Eric Metz




Fráňa Šrámek





Fráňa Šrámek

Aan het begin van de twintigste eeuw was het anarchisme in Bohemen en Moravië niet alleen een invloedrijke politieke stroming, het groeide er ook uit tot een bloeiende literaire beweging. Rond de dichter Stanislav Kostka Neumann en diens tijdschrift De Nieuwe Cultus (Nový kult) verzamelde zich een groep jonge schrijvers met uitgesproken pacifistische, antikapitalistische en anticlericale opvattingen. Een van de interessantse literaire anarchisten is de in het Nederlandse taalgebied nog onbekende Fráňa Šrámek (1877-1952). Hij bracht zijn jeugd door in de Zuid-Tsjechische stad Písek, die in zijn werk een belangrijke rol zou spelen. Vanaf 1903 kwam hij in aanvaring met de militaire autoriteiten, wat hij met een verdubbeling van zijn dienstplicht moest bekopen en met twee gevangenisstraffen in 1905. Uit die tijd dateren ook zijn provocerende gedichten over het leger, onder meer verzameld in de bundel Blauw en rood (Modrý a rudý, 1906) – waarbij rood naar de revolutie verwijst en blauw naar de kleur van de Habsburgse legeruniformen. Ook zijn ervaringen als frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog (in Galicië, Italië en Roemenië) vonden een neerslag in Šrámeks gedichten. Naast poëzie schreef hij korte verhalen, toneelstukken en ook vier romans, waarvan de bekendste Zilveren wind (Stříbrný vítr, 1910) en Lichaam (Tělo, 1919) zijn. Lichaam kan als de eerste grote erotische roman in de geschiedenis van de Tsjechische literatuur worden beschouwd. Het thema van de seksuele emancipatie van de vrouw is wat de laatstgenoemde roman verbindt met het hier vertaalde verhaal Vlammen (Plameny) uit 1905. Het verhaal laat ook zien hoezeer Šrámek, die per slot van rekening tijdens de hoogtijdagen van het symbolisme debuteerde, onder de invloed stond van het morbide samenspel tussen eros en thanatos dat zo kenmerkend is voor de Europese fin-de-siècle-cultuur.

vlammen1



Eindelijk, eindelijk… Eindelijk was te horen hoe de groentenkar naar de markt ratelde. Juffrouw Augusta kermde zachtjes; het was een eindeloze nacht geweest; aldoor die mokerslagen in haar hoofd, waardoor ze de slaap niet kon vatten, dromen reten haar pupillen uiteen, haar lichaam broeide en in het dorre vlees van haar borsten draaide en keerde een mes…

Ja… Alleen die laatste droom had ze nog graag uitgedroomd!

Ze ging op het bed zitten en sloeg haar armen om haar knieën; het duister verbleekte door het grijsgroene ochtendlicht; verweesd, koud als ijsklompen kwamen de meubels in de ontwakende schemering tevoorschijn. Wat een droom! Wat een droom!

