Wil van den Bercken



Dostojevski als literair thema in het dagboek van Etty Hillesum



Etty Hillesum was een Nederlands joodse vrouw, studente slavistiek in Amsterdam, die in 1943 op 29-jarige leeftijd is omgekomen in het concentratiekamp Auschwitz. Gedurende de jaren 1941-1943 hield zij een dagboek bij dat pas in de jaren 1980 is gepubliceerd, eerst in twee selecties en daarna volledig. De publicaties van de eerste selectie in 1981 en van de brieven van Etty Hillesum uit kamp Westerbork in 1982, veroorzaakten een literaire sensatie en zij werden binnen enkele jaren in veertien talen vertaald. In 1984 verscheen een nieuwe selectie en in 1986 kwam de volledige uitgave van Etty Hillesums dagboek en brieven tot stand.1

Het dagboek bevat een verslag van het onconventionele liefdesleven van de schrijfster, scherpe psychologische zelfobservaties, reflecties op gelezen literatuur en indringende gedachten over lijden en God. Het geheel is geschreven in een persoonlijke en prachtige literaire stijl. De geschriften van Etty Hillesum zijn geen dagboek in de zin van een chronologisch levensverslag, en ook geen gewoon journal intime, hoe persoonlijk ook, want de auteur bedoelde het voor publicatie. Het is een subliem document humain uit de Nederlandse literatuur.

In haar dagboek geeft Etty Hillesum blijk van een brede culturele interesse en een sterke literaire ambitie: talrijke schrijvers, dichters, literatuurcritici, filosofen, componisten en kunstenaars worden genoemd, geciteerd of zijdelings aangehaald. Onder de vele namen zijn er twee die er qua frequentie ver uitspringen: Rainer Maria Rilke en Fjodor Michajlovitsj Dostojevski. De eerste wordt zo vaak genoemd dat het register in Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941- 1943 niet eens een getal noemt en volstaat met passim.

De tweede favoriete auteur van Etty is Dostojevski. Zijn naam of een van zijn werken of romanpersonages worden 35 maal genoemd in haar dagboek. Ondanks die prominente aanwezigheid van Dostojevski in Etty Hillesums werk is er nog weinig onderzoek gedaan naar de relatie van Etty Hillesum tot Dostojevski. Dat is een opvallende leemte in de veelzijdige studies naar de geestelijke verwantschap van Etty Hillesum met denkers die weinig of niet genoemd worden in haar geschriften zoals Kierkegaard, Eckhardt, Seneca, en tijd- en/of lotgenoten die Etty Hillesum niet heeft gekend, zoals Dietrich Bonhoeffer, Simone Weil, Anne Frank, Edith Stein.

Recentelijk is er een artikel verschenen over de invloed van de Dostojevskiinterpretator André Suarès in de dagboeken van Etty Hillesum.2 Dat behandelt het thema indirect, en gaat meer over Suarès dan over Dostojevski. In het volgende wil ik zoeken naar de plaats van Dostojevski in Etty Hillesums geschriften en naar inhoudelijke verwantschap tussen haar levensbeschouwing en Dostojevski’s literair verwoorde spiritualiteit in De gebroeders Karamazov. Maar eerst volgt een beschrijving van de context waarin Etty Hillesum’s liefde voor Dostojevski en Rusland in het algemeen moet worden geplaatst.

studie slavistiek




Etty Hillesum

Etty Hillesum had een Russische moeder, Rebecca Bernstein, geboren in Potsjep en in 1907 na een pogrom uitgeweken naar Nederland. Of er in het gezin veel Russisch gesproken werd is onwaarschijnlijk met een Nederlandse vader, hoewel dr. Louis Hillesum als classicus interesse voor Russisch heeft ontwikkeld na zijn huwelijk. Hij volgde in ieder geval samen met Etty en zijn vrouw Russischtalige literatuurcolleges over Poesjkin in Amsterdam: ‘Voor Moeder stonden er jeugdherinneringen op en Vader straalde van kinderlijk pleizier als hij af en toe een woord verstond’. Anderzijds is het natuurlijk dat een moeder met haar kind in haar moedertaal spreekt en Etty sprak ook soms Russisch met haar (‘Een tijdlang behoorlijk russisch gepraat met moeder’), en zij kende voldoende Russisch om er privé-les in te geven.

Etty begon met slavistiek na afronding van een rechtenstudie aan de Universiteit van Amsterdam in 1939, en het feit dat zij een tweede studie koos, niet door economische noodzaak gedreven, duidt op een weloverwogen keuze. In die tijd was er alleen in Leiden een hoofdvakstudie slavistiek en was het vak in Amsterdam een bijvak. In beide plaatsen volgde Etty colleges. In Leiden zat een slavist van wereldfaam, prof. Nicolaas van Wijk, een geliefd docent en de passage die Etty aan hem wijdt is ontroerend. Dit onverlet het feit dat Etty met het kerkslavisch – traditioneel het zwaarste onderdeel van slavistiek – grote moeite had: ‘Aber jezt: kerkslavisch […] Maandenlang zit ik er tegenaan te kijken en als ik me voorstel nu eindelijk dat oud-Bulgaars weer eens ter hand te nemen, dan krijg ik zoiets als een krop in m’n keel en hartkloppingen…’ Het feit dat zij niettemin dit vak volgde en er maanden lang wekelijks voor naar Van Wijks huis in Den Haag reisde, duidt op een sterke studiemotivatie.

Het plotselinge overlijden van Nicolaas van Wijk op 25 maart 1941 heeft een verpletterende indruk gemaakt op Etty, en zij schrijft er vier bladzijden over. Daarbij noemt ze ook de wetenschappelijke verdiensten van deze grondlegger van de Nederlandse slavistiek en schetst zijn werk tegen de achtergrond van het vreselijke wereldgebeuren van dat moment.

