicus, lange, stengelachtige hals, driehoekig profiel, ingevallen borst, lange ledematen, dikke botten en verbindingen, slanke bouw. Psychisch type: de schizoïde; ultiem ontwikkeld: schizofrenie; dissociatie van de identiteit, een zich afkeren van het leven; gespletenheid; tegengestelde verlangens. Fanatisme, formalisme. Polaire types: overgevoeligheid en onverschilligheid. Kunstenaars, godsdienststichters, ontevreden, onverzadigde mensen, metafysici, grote verscheidenheid. Kortsluitingen. Plotselinge stemmingswisselingen. Meedogenloosheid. Geslotenheid. Gebrek aan sterke gevoelens.

Pyknici: korte hals, het hoofd laag liggend richting borstkas, corpulent, stevig, smalle polsen, kleine ledematen, goed afgewerkt profiel. Psychisch type: de cycloïde; ultiem ontwikkeld: cyclothymie; circulaire psychose van manie tot melancholie en terug. Zakenlieden, organisatoren, mensen die neigen naar compromissen, verzoenen van tegenstellingen. Opgewekt karakter. Een open houding tegenover het leven. Doesja na razpasjkoe4 en dergelijke. Polen: een opgewonden maniak en melancholicus. Constant humeur: een milde veranderlijkheid voor langere perioden. Grote vreugde en groot verdriet. Gevoeligheid. Daarbij komen nog de types: atletisch en dysplastisch en hun combinaties met de voorafgaande.

Misschien vat ik het niet nauwkeurig samen. Ik heb dit boek één keer gelezen, maar ik ga het zeker nog een keer lezen. Dit boek geeft een volkomen nieuwe houding ten opzichte van jezelf en anderen. Het zou absoluut door iedereen gelezen moeten worden. Misschien dat alleen musici er als zodanig niets aan zullen hebben, maar in het leven zou het ook hun weleens van pas kunnen komen.

Vertaling Karol Lesman






1 Dat wil zeggen ten aanzien van zowel wijn als bier. Geboren ‘wodka’-alcoholici zullen bier en wijn drinken, alleen in krankzinnige hoeveelheden. En de rest raakt ook langzaam aan de drank en wordt daarbij ook nog eens het slachtoffer van de trage gevolgen van de werking van de neveningrediënten van deze dranken, naast de vergiftiging door alleen alcohol. Trouwens, bier en wijn zijn voor 95% slechts een aanloop tot stiffdrinks ofwel simpelweg wodka.
2 Deze werd door mij reeds voor de oorlog in 1912 aangekondigd in een werk dat helaas (?) niet is gepubliceerd en later in zekere transformatie is opgenomen in het boek Nieuwe vormen in de schilderkunst
3 Russisch: drinkgelag [noot van de vertaler].
4 Russisch: zijn hart op de tong hebben [noot van de vertaler].


<

TSL 75

>