Ze loopt door een laan, een laan met trilpopulieren misschien, want boven haar hoofd is misnoegd geritsel te horen. Ze droomt dat ze voor iets gevlucht is. Ginder hebben ze haar in het gezicht gespuwd, of iets dergelijks; één scheldwoord is in haar oren blijven hangen: oude vrijster. En nu is ze dus op de vlucht, in haar keel giert het gejank van een pas afgeranselde hond en in haar schedel koken tranen. Ze draagt alleen maar een dunne versleten mantille; de wind jankt, koude kruipt tussen haar ribben en over haar ruggengraat. De wolken sluipen laag langs de hemel, zij voelt ze bijna op haar hoofd; ze lijken op rondwentelende donkergrijze oude mannen die cynisch hun konten naar haar uitsteken. Maar een van de wolken doet denken aan een boot met een puntige voorsteven die recht op haar voorhoofd afvaart. Zij buigt zich tot op de grond voorover en de wolk drijft voorbij… Vlakbij de laan staat een bouwvallig krot; ze weet het, hier woont de vilder. Aan de schutting hangt een hondenvel te drogen, de latten van de schutting klepperen in de wind; over de smerige, schurftige binnenplaats sleept zich een koppel parende honden voort. Ze voelt dat haar ogen uitpuilen en begerig lijken, dat de tepels op haar borsten spits als naalden zijn geworden. Plots voelt ze hoe iemand een hand op haar schouder legt; hij staat achter haar, maar zij durft zich niet om te draaien. Een soort van ontzetting heeft het merg uit haar beenderen gezogen, haar hersenen kleven op haar kruin en verdrogen daar. Haar hoofd is nu volkomen leeg en vreselijk licht, waardoor de wind ermee speelt als met een ballon en het zich uiteindelijk omdraait, zodat zij ineens ziet wie er achter haar staat. Het is een geraamte in een zondagspak en met de pose van een promenadeleeuw die haar aanbiedt om een eindje mee te lopen; zijn lege oogholtes bestoken haar als de ogen van een gentleman-bandiet, zijn tandeloze kaken willen iets glibberig-galants uitbrengen; in zijn rechterhand draagt hij een kleine buidel. Ze voelt hoe de angst haar aders dichtsnoert en hoe haar tong bestorven in haar mond ligt; als ze nu kon gillen, zou haar hart zeker uit haar mond springen… Vreemd genoeg wordt ze echter ineens rustig; ze bekijkt de heer met een zorgeloos, innig vertrouwen. Wat wil je, niet iedereen kan vlees op zijn botten hebben, dat spreekt voor zich. Dergelijke, buitengewoon eigenaardige gedachten overvallen haar nu. Ineens begint ze hard te lachen, het is ook zo’n komisch heerschap, hij schuifelt gedienstig voort en lijkt als twee druppels water op een man die zijn typische avondgalantheid tentoon spreidt. Even later betrapt zij zichzelf zowaar op een kokette glimlach. Ze schrijdt verder, met de man nog steeds aan haar zijde. Ze hebben de laan reeds verlaten, intussen lopen ze tussen akkers die vol klaprozen staan; als baldadige jongetjes staan de klaprozen te schreeuwen. En voor hen staat aan de horizon een loden berg, over zijn flank lopen karmijnrode stroompjes, die vervolgens de hemel en de aarde bedekken, het zijn er steeds meer en ze bereiken hen nu ook, ieder ogenblik moeten ze er over een heen stappen, terwijl een volgende hen al verrast en het is alsof iemand hen in een karmijnrood net met almaar fijnere mazen wikkelt. Het is een vrolijke, vreselijk vrolijke toestand en ze denkt ineens aan het lied dat ze soldaten ooit heeft horen zingen, hopsa, hopsa, een lied sterk en prikkelend als tabak en als het zweet van een grote groep mannen. Plots neemt ze iets wonderlijks waar; haar eigenaardige begeleider maakt onderweg zijn kleine buidel open en haalt er een levend mooi mannenhoofd uit; hij neemt de schedel van zijn schouders en vervangt het door dit levende mooie hoofd. Maar zij vindt het helemaal niet angstaanjagend of vreselijk; zoete, hartstochtelijke strelingen glijden steels over het fluweel van haar vlees, haar oogleden trillen heftig onder dronken briesjes van bloed en haar neusvleugels gaan tekeer. En zijn mooie hoofd kijkt haar liefdevol aan, de oplichtende punten van zijn snor brengen haar bevende vingers in vervoering, de scherpe boog van zijn lippen spant zich wellustig fluisterend op tot vlakbij haar oor: ʻDit is voor u, voor u, juffrouw Augusta. Voor uw genot en uw geluk ben ik gekomen; want ik heb uw honger en uw dorst gezien…’ Zij gaat helemaal open, met de rode wonden van haar mond, haar hart en haar geslacht. En de karmijnrode branding wordt steeds heviger, het is wild en het is vrolijk, het is een uitstapje dat met een allerkrankzinnigst avontuur gepaard gaat, en nog vrolijker wordt het wanneer je je rok moet optillen. Ach, jij al te trage ridder, die nu achter mij aan loopt, mag ik mijn rok alvast nog uitzinniger optillen? Mag ik me vervolgens, met nog grotere overgave, op mijn rug tussen de klaprozen laten neervallen, opdat u mij hier tussen dit vuur omhelst als op een gloeiend bed? Ze voelt nu nog hoe ze zich op de grond wierp, hoe ze neerzeeg en met een bedelende kreet openging, hoe ze wachtte, ach, hoe ze wachtte! Maar – daarna was er niets. Helemaal niets meer! Er was niets dat haar opengesperde armen omhelsden. Iemand gaat weg. Geschater schudt zijn gebogen rug dooreen, op zijn puntige schouders wiegelt het hoofd van een skelet.