Enkele fragmenten:

Mijn God, hoe heeft dit mogen gebeuren – van Wijk heengegaan. […] Ik begrijp het niet, ik begrijp er helemaal niets van, zeg ik aldoor in mijzelf. Er is een wereld van wetenschap zomaar, plotseling, geruisloos in elkaar gezakt. Het lijkt me erger dan de hele oorlog, al zal ik deze woorden later nog wel eens terug moeten nemen.[…] Onze Slavische studie is de voornaamste, eigenlijk de enigste, steunpilaar kwijt. Het is zo vreemd. Ik heb eigenlijk maar drie maanden college bij hem gelopen en maar één uur in de week, maar toch is er voor mij ook een stuk wereld in elkaar gezakt en ik zit er ontzet en verdoofd naar te kijken. […] Dat laatste bezoek zal ik überhaupt niet vergeten. Veelbewogen, rumoerige dagen in de politiek, stakingen, opgewondenheid, spanning, enthousiasme enz. […] Eigenlijk onaangenaam gestoord in de wetenschap door al die drukte, maar toch met het volledige fatsoen van een hoogstaande persoonlijkheid zich solidair verklarende.

De Russisch-orthodoxe gebedsdienst die Etty bij de baar van Van Wijk in diens huis heeft meegemaakt – zij spreekt van ‘Russische mis’ maar dat is waarschijnlijk een terminologische vergissing – is misschien de enige christelijke dienst waaraan zij heeft deelgenomen.

Er komt nog een ander kopstuk uit de Nederlandse slavistiek of beter Ruslandkunde in het dagboek voor: hoogleraar Bruno Becker van de Universiteit van Amsterdam. Bij hem volgde Etty Hillesum vertaalcolleges en literatuur in het Russisch: ‘…ik verheug me al op de Russ. klanken van Becker, ben benieuwd of ik meer zal verstaan dan vroeger’. Becker, een Russische emigrant uit St.Petersburg, was historicus, en niet gespecialiseerd in Russische literatuur. Hij heeft na 1945 het Oost-Europa Instituut in Amsterdam opgericht.

Verder noemt Etty vier studiegenoten die later een rol zouden spelen in de Nederlandse slavistiek, de vertalers Paul Rodenko, Aleida Schot, Wils Huisman en Jeanne Liedmeier. De laatste, J. van der Eng-Liedmeier, is thans nog één van de weinige levende kennissen van Etty Hillesum. Etty verkeerde als studente in ieder geval in een gemotiveerd gezelschap.

Zelf was zij dat ook en al voor haar studie had zij veel Russische literatuur gelezen. Op het college van Becker lazen de studenten Gore ot oema (Etty vermeldt de titel in het cyrillisch). Ook van Gogol citeert Etty een zinnetje in cyrillisch schrift, en met een gedicht van Lermontov is zij ‘zeer geconcentreerd’ bezig, en elders spreekt zij over ‘een stuk Tolstoj in het Russisch’. In totaal verwijst Etty vaak zij het meestal terloops naar Russische auteurs of hun werken: Aleksander Poesjkin (8x), Michail Lermontov (8x), Nikolaj Gogol (4x), Lev Tolstoj (8x) en Anton Tsjechov (1x). Alle klassieken passeren dus de revue.

Zij las met woordenboeken, wat normaal is voor studenten slavistiek in deze fase van de studie. Zo leest zij Dostojevski’s De idioot met Langenscheidt-woordenboekjes evenals volksvertellingen van Tolstoj en noemt zij diens Kindheit met de Duitse titel. Met betrekking tot Oorlog en vrede vermeldt zij alleen een essay dat zij over deze roman moest maken. Of zij de omvangrijke roman zelf, evenals De broers Karamazov, in het Russisch heeft gelezen is niet duidelijk, maar is onwaarschijnlijk voor een pre-kandidaats student.

beeld van rusland


Behalve de vakken oudkerkslavisch, Russische literatuur, grammatica, vertaalkunde en praktische taalvaardigheid, volgde Etty Hillesum ook Russische cultuurgeschiedenis, gegeven door Bruno Becker. Over de inhoud daarvan schrijft zij niet, maar wel over enkele boeken over Rusland uit haar eigen bibliotheek: Karl Nötzel, Das heutige Russland (München- Leipzig 1915-1918, 2 Bnd.), in feite een boek over Tolstoj, en Die russische Leistung (Karlsruhe 1927); en Walter Schubart, Europa und die Seele des Ostens (Luzern 1938). Deze twee auteurs hebben Etty’s beeld van Rusland mee bepaald: het beeld van Rusland als een filosofische en spirituele tegenpool van het rationalistische westen. Het boek van Schubart heeft een romantisch-religieuze benadering van Rusland, dat niets van doen heeft met kritische historiografie, maar in die tijd tamelijk populair was. Karl Nötzel heeft door een lijvige Dostojevski-biografie een belangrijke rol gespeeld in de Dostojevski-perceptie in de eerste helft van de twintigste eeuw. Op 20 juni 1942 doet Etty Hillesum een programmatische uitspraak naar aanleiding van Die russische Leistung.

Ik las een boek over Rusland. Ik begin steeds meer van dat land te begrijpen en begin ook op mijn manier te doorgronden, wat het Europa te brengen heeft. Daar ligt studiemateriaal voor een heel leven. Ik zal er nog wel aan toekomen. En Rusland zelf zal ik ook dóórtrekken. West-Europa, dat ken ik – dat ben ik zelf. En een stuk Rusland zit er ook in mijn bloedsomloop. Ik zal zeker later dat land bereizen naar alle windstreken en zijn mensen aankijken en doorgronden en dan zal ik erover vertellen aan Europa. Soms is het me, of alles zich in me voorbereidt tot Rusland […] Toekomstphantasieën daarover heb ik eigenlijk helemaal niet, alleen een groeiend vertrouwen en zekerheid, dat daar een stuk toekomsttaak voor me ligt.