Wat een vreselijke droom! En die kreet aan het eind, die kreet…!

Ook nu nog is alles in haar gebroken.

Als ze het tenminste in haar droom had meegemaakt; als tenminste een vampier haar honger had verzadigd. Haar maagdelijkheid…

Haar vijfendertig jaar oude maagdelijkheid, hahaha…

Een antiekzaak. Waarmee kan ik u van dienst zijn, juffrouw? Geeft u mij hier al was het maar vijf cent voor? Dat kan ik niet, juffrouw, echt niet! Dit is iets wat vandaag helemaal niet meer gebruikt wordt, begrijpt u mij, het is volkomen in onbruik geraakt.

Kan ik het hier dan niet gewoon gratis achterlaten?

Dat kan niet. Bedenkt u toch, juffrouw, dat onze winkel geen… mestvaalt is…

Ze trekt haar knieën op tot aan haar kin; haar schouderbladen priemen onder haar hemd als twee gebalde vuisten, wanhoop heeft haar gezicht samengetrokken tot een weerzinwekkend kluwen van rimpels.

Het is al zo’n vijftien jaar geleden…

Het is zo vreselijk lang geleden.

Ja, toen leefde er zo’n juffrouwtje. Ze was twintig en het kwam niet in haar op dat je in een antiekzaak kan bedelen.

Bedelen op die manier; wanneer het vlees barst als het roodgloeiende blik van platen in vlammen.

Wanneer je zinderende buik vlammen spuwt, wanneer lood ziedt in je schoot, je tepels openbarsten als druiven en je benen en armen trillen als een smekend roepen.

Ongetwijfeld zijn dat zeer ongepaste gedachten, die op zulke ogenblikken in je hoofd rondwemelen als in een wormstekige vrucht; ongetwijfeld?

Juffrouw Augusta gleed van haar bed, haar blote voeten klapten over de vloer; haar verfomfaaide nachtjapon maakte haar nog armzaliger; ze leek wel een oude vieze duif. Met gebogen rug was ze ergens naar op zoek in haar linnenkast. Ze zocht enkele boeken en schriften uit en bracht die naar haar bed: die dingen zagen er heel verdacht uit. Met opgerold lichaam deed ze zich eraan tegoed; aan sommige bladzijden kleefden haar ogen bijna vast. Bepaalde alinea’s in de boeken waren met potlood aangestreept; dat waren prikkelende happen die als elektrische schokken door haar lichaam gingen. Ook waren er boekjes over hygiëne bij, met een erg stichtelijke en ernstige inhoud, en daar stonden heel aardige illustraties in. Ook waren er prijslijsten, prijslijsten van bedrijven die heel verfijnde producten verkochten, met daarbij nog mooiere plaatjes… Ze raakte bedekt met een soort van onzichtbaar zweet en haar gezicht verwrong zich zodanig dat het bijna de vorm van een vagina kreeg, maar dan een met smekende ogen en een vloekende mond.

De boeken slingerden op het bed rond, sommige waren op de grond gevallen; ze keek er al niet meer in. Ze lag op haar rug met het hoofd achterover en de ogen glazig op het plafond gericht; af en toe gingen de vingers van haar beide handen overeind staan en naderden haar nagels heimelijk haar borsten…

Ze ijlde: Honderd mooie mannen, honderd mooie mannen!