De volgende dag citeert zij uit het boek: ‘Seine [Russlands] menschheitlige Aufgabe scheint ja tatsächlich darin zu liegen, der übrigen Menschheit vorzumachen bis zu welchen Grenzen materieller Bedrängtheit, Bedrohtheit und Unsicherheit der Mensch sich immer noch als Mensch zu behaupten vermag.’

Hier wordt gerefereerd aan het Russische vermogen om te lijden. Een andere Russische eigenschap waarover Etty na het lezen van Nötzel verder filosofeert is het vermogen dingen te ondergáán in plaats van per se te willen begrijpen: ‘Misschien is dat voor ons Westerlingen het moeilijkste en missen we daarvoor het grote geduld en ook dat kostbare bestanddeel van het geloven: deemoed‘. Het woord ‘deemoed is een sleutelwoord in de Russische spiritualiteit en in de werken van Dostojevski, en hiermee vat Etty een in haar ogen kernverschil tussen de twee culturen samen. Zij legt het uit, het gaat om het vermogen lijden te kunnen dragen tot het einde. De Rus kan dat en ‘lijdt tot op de bodem. Wij [Westerlingen] bevrijden ons met woorden, beschouwingen, philosophieën, theoretische verhandelingen’. En elders: ‘De Westerling aanvaardt het ‘lijden’ niet als behorende bij dit leven, en daarom kan hij nooit positieve krachten putten uit het lijden’.

Etty formuleert hier een psychologisch beeld over Rusland en het Westen, dat in zijn generalisering natuurlijk onterecht is. En zij ziet ook wel een positieve kant aan het Westerse verzet tegen fatalisme, want is het niet daarom dat ‘West-Europa zoveel geproduceerd heeft aan philosophieën enz. en in Rusland op dit gebied een groot zwijgen heerst. En wat er dan uit Rusland komt zijn kreten, regelrecht uit de ziel, en het doet er niet toe of dat alles erg logisch en sluitend is’. Deze woorden lijken een goede karakteristiek van Dostojevski’s romans, maar daar heeft Etty het hier niet over. Met de haar eigen zelfspot vindt ze trouwens dat ze het ‘beestachtig slecht geformuleerd’ heeft. Dat moge zo zijn, maar zes bladzijden verder, voortbouwend op het thema van het lijden ontstijgt Etty het Oost-West cliché en ontvouwt zij diepe gedachten naar aanleiding van het concrete lijden van de joden in Polen en de vraag naar de (on)mogelijkheid daarbij in God te geloven en de mogelijkheid dit vreselijke lot te dragen.

Walter Schubart komt aan het einde in het dagboek enkele keren ter sprake, met één uitvoerig citaat uit Europa und die Seele des Ostens. Daarin stelt de auteur dat de verstoring van het rechtsbesef in Rusland sinds de Tataarse overheersing een onverwacht gunstig uitwerking heeft gehad in de meer verlichte geesten van de Russische cultuur, namelijk:

die Erkenntnis dass der Rechtsgedanke nicht das oberste Prinzip der Ethik ist, dass sich über ihr der Liebesgedanke erhebt, der jenseits von Recht und Unrecht, von Schuld und Rache mit einer grossen Gebärde alles vergebender, alles bereinigender Güte die Quelle des Menschenzwists für immer schliesst und dadurch das Gottesreich au Erden ermöglicht. Diese Kernidee des Christentums […] ist gerade von der sittlichen Elite Russlands leichter aufgenommen und mit grösserem Ernst gepflegt worden als im Europäischen Westen, der an der Überschatzung des Rechtprinzips kränkt.


Hier worden twee dingen gezegd: een over de aard van het christendom en een over de aard van het Russische volk. Het tweede is valse romantiek, een slavofiele mystificatie van de ruwe Russische werkelijkheid, een religieus alibi voor de traditionele Russische rechteloosheid. Maar het eerste raakt inderdaad een kernaspect van het christendom, het is de ethiek van de Bergrede. In de identificatie van die twee zijn Schubart en Etty Hillesum bepaald onkritisch.

rusland als roeping


Er is een belangrijk aspect aan het Ruslandbeeld van Etty Hillesum, waardoor het zich onderscheidt van ideologische visies: het is niet gebaseerd op politiek nationalisme noch op religieus superioriteitsbesef, maar komt voort uit een idealistische streven naar verzoening van tegenstellingen. Het is onderdeel van een geestelijk kosmopolitisme: ‘De ziel is toch vaderlandsloos of liever de ziel heeft één groot vaderland en daarin zijn geen grenzen. Er zijn de mogelijkheden van wederzijds begrijpen en toenadering en daaraan moet ik meewerken’. De betekenis van dit pleidooi voor kosmopolitisme is des te groter omdat het wordt geuit in een tijd dat in Duitsland en Sovjet-Rusland de zogenaamde vaderlandsloosheid van intellectuelen als ideologische misdaad wordt gezien.

Etty Hillesum doet duidelijke uitspraken over haar verlangen om later naar Rusland te gaan. Het plan is op een gegeven moment ‘zo uitgekristalliseerd als nooit te voren’:

Ik reis later naar Rusland, als afgezante van Europa en dan reis ik weer naar Europa als afgezante van Rusland […] Ik geloof toch, dat ik dáár op den lange duur zal uitmonden, dat alles, wat ik in me verzamel en waartoe ik mezelf verzamel, daarheen gericht zal worden om dat land te bevatten, in me op te nemen en vorm te geven aan de ervaringen, die ik daar ga opdoen. Кто знает?

En zij verbindt ook haar literaire idool Rilke met dat streven. Rilke had inderdaad een bijzondere liefde voor Rusland, dat hij als zijn tweede vaderland beschouwde.3 Etty Hillesum wil hem naar dat land terug brengen, waar hij steeds een ‘Heimweh’ naar had, en zij zal Russen naar Europa brengen. Kortom Etty wil ‘een bemiddelingsfiguur worden tussen deze twee werelden, die toch aanrakingspunten genoeg hebben’. Eens droomt zij zelfs dat zij een treinkaartje op het station koopt, om er meteen aan toe te voegen: ‘Wat zeg je van zoveel infantiele romantiek op de vroege morgen?’ En ze kan nog meer spotten met haar levensideaal: het feit dat zij uren moet lopen in Amsterdam omdat zij als joodse niet meer met de tram mag reizen, beschouwt ze als een oefening voor haar lopen in het grote Rusland. Maar ondanks die zwarte humor blijft ze haar ideaal verwoorden of er op zinspelen.4 Het is een onvervuld ideaal gebleven.

Er is ook een aspect aan Etty Hillesums Ruslandbeeld, dat niets met boven besproken culturele bemiddeling noch met het Russische volk te maken heeft. Rusland is door zijn geografische uitgestrektheid een symbool voor de innerlijke gesteldheid van Etty. Enkele malen wijst zij op de overeenkomst tussen de onbegrensdheid van het Russische land en haar eigen innerlijk.

Het landschap, dat de mens in zich draagt, zoekt hij ook buiten. Misschien heb ik daarom altijd dat merkwaardige verlangen gehad naar de wijde Russische steppen. Mijn innerlijke landschap bestaat uit grote, wijde vlaktes, oneindig wijd, er is nauwelijks een horizon, de ene vlakte gaat over in de andere.

Het beeld van oneindige wijdsheid komt meerdere malen voor in het dagboek en staat voor de onbegrensde en allesomvattende liefde die Etty voelt voor de mensen. Ook symboliseert het soms de onbegrensdheid van Gods wezen.

de plaats van dostojevski in het werk van etty hillesum


Fjodor Dostojevski komt op talrijke plaatsen in het dagboek en de brieven van Etty Hillesum voor. Hier volgt een becommentarieerd overzicht.

De eerste keer is een vermelding van het verhaal over de grootinquisiteur. In een korte analyse van de politieke actualiteit vergelijkt Etty de minachting die de grootinquisiteur heeft voor de massa met die van het communisme en nazisme. Zij belooft het later uit te werken maar dat is er niet van gekomen. Dat had een interessante analyse kunnen worden, want zij heeft wel meteen een kernelement van dit verhaal doorgrond, namelijk zijn prototypische beschrijving van elke vorm van totalitarisme.

Heel anders, licht ironisch, is de verwijzing naar Dostojevski in een psychologische zelfreflectie: ‘M’n geest rent achter m’n intuïtie aan’, ‘M’n verstand moet zich verschrikkelijk inspannen om allerlei Ahnungen van mij bij de slip van hun jasje te grijpen’, ‘Allerlei vage ideeën schreeuwen af en toe om concrete formulering’. Etty hoopt op ordening in deze geestelijke chaos, ‘anders wordt het zo Dostojewski-achtig’.

Nog kritischer ten opzichte van zichzelf wordt Etty als zij zich verwijt ‘te veel aan ‘Ausschweifungen’ te buiten te gaan, aan bacchanalen van de geest. Misschien identificeer ik me ook teveel met alles wat ik lees en studeer. Iemand als Dostojewski maakt me nog steeds op de een of andere manier kapot’. Etty meent dat zij zichzelf te hoge eisen stelt in haar werk en er te intensief bij betrokken is: ‘Als ik een eenvoudige Russische vertaling maak, staat daar op de achtergrond in m’n geest het hele Rusland en vind ik ook, dat ik minstens zo een boek als de gebroeders Karamazow moet schrijven’. En inderdaad, haar ambities zijn niet gering, zoals zij erkent wanneer ze zegt, dat zij ‘de literatuur, de Russische in het bijzonder en de hele wereldliteratuur in het algemeen’ wetenschappelijk wil bestuderen en er essays over schrijven en daarnaast ook zelf literatuur scheppen.

Het verlangen een tweede ‘Karamazow’ te schrijven klinkt inderdaad pretentieus en even later is Etty ook weer veel bescheidener, als ze zichzelf kritisch toespreekt: ‘En of je Dostojewski nu psycho-analytisch of historisch- materialistisch of van de meer ‘goddelijke’ kant moet benaderen, daar ben je nu nog niet aan toe. Je hebt Dostojewski zelf nog niet eens fatsoenlijk gelezen’. Maar ze blijft wel door hem evenals door andere denkers geobsedeerd, en ze moet zichzelf dwingen niet aan hen te denken, ‘niet aan Freud, niet aan Jung, niet aan Kierkegaard, niet aan Dostojewski en niet aan Stendhal’.

Een zeer pregnante vermelding van Dostojevski komen we tegen in een reflectie van Etty over haar vele en vroege lezen, vanaf haar twaalfde jaar: ‘Het was het o-ja lezen. Bij veel het gevoel, het zelf net zo gezegd te kunnen hebben, het beleefd te kunnen hebben. Pas nu, nu ik toch al 27 jaar ben, begin ik bewuster te lezen, ik zou zeggen onafhankelijker van wat ik lees’. En dan noemt zij de twee schrijvers die zo’n grote betekenis hebben in haar leesleven, Rilke en Dostojevski. En doet zij een heel persoonlijke uitlating over de laatste:

En Dostojewski. Ik weet nog hoe ik hem – was dat in de Kerstvacantie? – thuis gelezen heb. Tot ik er versuft en kapot en verdwaasd van was, honderden, duizenden bladzijden achter elkaar. En nu af en toe een paar bladzijden, maar die ik dan ook werkelijk actief herschep en waar ik dagen lang mee rondloop.
[…]
Dostojewski vervolgt me de laatste tijd en treft keer op keer.

Hierna volgt een Duits citaat van Dostojevski over liefde versus recht, genomen uit een boek over Rilke van Maurice Betz. Zo brengt Etty Hillesum haar beide auteurs subtiel bij elkaar. Die verbinding brengt zij nog een keer tot stand wanneer zij een gedicht van Rilke uitvoerig citeert, omdat zij daar ‘Dostojewski’s “Groot-Inquisiteur” gedachte’ in terug vindt. Het gaat over de eis van mensen aan Christus om wonderen te doen, anders willen ze niet in hem geloven, maar Christus wil niet via machtsvertoon geloof opwekken. Ook in deze tweede referentie aan de Legende van de grootinquisiteur stoot Etty Hillesum door tot een kernaspect van het verhaal. Verder komt De gebroeders Karamazov niet meer voor in haar dagboek en brieven.