En even later: Ja, ik herken u. Ik woonde op de tweede verdieping en wachtte op u; maar u had intussen de dienstmeid op de begane grond verleid. En die heer daar herken ik ook. Hij nam er genoegen mee dat hij af en toe mijn handschoen kon kussen, hij keek naar mij als naar een hostie die hij het niet waard is te verzwelgen; en van zijn maandsalaris legde hij altijd een deel opzij om daar beneden bij de meisjes een halfuurtje liefde te kopen… Ik ken u allemaal; die laatste eveneens. Hij had echt serieuze plannen. En een eerlijk, idioot gezicht had hij ook. Geheel oprecht bood hij me een huwelijk aan, als een ding waar we niet zonder kunnen als we met een gerust geweten in hetzelfde bed willen slapen… Misschien heb ik wat te gemeen gelachen en is de goede man daarom boos weggegaan.

Ze ging opnieuw zitten en sloeg haar armen om haar knieën.

Ik spuw op jullie, o ja, ik spuw op jullie… maar als jullie nu zouden langskomen, ja, wat dan…! Ik ben nu een beest namelijk…

En ze herhaalde dat enkele malen, waarbij haar gezicht grove trekken kreeg.

Een beest, een beest, een beest…

Een beest, dat is het wat juffrouw Augusta nu is, gelooft u dat? Ik zal u een verhaal over haar vertellen, een bijzonder fraaie geschiedenis. Het dienstmeisje is gisteren vertrokken en juffrouw Augusta zit alleen in haar kamer. Iemand belt aan en zij gaat naar buiten. Daar staat een jonge man, een rondtrekkende handwerksgezel, hij heeft geen werk en bedelt; zulke mensen jaag je weg van je drempel, want ze zijn nog jong en in staat om te werken. De jonge man kijkt deemoedig en zijn kleren stinken naar iets wat aan zurige soep doet denken. Juffrouw Augusta aarzelt; ze weet wellicht niet of ze hem wel of niet een aalmoes moet geven, zo lijkt het tenminste. ‘U zou wat geld kunnen verdienen,’ zegt ze een ogenblik later, en de jongen knikt driftig. Ze brengt hem naar de kamer en wijst naar een zware kast. ‘Die moet verplaatst worden, maar dat kan ik niet alleen,’ zegt ze. Samen verplaatsen ze de kast. Daarbij legt ze als het ware toevallig haar hand op de zijne. ‘Ach, dat is uw hand,’ lacht ze droogjes, ‘ik sta u in de weg, maar ik zou u graag willen helpen.’ Nu staat de kast op een andere plek en juffrouw Augusta weet niet zo gauw wat ze nu moet aanvangen. ‘Nee,’ zegt ze, ‘dat is toch niet zo goed als ik gedacht had, we moeten de kast opnieuw verschuiven.’ Ze ruikt mannenzweet. Plots schreeuwt ze: ‘Een spin!’ Ze laat ware paniek zien; de spin, die hier waarschijnlijk achter de kast zat, is in Augusta’s korset gevallen. Uiteraard wil zij zich van het ongedierte ontdoen, dat kunt u zich wel voorstellen, een spin! ‘Kijkt u even de andere kant op,’ zegt ze tegen de man. Hij is welwillend en stuurt zijn blik nu ongetwijfeld de andere kant op. Hij kucht, misschien omdat hij niets beters kan verzinnen. ‘Ik ben hier alleen met u, misschien moet ik die spin maar laten voor wat hij is,’ zegt zij. De ruimte tussen haar en de man blijft dezelfde, geen enkele beweging brengt hem dichter bij haar. Nu zegt juffrouw Augusta: ‘Wat een viezerik is die spin, hij is nu nog lager gekropen. Maar nu mag u echt niet omkijken, hoor, want…’ De man kucht nu luider. ‘Ik krijg iets voor die kast en dan ga ik,’ zegt de man op barse toon. Juffrouw Augusta laat haar rok zakken, opeens wordt ze erg bang en ze gaat op zoek naar haar portemonnee. ‘Laat ook maar, u hoeft mij niets te geven,’ zegt de man, intussen reeds rustiger, en hij vertrekt.

Ze begint te schaterlachen, boosaardig te schaterlachen om dat avontuur van gisteren. Maar plots vergaat het lachen haar.

Ze denkt terug aan die man. Aan zijn gekuch. Aan zijn blik toen hij wegging.

Ze was hier alleen met hem. Hij had haar kunnen vermoorden, kunnen wurgen of doen stikken door haar hemd in haar mond te proppen.

Met een vreemde blik was hij vertrokken. Hij komt wellicht nog een keer langs. Om haar te doden. Omhelzingen van mannen kende zij niet. Een mannetjesdier zou zich alleen maar op haar storten om haar te doden. Ze kon zichzelf al horen reutelen in de wurgschroef van zijn handen. Ze reutelde al. Benauwdheid loeide door haar lijf, als wind door verlaten gangen, haar blik bleef hangen aan de koperen klink van de deur; het kwam haar voor dat die een beetje bewoog en geluid maakte…

Een of ander gebed klapperde tussen haar tanden; ze hoorde zichzelf kreunen: heilige Maagd Maria, heilige Maagd Maria…

Ook toen de benauwdheid weer over was, klonk dat kreungeluid verder in haar borst.

Heilige Maagd Maria, heilige Maagd Maria…

Ze is een grote zondares, als een dier ligt ze hier voor het aanschijn van de Moeder Gods.

Haar tong ziet zwart van haar geile kreten, haar borsten zijn als kelken die voor een dronkeman gevuld zijn, haar hele lichaam lijkt op een kleed waar wijn over gemorst is, haar hele lichaam lijkt bevlekt met het eczeem van gore verlangens.

En boven ligt een koninkrijk klaar voor de zusters van de lelies; hun krijtwitte lichamen zullen daar huilen van geluk in de slaapkamer van hun hemelse bruidegom, hun onaangeroerde schoot zal openbloeien en geuren als een bosje violen.

Zijzelf is reeds een stukgeslagen schip. Net als zeerovers smachtte alles in haar naar orgieën, net als zeerovers die zich verheugen op de orgieën die hen te wachten staan zodra zij aan land komen. Maar zij was niet aan land gekomen. Alleen door haar honger en haar dorst was ze een zondares. En haar schip was stukgeslagen. Op het vermolmde, verrotte, fosforescerende dek knielen de zeerovers en ze bidden tot de heilige Maagd…

Heilige Maagd Maria, heilige Maagd Maria…

Voor haar ogen doemde een smal wit paadje op, met aan het einde twee diepe betraande ogen die vrede in de zielen strooien.

Ja, ze wil biechten.

Ze zal zich beklagen over haar lichaam, dat hoogmoedig wappert, als een rode vaan van de zonde; en daar, in de biechtstoel, zal haar lichaam sterven…

Ze zal naar huis gaan, licht als de schaduw van een schaduw, en ze zal de zwaarte van haar vlees niet meer voelen; met leliebladeren op haar boezem, het gesmolten zilver van een Marialied in haar keel, vleugels aan haar voeten, zodat ze niet met de aardse modder in aanraking hoeft te komen, naar mannen zal ze kijken met de ogen van een zus.

In haar kussens huilde ze bittere tranen, als druppels gesmolten was.

Toen het dienstmeisje arriveerde, schrok die van Augusta’s bleke gezicht en van haar grote slaapwandelaarsogen. Maar zij was ver, ver weg…

Ze zong zachtjes een Marialied, zoals ze zich dat van haar jeugd herinnerde en ze maakte zich klaar.