Het werk van Dostojevski dat Etty het vaakst noemt door heel haar geschriften heen is De idioot. Met dit boek heeft zij een moeizame maar constante relatie. Op een gegeven moment neemt Etty zich voor de roman niet alleen te beginnen maar nu ook eens gestadig door te werken. Kennelijk kost het haar moeite, maar áls ze er eenmaal aan begonnen is, blijkt die haar zeer te boeien, zoals zij verderop zegt: ‘Van De idioot heb ik tot nu toe maar tien bladzijden gelezen en die paar bladzijden hebben een hoop ideeën en gedachten bij me wakker geroepen, eigenlijk onevenredig veel naar verhouding van het geringe aantal bladzijden’. Haar inlevingsvermogen is blijkbaar zo groot en de receptie zo intensief, dat het niet opschiet. En het vertalen blijft een hele klus en soms heeft zij gewoon geen tijd. Maar niettemin gaat Etty van de hoofdpersoon van het boek houden: ‘Er is een nieuwe vriend bijgekomen: Vorst Myschkin. Ik weet nog niet veel van hem, maar hij heeft al z’n vaste plaats in m’n gedachten’. En zij wil de twee delen van De idioot insluiten bij de minimale bagage die zij mag meenemen naar Westerbork, desnoods neemt ze er minder eten voor mee.

Het derde boek van Dostojevski waaraan Etty Hillesum refereert is De aantekeningen uit het dodenhuis. De eerste keer wordt terloops de titel genoemd en dat heeft geen bijzondere betekenis, behalve dat wij daardoor weten dat Etty het boek kende. De tweede verwijzing is zonder titel en staat aan het einde van het dagboek en deze verwijzing krijgt een diepe betekenis door de dramatische context waarin zij staat, namelijk vlak voor het vertrek naar Westerbork. Etty weet dat zij ‘in de hel’ komt, een hel waarbij vergeleken Dante’s Hel ‘een lichtzinnige operette’ is. Vanaf nu is de verschrikking voelbaar in het dagboek. Etty schrijft op 15 juli 1942: ‘Ik wil iets onthouden voor m’n moeilijkste ogenblikken en het ook altijd bij de hand hebben: dat Dostojewski vier jaren in het bagno in Siberië heeft gezeten, met als enige lectuur een Bijbel’.

In de verwijzing naar de Siberische periode van Dostojevski schuilt een diepe literaire en spirituele verwantschap tussen Etty Hillesum en Dostojevski: beide schrijvers geven vanuit persoonlijke ervaring een inkijk in de onmenselijkheid van het kampleven. Etty Hillesums brieven uit Westerbork met thematisch verwante passages uit haar dagboek, behoren met Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis tot de hoogtepunten in dat unieke literaire genre van kampervaringen, tot de literair-esthetische beschrijving van onbeschrijfbaar menselijk leed. De spirituele overeenkomst ligt in het feit dat beide kampbewoners in hun bijbel de geestelijke kracht vinden te overleven in de menselijke hel.

Frappant is ook een andere overeenkomst tussen Etty Hillesum en Dostojevski met betrekking tot het kampleven. Beiden uiten voor hun deportatie de angst dat zij niet meer mogen schrijven en vrezen dat dat hun ondergang wordt. Dostojevski verwoordt dit in zijn afscheidsbrief aan zijn broer van 22 december 1849: ‘Zal ik werkelijk nooit meer een pen in mijn hand nemen? […] Ja, als ik niet zal kunnen schrijven, dan ga ik ten onder. Liever vijftien jaar gevangenschap en een pen in mijn handen’. Etty Hillesum zegt het aldus: ‘Het allerergste voor mij zal zijn, wanneer me geen potlood en papier meer toegestaan zal zijn om af en toe tot wat klaarheid te komen met mezelf, dat is voor mij het aller- en allernodigste, anders zal er op den duur iets in mij uiteenbarsten en me vernietigen van binnenuit.’ Maar Etty zal deze oerbehoefte geestelijk overwinnen in haar toenemende onthechting, waarin zij al tot klaarheid met zichzelf en het aanstaande leed komt. Dat zijn de laatste honderd bladzijden van haar dagboek, die met de brieven uit het kamp Westerbork, het meest aangrijpende deel van haar geschriften vormen. En Dostojevski zal het fysiek overleven en zes jaar na dato zijn ervaringen opschrijven, waarmee hij zijn eerste echte meesterwerk schept.

Er zijn nog twee uitspraken over Dostojevski. De eerste betreft een aardige vergelijking tussen Tolstoj en Dostojevski: Tolstoj, is:

de realistische beschrijver van het zieleleven, de mathematicus van de zieleroerselen (in verband met ‘Kindheit’ enzovoort). En een andere schrijver (Dostojewski): de mystische beschrijver van bijv. een stoelpoot. De eerste beschrijft van buiten naar binnen, de tweede van binnen naar buiten. Bij de een wordt de ziel tot iets tastbaars, bij de ander een stoel tot iets ongrijpbaars. De realist van het ongrijpbare. De mysticus van het grijpbare. (haakjes in origineel).

De tweede uitspraak is een plaatsbepaling van Dostojevski in het geestelijke pantheon van Etty Hillesum: ‘Dostojewski en Rilke en de Heilige Augustinus. En de Evangelisten. Ik verkeer in zulk heel erg goed gezelschap’. Deze vier vormen inderdaad de literaire bronnen van Etty Hillesums religieus-filosofische wereldbeschouwing.