Daarna vertrok ze…

De ochtend was geurig als een pas gewassen baby. Op het eerste trottoir voegde de zon zich bij haar en ook alle schitterende ramen begeleidden haar en daarna in het park moesten alle vogels erbij zijn met fluitjes en belletjes. Twee mannen met een sproeislang toverden op het grasveld een regenboog tevoorschijn. Ze liep alsof ze pas nog gefolterd werd, maar de zeven wonden onder haar kleren waren in zeven rozen veranderd. En plots ging ze vanuit dit rijkelijk rondgestrooide, lichtende goud van de ochtend een kerk binnen. De kerk was klam en onwelriekend als een graf; het licht van de kaarsen treurde, donkere schilderijen keken dreigend van de muren, viezigheid bladderde van de naakte engeltjes; op de vloer waren de vochtige vlekken te zien van slijm dat daar door oude mannetjes en vrouwtjes was uitgerocheld en door bezoekers uitgesmeerd; in glazen schrijnen op de altaren stonden idiote hoofdjes te grijnzen, op wormstekige banken zaten in kleren gewikkelde schimmen te kermen, en stappen tikten over de vloer als in een kelder.

Ze liep door de kerk met diep gebogen hoofd.

In een van de biechtstoelen zat een vrouw geknield, sissend gefluister kwam van die kant. Juffrouw Augusta botste tegen dit geluid aan en bleef staan. Als een fel gif drong het tot haar door. Ze verweerde zich er nog tegen. Tevergeefs. Gefluister en halfduister, een man en een vrouw! Meteen raakte ze weer helemaal verhit. Meteen gloeide voor haar ogen weer het beeld van al die koppels die het halfduister invluchten, om zich daar onder gefluister met elkaar te verstrengelen.

En nog altijd verweerde ze zich.

Opnieuw probeerde ze te zeggen: Heilige Maagd Maria, heilige Maagd Maria!...

Maar haar hart was een leeg vat geworden; het bevatte geen geurige zalven meer, noch tranen van berouw. Ze sloot haar ogen; ze vocht om hier opnieuw als een schitterend witte hemelse bruid te kunnen staan.

Eindelijk kwam het terug.

Haar hart zwol en haar ogen schoten vol tranen.

De vrouw in de biechtstoel stond op.

Als in een droom knielde Augusta op haar plaats neer. En met gesloten ogen wierp ze zich op een bed van doornen. Alles wat haar hongerige, zondige vlees te vertellen had, bereikte krijsend en kermend het oor van de biechtvader. Daarna deed ze eindelijk haar ogen open en wachtte. In haar krijtwitte gelaat wachtten twee onthutste ogen. Nu pas zag ze de biechtvader.

Naar haar keek een doodgewoon mannelijk beest, dat eveneens uitgehongerd was. Dit wierp haar terug van de hoogten waar ze naartoe gevlogen was.

De biechtvader stelde haar reeds voor de derde keer dezelfde vraag; het was zo’n volkomen onfatsoenlijk geformuleerde vraag, glibberige woorden van deze aarde en geenszins het hemelse gezang dat van boven weerklinkt.

Zijn mond ziedde van zijn heftige hijgen.

Alsof ze in zijn oor spuwde, fluisterde zij: Stuk vee…

En terwijl ze opstond, zei ze hem, recht in zijn gezicht grijnzend: Jij een stuk vee… ik ook…

Hij keek haar aan met idioot uitpuilende ogen. En zij vertrok…

Daarna besefte ze uiteindelijk dat ze door het park liep. Een soort van zwart gat gaapte in haar, als een enorme mond die zich opensperde voor een lege, giftige lach.

Haar ledematen hingen er slap bij, als vodden die met vuil doordrenkt zijn. Alleen dat zwarte gat met de lege giftige lach gaapte in haar en gorgelde in bloed. Het vochtige zand van de weg broeide, het bedwelmde haar.

Een student kwam haar kant op, met een open boek in de hand.

Hij had blond haar en wangen die met de fluwelen rijm van jeugdigheid waren bedekt.

Toen hij vlakbij haar was, richtte hij zijn blik op van het boek.

Zij wierp hem de provocerende en schaamteloze blik van een lichtekooi toe.