Voor de volledigheid zij hier nog gewezen op de karakteriseringen van Dostojevski die Etty Hillesum haalt uit André Suarès’ boek over Dostojevski en waarmee zij inhoudelijk instemt. Het lange eerste en derde citaat geef ik verkort weer: ‘Nicht der amor vitae, sondern mehr die vita amoris: dieses ist Dostojewskis letzter Grund’. En:

Von Heiterkeit ist nicht ein Schatten in dem grossen Russen. Die ungeheuerliche und schmerzliche Komik bei Dostojewski greift ans Herz. Lebedew, Marmeladow, der alte Karamazow und viele andere noch von unvergleichlicher Fülle an Fallstaff erinnerend. Diese Fülle kommt aus der Liebe, wie alles andere (cursief in origineel).

Het derde citaat van Suarès contrasteert het vitalisme van Dostojevski en zijn romanpersonages met het nihilisme van Nietzsche en eindigt met de constatering: ‘Raskolnikow und alle die jungen Helden Dostojewskis wissen von sich aus alles, was Nietzsche sie lehren kann. Aber Dostojewski rät ihnen nicht, in dieser Halb-Erkenntnis zu bleiben’. Afgezien van de vraag of deze evaluatie van Dostojevski correct is, introduceren deze citaten Misdaad en straf in het dagboek van Etty Hillesum.

De spiritualiteit van de broers karamazov


Bij wijze van zelfspot heeft Etty Hillesum gezegd dat zij ‘een boek als de gebroeders Karamazow’ wil schrijven. Dat heeft ze niet gedaan. Maar zij heeft in haar levenshouding elementen getoond en in haar dagboek verwerkt, die een opmerkelijke overeenkomst vertonen met de geestelijke thematiek in De broers Karamazov. Nu gaat het niet meer om Etty Hillesum óver Dostojevski maar om een Dostojevskiaanse mentaliteit of spiritualiteit in Etty Hillesum zelf. Welke is die spiritualiteit?

Deze uit zich in drie thema’s of subthema’s in het dagboek van Etty Hillesum. 1. het probleem van het menselijke lijden in relatie tot God; 2. de ervaring van de schepping desondanks als paradijs; 3. een gemeenschappelijk schuldbesef en een alles vergevende liefde tegenover iedereen. Het eerste punt is het thema van het gesprek tussen Ivan en Aleksej Karamazov, het tweede en derde van de leer van de blijmoedige monnik Zosima.

het probleem van het lijden


De confrontatie van de godsidee met het lijden en de wreedheid in de wereld is een centraal thema in het dagboek van Etty Hillesum, vooral in het laatste gedeelte. Dat is ook het cruciale filosofisch-religieuze probleem van Ivan Karamazov: hoe kan een God-schepper het lijden, met name van onschuldige kinderen, toelaten. Voor Ivan is het de reden om weliswaar niet het bestaan van God maar wel diens goede bedoelingen met de mens te ontkennen, en het toegangsbiljet tot het alle leed opheffende paradijs van menselijke harmonie terug te geven aan God.



Fjodor Dostojevski

In de paradoxale literaire werkwijze van Dostojevski wordt op dit dilemma van Ivan door Ivan zelf indirect een begin van antwoord gegeven in zijn Legende van de grootinquisiteur: God, in de persoon van de Christus, is een hulpeloze god tegenover de machten van deze wereld, inclusief de kerkelijke macht in de persoon van de grootinquisiteur. En God wil het geloof niet afdwingen door machtsmiddelen te gebruiken of wonderen te verrichten. Aljosja concretiseert dit impliciete antwoord van Ivan in zijn reactie daarop: God is in Christus zelf een lijdende God geworden en hij heeft daarmee het lijden van de mensheid op zich genomen. Een lijden dat niet door God veroorzaakt is, maar door de mens.

Dit godsbeeld is verwant met dat welke Etty Hillesum uitdraagt in haar originele zondagochtendgebed van 12 juli 1942:

Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft maar ik kan van te voren nergens voor in staan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij ons zelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we er ook aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van de anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen.

In deze nieuwe formulering van het eeuwenoude probleem van de theodicee – het naast elkaar bestaan van God en het lijden – , zien hedendaagse theologen terecht een diepe religieuze relevantie van de niet conventioneel gelovige Etty Hillesum. Hier staat zij op één lijn met haar tijds- en lotgenoot Dietrich Bonhoeffer, die eveneens de traditionele theologische kaders van het godsbeeld doorbrak vanuit zijn ervaring met het oorlogsleed. De originele formulering van het oude probleem en het daarin ontwikkelde beeld van een machteloze of beter van macht afziende God, maakt ook de blijvende betekenis uit van de ‘Legende van de grootinquisiteur.’

Er is nog een verwijzing naar Ivan Karamazov in de beschouwingen van Etty Hillesum over het probleem van het lijden, een indirecte maar belangrijke verwijzing. Etty verbindt het lijden met de mogelijkheid te geloven in een uiteindelijke harmonie van het bestaan, iets wat Ivan ten enenmale afwijst. Voor hem is de prijs van die harmonie na de dood, namelijk aanvaarding van het lijden zelfs in de vorm van één traan van een lijdend kind, te hoog, en daarom geeft hij de schepper zijn toegangsbiljet tot de harmonie in het hiernamaals terug. Etty erkent dat de prijs hoog is doch aanvaardt dat heel bewust: ‘Maar de prijs voor dat toegangsbiljet is zwaar en hoog en men moet hem lang bijeensparen uit bloed en tranen. Maar hij is met geen enkel lijden en tranen te hoog betaald’. Hier worden de termen ‘toegangsbiljet’ en ‘tranen’ gebruikt die ook in Ivans verhaal staan, en verderop komen we nog die andere term van Ivan tegen: ‘harmonie’.