Ze merkte op dat hij zich naar haar omkeerde en haar volgde. Een tweede student voegde zich bij hem, zij hoorde hoe zij elkaar iets toefluisterden en moed vergaarden.

Ze beet op haar lippen. De schaamteloze blik van de lichtekooi was alweer verdwenen, verwondering en dankbaarheid hadden haar weer deemoedig gemaakt. Ze dacht aan niets lelijks, haar gevoelens waren zuiver; ze leidde beide jongens naar de zuiverste uithoek van haar hart, ze wilde niets anders dan dat zij daar even zouden vertoeven, zouden schitteren en weer weggaan. Jongens, dat was iets wat mooi en ver weg was; een wei met dotterbloemen waar je als meisje een bloemenkrans maakt, de eerste kleine avondster aan de hemel, en je zegt dat die van jou is. Ze voelde dat ze elk ogenblik in tranen kon uitbarsten en had er geen erg in dat de ontroering haar tred en haar gedaante armzalig en lachwekkend maakte.

ʻWat een ruïne,’ bracht achter haar plots een van de jongens uit.

ʻRuina, ruinae, ruinae, ruinam,’ verboog de andere.

Ze keek om; zij schaterden het uit en gingen de andere kant op.

De tranen die ieder moment konden beginnen vloeien, bleven nu als een steen in haar keel zitten.

Ze herhaalde langzaam: ʻWat een ruïne, wat een ruïne…’

Ze liep de straat op; soldaten trokken daarlangs naar het exercitieterrein, een kleine tamboerspeler roffelde er vrolijk op los, één dij met zich mee slepend…

Ze voelde de slagen van de stokjes in haar slapen.

Uiteindelijk kwam ze thuis, ging op bed liggen met het gezicht in haar kussens en bleef daar zo de hele dag. Slechts af en toe liet ze zich ontvallen: “Wat een ruïne, wat een ruïne…”

En door haar gestaag groeiende tegenstand werd haar gesteun almaar hardvochtiger.

’s Avonds pas stond ze op.

Door het open raam stroomde de gistige, katterige lucht van de zomeravond naar binnen; ergens vlakbij stuurde een klavier elektrische schokken door de straat.

Ze waste haar gezicht, bracht er een kleurtje op aan en deed er wat poeder op.

Ze nam schoon ondergoed, een zwarte jurk en een chromen korset, ze besprenkelde zich met parfum en wikkelde haar hoofd in een sjaal.

Een zwavelachtige korrel gloeide in haar pupillen, haar mondhoeken krulden als brandend papier.

Ze rende snel door de straten, zonder naar de mensen te kijken.

Het voetpad brandde fosforachtig, de lucht was vrijpostig, als monden en handen. In de tuinrestaurants, onder bomen die door het licht van de gaslantaarns van kalk leken te zijn, klonk gesmoord het donkere geroezemoes van mensen die dronken en die ook van al het overige genoten dat zij nodig hadden.

Zij liep in de richting van de kleine heuvel die Galgjesberg werd genoemd, een wijk van zeer bedenkelijk allooi, waar zich allerhande meisjes van plezier vestigden.

Het was een pikante pokkenwijk in de stad, een gezwel waarvan sommigen behoorlijk gepassioneerd en verontwaardigd zeiden dat het moest worden weggesneden.

Maar de zomeravonden keken met de grote welwillendheid van de natuur naar de kleine echtelijke verbintenissen die voor de duur van een half uur werden afgesloten, naar de ruwe omhelzingen en het gesnik van de paardenbelletjes.

In dezelfde richting liep een met meidoorns omzoomde spoorlijn, dan was er een groot houtbewerkingsbedrijf, waarvan de hoge houten omheining een aatal mooie, vergeten uithoeken kende, en nog verder waren er de bermen met tijm, de roggevelden waar talloze gangetjes uitmondden in kleine, intieme bedden.

Vlakbij het spoor kwam juffrouw Augusta een politieagent tegen; ze had de indruk dat hij haar argwanend bekeek, waardoor ze het benauwd kreeg en haar pas versnelde.