Ivan Karamazov geeft eenvoudig de schuld van het lijden aan de schepper en hij roept Hem ter verantwoording. Etty Hillesum draait de relatie om, terwijl zij zelf staat te midden van het lijden: ‘En God is ons ook geen verantwoording schuldig voor de zinneloosheden, die wij zelf aanrichten, wij zijn verantwoording schuldig. Ik ben al in duizend concentratiekampen duizend doden gestorven, ik weet het allemáál […] en tóch vind ik dit leven schoon en zinrijk’.

het leven als paradijs


Met die laatste woorden komen we op het tweede thema. Behalve het beeld van een zelf lijdende en met de mens mee lijdende God, is er een tweede religieuze reactie op het leed in de wereld. Dat is de gedachte dat ondanks het leed het leven toch een vreugde kan zijn. Dat is een provocerende gedachte: vreugde om de schepping en de ervaring van het leven als een paradijs temidden van de realiteit van het lijden.

In verschillende variaties komen in De broers Karamazov, met name in de twee hoofdstukken over leven en leer van de monnik Zosima de genoemde motieven voor. Bijvoorbeeld wanneer Dostojevski het lijden van de stervende broer van Zosima verbindt met diens ervaring dat desondanks ‘het leven toch vrolijk is en vreugdevol’; en zijn diepgevoelde medeverantwoordelijkheid voor het kwaad in de wereld met zijn kennis dat zo gauw men dat beseft, men de ervaring van het paradijs krijgt. En Zosima ziet de lelijkheid van zijn jeugdzonde, de mishandeling van zijn knecht, in het licht van de schoonheid van de natuur, de schijnende zon, de zingende vogels, het edele paard en de roofdieren in het bos. De slechtheid van de mens is tegengesteld aan de schoonheid van de schepping, en het ontbreken van medeschuldbesef voor de misdaden van anderen is tegengesteld aan de paradijselijke geestestoestand die volgt op erkenning daarvan. Zosima bezingt de natuur in lyrische termen die zowel simpel in formulering als mystiek in diepgang zijn, vergelijkbaar met het ‘Zonnelied’ van Franciscus van Assisi: de blauwe hemel, de pure lucht, het zachte gras, de hele zondeloze natuur maken het leven tot een paradijs en zouden de mensen tot een allen omvattende wederzijdse liefde moeten bewegen.

De liefde die Zosima predikt is geen abstracte liefde voor de mensheid, maar wat hij – ook elders in de roman – noemt ‘daadwerkelijke’ (dejatelnaja) liefde. En die zal zijn uitwerking hebben op het geheel ook al kunnen wij dat niet overzien. Want ‘alles is als een oceaan, alles stroomt en staat met elkaar in verbinding, wat je op de ene plaats aanraakt, dat weergalmt aan het andere eind van de wereld’. Het is geen liefde gebouwd op ideologisch-humanistische principes maar op deemoed.

Deze Zosimaaanse spiritualiteit van lijden en vreugdebelevenis, van universele verbondenheid van onze goede en slechte daden en van daadwerkelijke liefde en deemoed komen wij ook tegen in het dagboek van Etty Hillesum. Nergens wordt Zosima in het dagboek genoemd, hoewel Etty Hillesum de roman kent, maar dat maakt de verwantschap met Zosima des te opvallender: het is geen imitatie maar een eigen ervaring, even onconventioneel als bij de atypische Russische monnik.

De constatering dat ‘Gods wereld ondanks alles toch schoon is’ staat al in het begin van het dagboek, in een geëxalteerde context, maar wordt herhaald in het midden in een serieuzere context: ‘En [ik] aanvaardde, met een gevoel van volwassenheid en deemoed, alle catastrophes en pijnen, die nog over me zouden kunnen komen. En ik geloofde vast dat ik het leven tòch schoon zou blijven vinden, altijd, ondanks alles’.. En het dagboek sluit ermee af in het zicht van de naderende gruwelen.

Dit is eenzelfde blijmoedigheid en deemoed als bij Zosima. En als een regelrechte variatie van Zosima’s stelling dat ‘wij allemaal in het paradijs zijn maar het niet willen weten’ klinkt Etty’s uitspraak dat ‘wij alle mogelijkheden tot alle paradijzen hebben meegekregen, we zullen nog moeten leren met onze mogelijkheden om te gaan’.

Het prijzen wordt verderop in het dagboek vaak heel concreet, met hetzelfde oog voor detail in de natuur en hetzelfde zoeken van God in het kleine als bij Zosima: waar Zosima God ziet in grassprietjes, kevertjes, bijtjes, vogels en de zon, daar ziet Etty Hillesum in een gele jasmijn, een rose-rode cyclame, een boom, een glinsterende kiezelsteen en de sterrenhemel verwijzingen naar God.

Hoe moeilijker de leefomstandigheden worden des te vaker komt de natuur voor als tegenstelling tot de ellende van de bezetting en oorlog. Etty Hillesum ziet het zelfs als haar roeping te ‘getuigen, mijn God, dat het goed en mooi is in jouw wereld te leven, ondanks alles wat wij mensen elkaar aandoen’.

Ook tegenover het persoonlijke leed, houdt Etty Hillesum haar geloof in de schoonheid van het leven vol. Geheel in de naïeve stijl van Zosima is de volgende passage:

Ik zou m’n handen willen vouwen en zeggen: kinderen, ik ben zo gelukkig en zo dankbaar en ik vind het leven zo mooi en zinrijk. Jawel, mooi en zinrijk, terwijl ik hier sta aan het bed van mijn dode vriend, die veel te jong gestorven is en terwijl ik ieder ogenblik gedeporteerd kan worden naar een onbekend gebied. Mijn God, ik ben je zo dankbaar voor alles.

Op een andere plaats citeert Etty Hillesum een evangelietekst waarop ook door Zosima wordt gezinspeeld: ‘Mijn verrijking van de laatste dagen: de vogelen des hemels en de leliën des velds en Mattheus, 6, 33’.

De groteske combinatie van lijden en schoonheid ziet Etty Hillesum ook bij Franciscus van Assisi, bij zijn ‘Lied an die Sonne, die ihm im Sterben herrlicher war als das Kreuz, das ja nu dazu dastand, um in die Sonne zu weisen.’(cursief origineel) Dat heeft zij van Rilke, maar het is ook in de geest van Zosima.

liefde en vergeving


Bij Etty Hillesum komt niet de typische uitdrukking van Zosima voor dat ‘iedereen voor alles en allen schuldig is’, maar zij zegt wel herhaaldelijk dat de mensen zelf verantwoordelijk zijn voor het lijden in de wereld. Het kwaad komt voort ‘uit de mens, uit iedere enkeling, uit mezelf’. Het collectieve kwaad wordt gerelateerd aan individuele kleine daden. Net zoals Zosima die, terugblikkend op zijn jeugd, een klap in het gezicht van zijn knecht als bron beschouwt van groter kwaad elders dat men niet kan voorzien, zo zegt Etty Hillesum: ‘En waarom is er oorlog? Misschien omdat ik af en toe neiging heb m’n medemens af te snauwen. Omdat ík en m’n buurman en iedereen niet genoeg liefde in zich heeft’.

Op pagina 184 zegt Etty Hillesum tot God: ‘Ik beloof je, dat m’n hele leven een streven zal zijn om tot die schone harmonie te komen, en ook tot die deemoed en werkelijke liefde, waartoe ik de mogelijkheid in m’n beste momenten in me voel’. Afgezien van de relevante term ‘harmonie’, die Ivan Karamazov gebruikte om God te verwijten dat die teveel menselijk leed kost, komen we hier twee bij uitstek dostojevskiaanse uitdrukkingen tegen: deemoed en werkelijke liefde. De eerste komt frequent voor in werken van Dostojevski: smirenie, de tweede is een stokpaardje van Zosima: dejatelnaja ljoebov’. Als Etty Hillesum hier niet aan gedacht heeft, dan blijft de overeenkomst opmerkelijk. Waarom niet gewoon ‘liefde’? In De broers Karamazov staat de uitdrukking ‘(daad)werkelijke liefde’ tegenover de ‘dromerige liefde’ van de kleingelovige dame Chochlakova, die uit egocentrisme voorkomt, en de ‘abstracte liefde’ tot de mensheid die Ivan zegt te hebben, maar die slechts een argument blijkt te zijn om God gebrek aan liefde te kunnen verwijten.

Etty Hillesum ziet, in Zosimaanse geest, de ‘werkelijke’ liefde als antwoord op het kwaad in de wereld, ook al kunnen anderen daarop reageren ‘met een sadistisch verhaal over een concentratiekamp en triomphantelijk zeggen: waar blijf je nou met je mensenliefde?’ Dat laatste was wat Ivan Karamazov had gedaan tegenover Aljosja met zijn verhalen over sadistische wreedheden van Turken tegenover kinderen in de Russisch-Turkse oorlog, van landheren tegenover kinderen van hun lijfeigenen en van ouders tegenover hun eigen kinderen.

tot slot


De hier beschreven overeenkomsten in religieuze spiritualiteit tussen het dagboek van Etty Hillesum en Dostojevski’s De broers Karamazov zijn treffend en, gezien de interesse van Etty Hillesum voor Dostojevski, zeker niet toevallig. Men kan deze ervaringen van Etty Hillesum lezen als een echo van Dostojevski’s laatste roman.

Andere overeenkomsten die wel eens gemaakt worden tussen Hillesum en Dostojevski’s romanpersonages berusten echter op fantasie van de lezer. Bijvoorbeeld de mening dat Etty Hillesum de joden volgt in hun lijdensweg naar Auschwitz, zoals Sonja Raskolnikov en Groesjenka Dmitri volgen naar hun strafkamp in Siberië. Die vergelijking gaat niet op omdat Sonja en Groesjenka gaan met hun geliefde en niet als medeslachtoffer. Hun daad is natuurlijk altruïstisch maar van een andere orde dan die van Etty Hillesum. Ook is een vergelijking met Mysjkin niet op inhoudelijke gronden gebaseerd, maar op het feit dat de roman De idioot vaak vermeld wordt in het dagboek. Mysjkin is ondanks zijn edelmoedige opkomen voor mishandelde kinderen en zijn deemoed tegenover anderen grotendeels met zichzelf bezig, terwijl Etty Hillesum het lijden van een heel volk (het joodse) geestelijk tot haar werkterrein maakt en daadwerkelijk het lijden van een heel kamp (Westerbork) probeert te verlichten.

Wie wel genoemd kan worden in verband met Etty Hillesum is Dmitri Karamazov. Zoals Dmitri zegt in de ondergrondse mijnen van Siberië God te zullen blijven prijzen voor de zon en de hele schepping, en zich innerlijk vrij zal voelen als mens ook al is hij geketend, zo gaat ook Etty Hillesum haar lot tegemoet: ‘En al zou ik zitten in een ondergrondse cel, dan zou dat stuk hemel binnen in mij uitgespannen zijn en mijn hart zou als een vrije vogel uitvliegen naar die hemel en daarom is het alles zo eenvoudig, zo verschrikkelijk eenvoudig en mooi en zinrijk’. Door hun innerlijke vrijheid veranderen Etty Hillesum en Dmitri Karamazov een menselijke hel in een persoonlijk paradijs. Een dostojevskiaanse paradox par excellence.





1 Klaas A.D. Smelik (red.) Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943. Amsterdam 1991. Derde herziene druk, 874 blz. De paginaverwijzingen in dit artikel zijn naar deze editie.
2 Ellen Vandewalle, De invloed van André Suarès’ Dostojewski in de dagboeken van Etty Hillesum, in R. van den Brandt/ Klaas Smelik (red.), Etty Hillesum in context. Assen 2007, 74-94.
3 Over Rilke en Rusland zie Konstantin Asadowski (Hrsg.), Rilke und Russland. Briefe, Erinnerungen, Gedichte. Frankfurt am Main 1984.
4 Zie pp. 414, 440, 487, 507, 570.



<   

TSL 52

   >