Toen ze helemaal bovenaan bij het roggeveld halt hield, hoorde ze alleen maar haar eigen hart, daarna het gekwaak van kikkers, het gezang van een krekel, en opnieuw alleen haar hart.

Van beneden, vanuit de stad, steeg de stank van donkerrode rook op, maar hierboven bloedden het gras en het graan uit de duizend wonden die de zon overdag had geslagen, en zij roken naar te sterk gekruid brood. Er kwam haar een meisje tegemoet, ze droeg witte kousen, lichte schoentjes en een witte schort; zij bekeek haar met een opvallende blik en keek enkele malen naar haar om.

Voor haar waren er op deze weg echter geen haltes meer, geen stem om haar te waarschuwen.

Ze liep met haar borsten recht op het mes af.

Ze kwam drie mannen in werkkielen tegen. Ze was er klaar voor. Ze wilde drie mannen, of wel tien of honderd. Het bleef echter bij schuine grappen. Ongetwijfeld hinderden de drie mannen elkaar. Dat was voor haar een les en ze ging nu enkel nog op zoek naar een man die alleen liep. Ze kwam voorbij koppels die op de grond lagen, ontweek omzichtig alles wat niet één man was.

Ze voelde hem. Hij was in de buurt. Ze joeg op hem met haar oog, haar oor, haar geslacht. Uiteindelijk liep hij haar tegemoet langs een smal pad tussen twee roggevelden. De aren streelden haar wangen en armen, waardoor ze bijna kreunde. Er was niemand in de omgeving, alleen die eenzame man liep haar tegemoet; hij floot een deuntje. Er was niemand in de omgeving en twee roggevelden scheidden hen van de hele wereld. Ze moest halt houden, zo hevig ging haar hart tekeer in haar boezem. Plots deed ze enkele kwieke stappen naar voren en stond ze voor de jonge man. Ze probeerde onbeschaamd te glimlachen, hetgeen haar lukte.

En hij glimlachte ook; het was een jonge, misschien nog helemaal niet ervaren jonge man.

Hij zei iets, maar zij begreep hem niet; ze wachtte, spande haar spieren als op een folterwerktuig en fluisterde verward: ja, ja… alles… alles wat u maar wil…

Ze zei dit niet zoals een losbandig vrouwtje zou doen, ze wekte angst op, waardoor de jonge man afkoelde. Ze zag dat. Ze was verschrikt en wrong haar handen. Voor haar was er nu niets anders dan deze man, die haar ontweek. Ze hoorde ook niet de stappen achter haar, die in looppas dichterbij kwamen. Ze werd door iemands vuisten en scheldwoorden tegelijk toegetakeld; twee meisjes in witte schorten gingen haar te lijf.

Kijk es, die komt hier ons werk verstoren, zo’n oud trutje…

Met ogen die niets meer zagen zocht ze de man nog altijd; hij haalde zijn schouders op en liep vertwijfeld verder.

Ziedende woede loeide in haar en ze begon om zich heen te slaan.

Maar de nagels van de meisjes reten haar gezicht open en rukten haar haren uit, hun voeten schopten tegen haar kuiten en in haar buik, hun vuisten sloegen haar lippen kapot…

Uiteindelijk zette ze het op een lopen. Een grote, zwarte, onbarmhartige hemel viel boven op haar hoofd. Daarna begon ze langzamer te lopen, haar kapotte bloedende lippen plakten tegen haar tanden. Een losgerukt strengetje haar bungelde voor haar gezicht; van een drol op de weg kwam brommend een mestkever gevlogen, die zich blindelings aan het bungelende haar vastklampte. Met dat brommende, van stront aangevlogen creatuur zette ze haar weg langs het spoor verder.

Elk ogenblik kon de trein hier voorbijrijden…

Inleiding en vertaling Eric Metz






1 Brontekst: Fráňa Šrámek, Spisy, VI: Prvních jedenadvacet. Drobnější prósa. Fr. Borový, Praha 1928, 153-166.


TSL 72